Insolventierecht
Tussentijdse beëindiging Wsnp op verzoek schuldeiser (350 lid 3 sub e/f Fw)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6244 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6244
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 29 september 2026
- Zaaknummer
- 200.371.467
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.A. Dooijeweerd
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6244
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Tussentijdse beëindiging Wsnp op verzoek schuldeiser (350 lid 3 sub e/f Fw)
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 2 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4006Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 29 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2026:6244
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.371.467
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/26/1033 R
arrest van 29 september 2026
in de zaak van
[verzoekster]
die woont op een, bij het hof bekend, geheim adres
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [verzoekster]
advocaat: mr. A.A. Dooijeweerd
en
[verweerder]
die woont in [woonplaats]
hierna: [verweerder]
advocaten: mrs. M.E.R. van Herpen en A. Coppelmans
1 De procedure bij de rechtbank
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) heeft bij vonnis van 13 februari 2026 ten aanzien van [verzoekster] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Daarbij is de heer B.L. Menting tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder).
De rechtbank heeft bij vonnis van 2 juli 2026 het verzoek van [verweerder] tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling toegewezen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd met vaststelling van het salaris van de bewindvoerder.
2
2. De procedure bij het hof
Bij op 10 juli 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 2 juli 2026. Zij heeft het hof verzocht dat vonnis te vernietigen, primair de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank en subsidiair het verzoek tot beëindiging van de Wsnp van [verweerder] alsnog af te wijzen en de Wsnp ten aanzien van [verzoekster] in stand te laten.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift met bijlage
- de reactie op het beroepschrift van de bewindvoerder met bijlagen
- een aanvulling op het beroepschrift van [verzoekster] met bijlagen 2 tot en met 13
- het verweerschrift met bijlagen H1 tot en met H13 van [verweerder]
- een e-mail van [verzoekster] met bijlage 14 tot en met 16
- een e-mail van [verweerder] met bijlage H14
- een e-mail van de rechtbank Midden-Nederland met als bijlage het proces-verbaal van de zitting van 18 november 2024
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2026, waarbij [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Dooijeweerd. [verweerder] is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mrs. Coppelmans en Van Herpen. Verder is de bewindvoerder verschenen. Ter zitting heeft mr. Dooijeweerd spreekaantekeningen overgelegd.
3 De feiten
Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van
24 september 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is vervolgens ingeschreven.
Bij beschikking van 31 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag beslist over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding. Direct ná deze beschikking heeft [verzoekster] diverse beslagen ten laste van [verweerder] doen leggen. In de daarop volgende procedures zijn - voor zover einduitspraak is gedaan - de vorderingen van [verzoekster] afgewezen.
Nadat [verweerder] hoger beroep had ingesteld tegen voormelde beschikking van 31 januari 2022 en [verzoekster] incidenteel hoger beroep had ingesteld heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 7 december 2022 de beschikking van de rechtbank Den Haag van 31 januari 2022 vernietigd en - opnieuw rechtdoende - een andere wijze van verdeling gelast en daarbij [verzoekster] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 278.372,50 aan [verweerder] . Bij herstelbeschikking van 29 maart 2023 heeft het gerechtshof Den Haag het door [verzoekster] aan [verweerder] te betalen bedrag gecorrigeerd naar € 289.304,30.
Bij vonnis in kort geding d.d. 16 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag alle door [verzoekster] ten laste van [verweerder] gelegde beslagen opgeheven, [verzoekster] verboden opnieuw executoriaal beslag te leggen ter zake van partneralimentatie en - kort en zakelijk samengevat - [verzoekster] veroordeeld mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals bepaald bij beschikking van 7 december 2022 (en aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023).
Eind 2024 heeft [verzoekster] de rechtbank Midden-Nederland verzocht om toegelaten te worden tot de Wsnp.
Dit verzoek is bij vonnis van 25 februari 2025 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 6 juni 2025 dit vonnis bekrachtigd.
Eind 2025 heeft [verzoekster] zich opnieuw tot de rechtbank Midden-Nederland gewend met een verzoek toegelaten te worden tot de Wsnp.
Bij vonnis van 13 februari 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland [verzoekster] toegelaten tot de Wsnp. Voor zover thans van belang heeft de rechtbank daarbij het volgende overwogen:
“De rechtbank overweegt dat hetgeen het hof heeft overwogen over het gebrek aan goede trouw van [verzoekster] ten aanzien van het laten ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, in beginsel nog steeds in de weg staat aan toelating tot de Wsnp. [verzoekster] heeft immers in augustus 2023 een recht van hypotheek aan Garden of Experience B.V. verstrekt. De in artikel 288, eerste lid, onder b, van de Faillissementswet opgenomen driejaarstermijn verstrijkt dus pas in augustus 2026.
Hoewel deze omstandigheid toelating tot de Wsnp in beginsel in de weg staat, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval op grond van de uitzichtloze situatie van [verzoekster] en ter voorkoming van verdere neergang, een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank zal evenwel ter compensatie van het geconstateerde verwijtbare handelen van [verzoekster] , de duur van de schuldsanering verlengen en licht dit als volgt toe.”
en verder:
“De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de uiteenzetting van [verzoekster] in het verzoekschrift en de aanvullende stukken van 21 januari 2026 en 8 februari 2026 waarin [verzoekster] aannemelijk heeft gemaakt welke gerechtelijk procedures er thans lopen en dat er voor haar geringe financiële risico’s aan zijn verbonden, dit aspect een toewijzing tot de Wsnp thans niet in de weg staat. De rechter-commissaris zal verder de voortzetting en aanvang van (nieuwe) procedures dienen te beoordelen.”
Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2026 heeft het gerechtshof het hiervoor vermelde kort geding vonnis van 16 september 2024 bekrachtigd met veroordeling van [verzoekster] in de geliquideerde proceskosten.
Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juni 2026 - waarbij het gerechtshof de door [verzoekster] bestreden vonnissen van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 heeft bekrachtigd - is [verzoekster] veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [verweerder] .
4 De motivering van de beslissing in hoger beroep
Het verzoek in eerste aanleg en de standpunten in hoger beroep
[verzoekster] is bij vonnis van 13 februari 2026 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op grond van artikel 350 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) kan de rechter op verzoek van schuldeisers de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen. Niet in geschil is dat [verweerder] schuldeiser is van [verzoekster] .
Volgens [verweerder] heeft [verzoekster] getracht de schuldeisers te benadelen en zijn er feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen. [verweerder] heeft verzocht de toepassing van de Wsnp ten aanzien van [verzoekster] tussentijds te beëindigen op grond van artikel 350 lid 3 sub e en/of sub f Fw zonder toekenning van de schone lei. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
[verzoekster] heeft in hoger beroep – kort gezegd – haar standpunt gehandhaafd dat zij niet heeft getracht haar schuldeisers te benadelen. Daarnaast waren volgens [verzoekster] de door [verweerder] ter onderbouwing van zijn verzoek genoemde feiten en omstandigheden reeds bekend bij de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsanering. [verzoekster] heeft zowel in haar eerste verzoek tot toelating tot de Wsnp als in haar tweede verzoek alle relevantie informatie met de rechtbank gedeeld en dit is ook door de rechtbank meegewogen. De rechtbank heeft juist expliciet meegewogen dat het gebrek aan goede trouw in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek in beginsel nog steeds in de weg staat aan toelating tot de Wsnp, maar dat [verzoekster] vanwege haar uitzichtloze situatie en ter voorkoming van verdere neergang toch moet worden toegelaten. De rechtbank heeft in dit kader ter compensatie van het geconstateerde verwijtbare handelen de duur van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op 24 maanden, aldus [verzoekster] .
Artikel 350 lid 3 sub f Fw: feiten en omstandigheden worden bekend die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw
Op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw wordt de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw. In artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw is bepaald dat een toelatingsverzoek slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. Feiten en omstandigheden die aan de rechter bekend waren ten tijde van zijn uitspraak tot toelating tot de schuldsaneringsregeling worden geacht bij die uitspraak in aanmerking te zijn genomen en een herbeoordeling van de toen verrichte beoordeling in het kader van een beëindigingsverzoek op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en onder f Fw is in strijd met de uitsluiting van rechtsmiddelen tegen die uitspraak (art. 292 lid 2 Fw). De goede trouw in de zin van artikel 288 lid 1, onder b, Fw is een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol: de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties van zijn zijde om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
De rechtbank heeft in het toelatingsvonnis verwezen naar het arrest van dit hof van 6 juni 2025. Daarin is geoordeeld dat [verzoekster] door - ondanks dat zij in augustus 2023 (op grond van de beschikking van 7 december 2022 van het hof Den Haag, zoals verbeterd op 29 maart 2023) materieel gezien geen recht meer had op de vakantiewoning in België - voor een lening aan haarzelf een hypothecaire zekerheid op haar onverdeelde helft te vestigen, niet heeft meegewerkt aan de goederenrechtelijke voltooiing van de verdeling terwijl zij daar wel toe gehouden was. Het hof heeft geoordeeld dat die omstandigheid afdoet aan de goede trouw van [verzoekster] . De rechtbank heeft dit in het toelatingsvonnis van 13 februari 2026 expliciet meegewogen en heeft geoordeeld dat gebrek aan goede trouw van [verzoekster] voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend in beginsel nog steeds in de weg staat aan toelating tot de Wsnp. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat op grond van de uitzichtloze situatie van [verzoekster] en ter voorkoming van verdere neergang een uitzondering moet worden gemaakt. Ter compensatie van het verwijtbare handelen van [verzoekster] heeft de rechtbank de duur van de Wsnp verlengd met zes maanden. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat [verzoekster] in het verzoekschrift en de aanvullende stukken van 21 januari 2026 en 8 februari 2026 aannemelijk heeft gemaakt welke gerechtelijke procedures er lopen en dat er voor haar geringe financiële risico’s aan zijn verbonden. Dit aspect staat een toewijzing tot de Wsnp thans niet in de weg, aldus de rechtbank. Deze feiten en omstandigheden waren daarmee bekend bij de rechtbank en zijn in de uitspraak waarbij [verzoekster] is toegelaten tot de Wsnp in aanmerking genomen.
[verweerder] heeft als onderbouwing van zijn standpunt dat het toelatingsverzoek van [verzoekster] zou zijn afgewezen, onder meer aangevoerd dat [verzoekster] desondanks meerdere gerechtelijke uitspraken heeft verzwegen. Zo zou [verzoekster] onder meer het vonnis in kort geding van 16 september 2024 niet in het toelatingsverzoek hebben opgenomen. In dit vonnis zijn alle beslagen ten laste van [verweerder] opgeheven, zijn aan [verzoekster] diverse ge- en verboden opgelegd (waaronder een verbod tot het leggen van executoriaal beslag voor partneralimentatie en een gebod tot medewerking aan de levering van aandelen en de woning in België). Daarnaast zijn er dwangsommen opgelegd tot respectievelijk € 75.000,- en € 60.000,-, aldus [verweerder] .
[verzoekster] heeft hiertegenover aangevoerd dat zij in ieder geval ten tijde van het eerste toelatingsverzoek (al dan niet in de door haar overgelegde eigen verklaring) wel alle informatie heeft verstrekt over de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 16 september 2024. Volgens [verzoekster] heeft deze uitspraak geen effect voor de toelating tot de Wsnp . [verzoekster] en [verweerder] hadden allebei een eigen gedachte over de overdracht van de woning in België. [verzoekster] heeft in haar eigen verklaring bij het eerste toelatingsverzoek toegelicht waarom zij vond dat medewerking niet nodig was. Voor zover er in die uitspraak dwangsommen zijn opgelegd, is het maar de vraag of dat terecht was, of deze zijn verbeurd en of dit tot het oordeel moet leiden dat er sprake is van niet te goeder trouw handelen, aldus [verzoekster] .
Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of het vonnis van 16 september 2024 bij het tweede toelatingsverzoek– al dan via het overleggen van alle stukken van het eerste toelatingsverzoek– is overgelegd. [verzoekster] had bij het toelatingsverzoek in ieder geval een volledig en juist ingevuld schuldenoverzicht dienen over te leggen. Het hof heeft geconstateerd dat de naar aanleiding van het vonnis van 16 september 2024 opgelegde en (mogelijk) verbeurde dwangsommen van € 75.000,- en € 60.000,- niet op dit overzicht staan vermeld, zoals ook door de bewindvoerder op de mondelinge behandeling is bevestigd. Op grond van het vonnis van 16 september 2024 diende [verzoekster] zich maximaal in te spannen om tot doorhaling van de hypotheek op de woning in België te komen. Niet gebleken is dat de hypotheek inmiddels is doorgehaald en dat de woning inmiddels aan [verweerder] is geleverd. [verweerder] maakt aanspraak op deze voorafgaand aan de toelating tot de Wsnp (mogelijk) verbeurde dwangsommen van € 60.000,- en heeft deze vordering ook bij de bewindvoerder ingediend. Dat [verzoekster] de verschuldigdheid van de dwangsommen betwist (omdat deze niet zouden zijn gestuit of verjaard ), maakt nog niet dat zij deze vordering niet op het schuldenoverzicht bij het toelatingsverzoek behoefde te vermelden.
Op grond van artikel 611e lid 3 Rv kunnen dwangsommen die voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling zijn verbeurd weliswaar niet ter verificatie worden ingediend, maar dit neemt niet weg dat het feit dat er (mogelijk) dwangsommen zijn verbeurd wel een rol kan spelen bij de toets of [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. Alleen al om die reden had [verzoekster] de door [verweerder] gevorderde (verbeurde) dwangsommen in haar schuldenoverzicht bij het tweede toelatingsverzoek moeten vermelden. Ook voor zover het verbeurd zijn van die dwangsommen wordt betwist.
Naar het oordeel van het hof is hiermee sprake van feiten en omstandigheden die – als zij ten tijde van de indiening van het toelatingsverzoek bekend waren geweest - redenen zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen. Het hof heeft hierbij het volgende meegewogen. In de beschikking van 7 december 2022 is de vakantiewoning in België aan [verweerder] toebedeeld, waarbij in de berekening van het bedrag dat [verzoekster] aan [verweerder] moet betalen de waarde van die vakantiewoning is meegenomen. Ten gevolge van die beschikking is [verzoekster] ook gehouden tot de goederenrechtelijke voltooiing van de verdeling door haar onverdeelde helft van hun gemeenschappelijke eigendom aan [verweerder] over te dragen, dan wel onbezwaard ter beschikking van [verweerder] te houden. Zij had in augustus 2023 materieel gezien geen aanspraken meer op die vakantiewoning. Het desondanks vestigen van een hypotheekrecht op de vakantiewoning is meegewogen door de toelatingsrechter. Echter, door ook na deze uitspraak haar medewerking te blijven weigeren, waardoor (mogelijk) dwangsommen zijn verbeurd, heeft [verzoekster] haar gedrag – dat ten aanzien van het vestigen van de hypotheek als niet te goeder trouw moet worden gekwalificeerd – niet hersteld maar bewust voortgezet. Dit doet nog altijd afbreuk aan de goede trouw van [verzoekster] en staat, omdat dit binnen de driejaarstermijn valt, naar het oordeel van het hof in de weg aan toelating tot de Wsnp.
Het hof heeft daarnaast geconstateerd dat het schuldenoverzicht bij het toelatingsverzoek eveneens onvolledig is voor zover het de lening bij Garden of Experience B.V. betreft. Op het schuldenoverzicht staat slechts een lening van € 1.000,- vermeld. De schuld aan Garden of Experience, die ten tijde van de uitspraak van dit hof van 6 juni 2025, nog een bedrag van ongeveer € 50.000,- bedroeg, staat niet op het schuldenoverzicht vermeld. Dat deze schuld – zoals door [verzoekster] ter zitting is aangevoerd – zou zijn opgenomen bij de separatisten, volgt niet uit de overgelegde schuldenlijst. Alleen bij het kopje “vermogen” (op pagina 3 van het verzoek tot toelating) staat vermeld dat er een hypotheek van € 60.000,- rust op het vakantiehuis in België. Bij de weergave van de preferente crediteuren (op pagina 1 van de crediteurenlijst) staat alleen een vordering van de Belastingdienst en bij de “samenvatting crediteurenlijst” (pagina 8 van de crediteurenlijst) staat alleen de lening bij Garden of Experience vermeld van € 1.000,-.
Uit de door [verweerder] overgelegde bankafschriften (productie H8) van [verzoekster] volgt dat er door [verzoekster] op 20 oktober 2025 en 28 oktober 2025 bedragen van respectievelijk € 500,- en € 2.000,- geleend zijn van Garden of Experience. Ook deze bedragen ontbreken op het schuldenoverzicht bij het toelatingsverzoek, althans in ieder geval tot een beloop van €1.500,-. Anders dan [verzoekster] op de mondelinge behandeling heeft betoogd, zijn dit geen schulden van na de toelating tot de Wsnp, aangezien het toelatingsverzoek is gedaan op 26 november 2025 en de leningen zijn afgesloten in oktober 2025. Dat de lening van € 60.000,- (waarvan een bedrag van € 50.000,- zou resteren) reeds bekend was bij het eerdere toelatingsverzoek en dat [verzoekster] de overige bedragen zou hebben geleend om in haar levensonderhoud (betalen hypotheeklasten) te voorzien, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van [verzoekster] om bij het (tweede) toelatingsverzoek een juist en volledig schuldenoverzicht te verstrekken.
Uit het voorgaande volgt dat [verzoekster] bij het toelatingsverzoek van 25 februari 2025 geen juist en volledig schuldenoverzicht heeft verstrekt, zowel ten aanzien van de dwangsommen als ten aanzien van de lening bij Garden of Experience. In onderling verband en samenhang bezien, en meewegend dat [verzoekster] ten aanzien van het doorhalen van de hypotheek en het leveren van de vakantiewoning in België binnen de driejaarstermijn nog altijd niet te goeder trouw heeft gehandeld, is het hof van oordeel dat nieuwe feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen (artikel 350 lid 3 sub f Fw).
Artikel 350 lid 3 sub e Fw: schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen
Omdat het hof reeds op grond van artikel 350 lid 3 sub f Fw tot het oordeel komt dat er reden bestaat tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] , behoeft de beëindigingsgrond van artikel 350 lid 3 sub e Fw geen verdere bespreking.
Conclusie
Op grond van al het voorgaande komt het hof op gewijzigde gronden tot dezelfde conclusie als de rechtbank. Het verzoek van [verweerder] tot tussentijdse beëindiging van de Wsnp ten aanzien van [verzoekster] dient te worden toegewezen. Het hof zal het bestreden vonnis van de rechtbank van 2 juli 2026 bekrachtigen.
5 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 2 juli 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, D. Visser en J.G.B. Pikkemaat en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.