Insolventierecht

Verlenging termijn schuldsaneringsregeling

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 maart 2026

Zaakgegevens

Op 17 maart 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
17 maart 2026
Datum publicatie
17 maart 2026
Zaaknummer
200.364.236
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. E.R. Butin Bik
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1630
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging termijn schuldsaneringsregeling

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.364.236

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/24/104 R

arrest van 17 maart 2026

in de zaak van

[appellant]

en

[appellante]

die wonen in [woonplaats] en

die hoger beroep hebben ingesteld

hierna afzonderlijk: mijnheer en mevrouw, en gezamenlijk: appellanten

advocaat: mr. E.R. Butin Bik

1 De procedure bij de rechtbank

1.1.

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) heeft bij vonnis van 11 juli 2024 ten aanzien van appellanten de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Daarbij is C.P.M. van der Helm tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder).

1.2.

De rechtbank heeft bij vonnis van 19 januari 2026 de schuldsanering met 9 maanden verlengd voor mijnheer en met 16 maanden voor mevrouw en verstaan dat de verlenging ingaat op 11 januari 2026 en zal lopen tot respectievelijk 11 oktober 2026 voor mijnheer en tot 11 mei 2027 voor mevrouw.

2 De procedure bij het hof

2.1.

Bij op 27 januari 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 19 januari 2026. Zij hebben het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog te de wettelijke schuldsanering ten aanzien van hen te beëindigen, zulks met kwijtschelding van de onbetaald gebleven schulden, althans verlening van een schone lei.

2.2.

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het beroepschrift met bijlagen 1 en 2; en

- een reactie op het beroepschrift van de bewindvoerder met bijlagen 1 tot en met 16.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026, waarbij mijnheer is verschenen, bijgestaan door mr. Butin Bik. Ook is de bewindvoerder verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Feiten en het oordeel van de rechtbank

3.1.

Appellanten zijn allebei geboren in Kosovo. Mijnheer verblijft al langer in Nederland. Mevrouw is in 2021 naar Nederland gekomen en volgt sindsdien een inburgeringstraject. In mei 2022 zijn zij ouders geworden van een zoontje.

3.2.

Mijnheer was ondernemer en werkte als installatiemonteur. Doordat hij een periode geen werkzaamheden had, en dus ook geen inkomen, zijn er schulden ontstaan. Deze schuldenlast was en is voor appellanten problematisch. Zij waren met schuldhulpverlening in een minnelijk schuldsaneringstraject, maar dat is niet gelukt. Appellanten zijn per 11 juli 2024 toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.

3.3.

De rechtbank heeft op grond van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) beoordeeld of appellanten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zijn tekortgeschoten en of deze tekortkoming aan hen kan worden toegerekend. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellanten wel aan de afdrachtplicht hebben voldaan, maar dat zij niet hebben voldaan aan hun inspanningsverplichting, omdat zij onvoldoende hebben gesolliciteerd. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling moet worden verlengd met 16 maanden voor mevrouw en met 9 maanden voor mijnheer.

Het oordeel van het hof

De kern van het oordeel van het hof

3.4.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Dat betekent dat de beslissing om de schuldsaneringsregeling voor appellanten te verlengen, in stand blijft. Het hof legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

De sollicitatieplicht

3.5.

Een van de verplichtingen in het kader van de wsnp is dat de schuldenaar zich moet

inspannen om zo veel mogelijk inkomsten te genereren voor zijn schuldeisers. Deze verplichting houdt onder meer in dat van de schuldenaar die geen of onvoldoende betaalde werkzaamheden verricht, wordt verlangd dat hij gericht solliciteert naar (aanvullend) betaald werk. Dit is alleen anders als de schuldenaar in het kader van de wsnp is vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.

3.6.

Mijnheer heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij tijdens het wsnp-traject onvoldoende heeft gesolliciteerd en dat hij en mevrouw beiden niet waren vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Nadat er op 18 augustus 2025 een verhoor heeft plaatsgevonden met de rechter-commissaris, waarbij alleen mijnheer is verschenen, heeft mijnheer zich wel aan de sollicitatieplicht gehouden. Mevrouw heeft zich echter ook na dit verhoor grotendeels niet aan haar sollicitatieplicht gehouden. De rechtbank heeft geconcludeerd dat mijnheer zich 9 maanden niet heeft gehouden aan de sollicitatieplicht en mevrouw 16 maanden. Dit is ook in hoger beroep zo gebleken. Het hof sluit zich dan ook aan bij deze overweging van de rechtbank en maakt het tot het zijne.

3.7.

Dit betekent dat appellanten zijn tekortgeschoten in een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting. De door appellanten in het beroepschrift en door mijnheer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden maken dat oordeel niet anders. Ook het standpunt van appellanten dat mijnheer als zelfstandige meer inkomen had kunnen genereren, maar tijdens de wsnp niet als zelfstandige mocht werken, volgt het hof niet. Niet alleen zijn de schulden juist ontstaan toen mijnheer als zelfstandige werkte, maar bovendien heeft ook niet met de bewindvoerder overlegd of hij eventueel weer als zelfstandige aan het werk zou kunnen. Dat zij in strijd met hun wsnp-verplichting onvoldoende hebben gesolliciteerd kan appellanten daarom worden toegerekend. Deze tekortkoming is bovendien niet zo gering dat die buiten beschouwing kan blijven.

3.8.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank dan ook bekrachtigen. Dat betekent dat de beslissing om de schuldsaneringsregeling voor mijnheer te verlengen met 9 maanden, en voor mevrouw met 16 maanden, in stand blijft. Het hof wijst er daarbij op dat appellanten met de verlenging van de schuldsaneringsregeling een kans krijgen om alsnog aan hun verplichtingen te voldoen en de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Mijnheer heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat hij, ondanks dat het hele traject hem zwaar is gevallen, sinds augustus 2025 nog altijd aan zijn sollicitatieverplichting voldoet en dus op de goede weg is. Het hof wil in het bijzonder mevrouw erop wijzen dat de verlenging ook voor haar een kans is om de schuldsaneringsregeling (alsnog) tot een goed einde te brengen. Mocht het zo zijn dat zij zich door omstandigheden niet in staat voelt om aan haar sollicitatieplicht te voldoen, heeft zij de mogelijkheid om alsnog een belastbaarheidsonderzoek aan te vragen (al dan niet met hulp van de bewindvoerder).

De conclusie

3.9.

Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 januari 2026.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.M. Brouwer, M.P.M. Hennekens en A.E. de Vos en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.