Insolventierecht

Verzoek om toepassing van de wsnp. Artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) 2015/848 betreffende…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 december 2024

Zaakgegevens

Op 20 december 2024 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
20 december 2024
Datum publicatie
20 december 2024
Zaaknummer
200.348.551
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. Mulder (onttrokken)
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:7853
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om toepassing van de wsnp. Artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures. De rechtbank heeft zich op goede gronden onbevoegd verklaard om van het wsnp-verzoek kennis te nemen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.348.551

zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo

arrest van 20 december 2024

in de zaak van

[appellant]

die woont in [woonplaats] (Duitsland)

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de rechtbank optrad als verzoeker

hierna: [appellant]

advocaat: mr. Mulder (onttrokken)

1 De procedure bij de rechtbank

1.1.

Op 10 april 2024 is [appellant] door de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), bij verstek in staat van faillissement verklaard. [appellant] heeft verzet ingesteld. Op 8 mei 2024 is het faillissement vernietigd.

1.2.

Op 26 juli 2024 hebben Max Crowdfund B.V. en Max Crowdfund Security Trustee Foundation de rechtbank opnieuw verzocht het faillissement van [appellant] uit te spreken. Vervolgens heeft [appellant] de rechtbank verzocht ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp) uit te spreken.

1.3.

De rechtbank heeft zich bij vonnis van 20 november 2024 onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wsnp.

2 De procedure bij het hof

2.1.

Mr. Mulder heeft namens [appellant] met het op 27 november 2024 bij het hof binnengekomen beroepschrift hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 20 november 2024. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toepassing van de wsnp toe te wijzen. Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met bijlage.

2.2.

Met het V-formulier van 12 december 2024 heeft mr. Mulder aan het hof laten weten dat hij zich onttrekt als advocaat van [appellant] .

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2024, waarbij [appellant] is verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.

In het beroepschrift komt [appellant] op tegen het oordeel dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van zijn verzoek tot toelating tot de wsnp. Omdat de rechtbank hem eerder op 10 april 2024 ook in staat van faillissement heeft verklaard, kan het volgens hem niet zo zijn dat de rechtbank zich bij de behandeling van zijn wsnp-verzoek onbevoegd verklaart.

3.2.

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Verordening (EU) 2015/848 betreffende insolventieprocedures (hierna: de Europese insolventieverordening) is de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen, bevoegd tot opening van een insolventieprocedure, waaronder een procedure tot toelating tot de wsnp. Het centrum van de voornaamste belangen (hierna: de COMI) is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is.

3.3.

Artikel 3 lid 1 van de Europese insolventieverordening bepaalt dat in het geval van een natuurlijke persoon die als zelfstandige een bedrijfs- of beroepsactiviteit uitoefent, zolang het tegendeel niet is bewezen, de COMI wordt vermoed de plaats van diens hoofdvestiging te zijn. Dit vermoeden geldt niet als de hoofdvestiging van de natuurlijke persoon in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure naar een andere lidstaat is overgebracht.

3.4.

[appellant] exploiteert zijn onderneming (eenmanszaak), genaamd [de onderneming van appellant] , in [woonplaats] , Duitsland. Vaststaat dat de vestigingsplaats van zijn onderneming de afgelopen jaren niet is gewijzigd. Voor [appellant] , als natuurlijk persoon die als zelfstandige een bedrijf uitoefent, geldt daarom dat zijn COMI wordt vermoed de plaats van de hoofdvestiging van zijn eenmanszaak te zijn. Die plaats ligt in Duitsland. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij sinds 8 maart 2024 officieel in Duitsland is ingeschreven, maar dat hij inmiddels ongeveer een jaar in Duitsland woont en dat hij in Nederland niets meer heeft. Van een COMI elders is dan ook niet gebleken, zodat de rechtbank zich op goede gronden onbevoegd heeft verklaard om van het wsnp-verzoek kennis te nemen.

3.5.

Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 november 2024.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, G.P. Oosterhoff en H.M.L. Dings, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. H.L. Wattel, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024.