Insolventierecht
Hoger beroep tergen tussentijdse beëindiging wsnp afgewezen. Schuldenaar is toerekenbaar tekort geschoten in…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6417 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6417
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.373.685
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.P. Smit
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6417
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hoger beroep tergen tussentijdse beëindiging wsnp afgewezen. Schuldenaar is toerekenbaar tekort geschoten in nakoming van zijn informtieplicht (artikel 350 lid 3 sub c Fw). Geen verlening looptijd. Schuldenaar ten onrechte in staat van faillissement verklaard door rechtbank. Dat deel van het vonnis wordt vernietigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.373.685
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 08/25/1079
arrest van 6 oktober 2026
in de zaak van
[appellant] ( [appellant] )
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M.P. Smit
1 De procedure bij de rechtbank
Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), van 13 oktober 2025 is [appellant] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp). Hierbij is R.G. Wessels tot bewindvoerder (hierna: de wsnp-bewindvoerder) benoemd.
In het toelatingsvonnis van 13 oktober 2025 stond een verkeerd woonadres van [appellant] genoemd. Bij herstelvonnis van de rechtbank van 16 oktober 2025 is het toelatingsvonnis verbeterd door het foutieve adres te vervangen door het juiste adres.
Bij vonnis van 24 augustus 2026 is, op voordracht van de rechter-commissaris, de toepassing van de wsnp ten aanzien van [appellant] tussentijds beëindigd zonder dat daarbij aan hem de zogenaamde schone lei is verleend. Het hof verwijst naar dit vonnis.
2 De procedure bij het hof
Bij (op 29 augustus 2026 bij het hof binnengekomen) beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 augustus 2026. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de wsnp weer van toepassing wordt verklaard, zo nodig met verlenging van de looptijd.
Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlage kennisgenomen van:
-
de op 21 september 2026 door mr. Smit bij het hof ingediende nadere stukken;
-
de brief van de wsnp-bewindvoerder van 21 september 2026 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 september 2026. Gelijktijdig werd het hoger beroep van de partner van [appellant] , [partner van appellant] (van wie de wsnp ook tussentijds is beëindigd), behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn [appellant] en [partner van appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Ook zijn de wsnp-bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder verschenen.
Het hof ontving op 5 oktober 2026 nog een bericht met twee bijlagen van de wsnp-bewindvoerder. [appellant] heeft niet de mogelijkheid gehad om zijn reactie te geven op deze stukken en deze nieuwe feiten zijn door de rechtbank ook niet ten grondslag gelegd aan de tussentijdse beëindiging van zijn wsnp. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de stukken mee te nemen in zijn beoordeling en laat de stukken dan ook buiten beschouwing.
3 De toelichting op de beslissing van het hof
De feiten
[appellant] woont samen met [partner van appellant] . Beiden staan sinds 4 juli 2024 onder beschermingsbewind en zijn (op 13 oktober 2025 bij afzonderlijk vonnis) toegelaten tot de wsnp. [partner van appellant] had ten tijde van de toelating een auto in eigendom. Het was zowel [appellant] als [partner van appellant] bekend dat de auto in de wsnp verkocht moest worden. In het kader van de verkoop van de auto heeft de wsnp-bewindvoerder meermaals verzocht om foto’s van de auto aan te leveren om de waarde te kunnen bepalen.
Op 13 april 2026 heeft [partner van appellant] per e-mail laten weten dat de auto al bij het kantoor van de wsnp-bewindvoerder zou staan en dat zij dus geen foto’s meer kon maken. [appellant] heeft daar een dag later per e-mail aan toegevoegd dat de auto ongeveer drie maanden daarvoor bij het oude kantooradres van de wsnp-bewindvoerder is neergezet. Hij schreef dat hij daarvan een foto zal maken en naar de wsnp-bewindvoerder zal sturen.
[appellant] en [partner van appellant] hebben geen foto’s van de auto aangeleverd. De auto is niet aangetroffen bij het oude kantooradres. Tot op heden is onbekend waar de auto zich bevindt.
De voordracht tot tussentijdse beëindiging en het oordeel van de rechtbank
De rechter-commissaris heeft de wsnp van [appellant] en [partner van appellant] voorgedragen voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 sub c en e Faillissementswet (hierna: Fw). Door geen gehoor te geven aan het verzoek van de wsnp-bewindvoerder om foto’s aan te leveren van de auto, voldoen [appellant] en [partner van appellant] niet aan hun informatieplicht. Het is opmerkelijk dat [appellant] en [partner van appellant] pas drie maanden nadat [appellant] stelt de auto te hebben verplaatst, dit aan de wsnp-bewindvoerder hebben laten weten. Door de auto te verplaatsen zonder overleg met de bewindvoerder of haar hierover te informeren en de auto vervolgens onvindbaar is, is een boedelbestanddeel aan de boedel onttrokken en vloeit de opbrengst van de verkoop van de auto niet in de boedel. De schuldeisers worden daardoor benadeeld, aldus de rechter-commissaris.
De rechtbank heeft de wsnp van [appellant] tussentijds beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub c Fw. Volgens de rechtbank heeft [appellant] niet voldaan aan zijn informatieplicht en is geen sprake van een saneringsgezinde houding.
De beoordeling door het hof
De informatieplicht
Tijdens de wsnp rust op de schuldenaar meerdere verplichtingen, waaronder de plicht tot het verschaffen van informatie. Dit betekent dat het aan de schuldenaar is om tijdig, gevraagd en ongevraagd alle voor de wsnp relevante informatie te verstrekken. Doet een schuldenaar dat niet, dan kan dat een reden zijn voor tussentijdse beëindiging van de wsnp (artikel 350 lid 3 sub c Fw).
Het hof is van oordeel dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn informatieplicht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] volgens hem de auto in januari 2026 heeft verplaatst naar het oude kantoorpand van de wsnp-bewindvoerder en dat hij de sleutels in de brievenbus heeft gedaan. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken volgt dat [appellant] dit op eigen initiatief en zonder toestemming en medeweten van de wsnp-bewindvoerder heeft gedaan. In eerste instantie is wel gesproken over het vervoeren van de auto naar het kantoorpand van de wsnp-bewindvoerder, maar dat kon uiteindelijk niet doorgaan. Volgens de wsnp-bewindvoerder is dit in december 2025 telefonisch met [appellant] besproken, waarbij ook is aangegeven dat eerst de mogelijkheden onderzocht zouden worden om de auto vanaf de huidige standplaats (bij de woning van [appellant] en [partner van appellant] ) te verkopen.
Om de waarde van de auto te kunnen bepalen heeft de wsnp-bewindvoerder meermaals verzocht foto’s aan te leveren van onder andere de buitenkant, het interieur van de auto en de kilometerstand. Ondanks meerdere toezeggingen, is [appellant] niet overgegaan tot het sturen van de foto’s. Ook [partner van appellant] heeft geen foto’s overgelegd. [appellant] heeft daarover onder andere verklaard dat hij dacht: “(…) de auto staat voor jouw deur, dan vraag je toch niet om foto’s te maken”. Daarnaast hebben [appellant] en [partner van appellant] (voor het eerst bij het hof) verklaard dat zij alleen foto’s hebben van de buitenkant van de auto waarop een kind van [appellant] te zien is en dat zij die niet naar de wsnp-bewindvoerder wilden sturen. Dat [appellant] en [partner van appellant] het verzoek van de wsnp-bewindvoerder vreemd vonden of dat zij liever de foto’s met daarop een kind niet wilden toesturen, hebben zij echter niet met de wsnp-bewindvoerder besproken. Ook hebben [appellant] en [partner van appellant] niet eerder dan in april 2026 benoemd dat [appellant] de auto zou hebben neergezet bij het kantoorpand van de wsnp-bewindvoerder. Dit terwijl zij daartoe meermaals de gelegenheid hebben gehad, omdat de wsnp-bewindvoerder meerdere keren contact heeft gehad met hen over (het versturen van foto’s van) de auto. Het enige wat [appellant] heeft laten weten is dat hij de foto’s zou toesturen, hetgeen hij uiteindelijk dus niet heeft gedaan. Daarbij merkt het hof nog op dat het argument dat de wsnp-bewindvoerder zelf al foto’s had gemaakt van de buitenkant, geen reden is om de gevraagde foto’s niet naar de wsnp-bewindvoerder toe te sturen. [appellant] had in het licht van de op hem rustende informatieplicht aan dit redelijke verzoek van de wsnp-bewindvoerder moeten voldoen.
Verder neemt het hof het volgende in aanmerking. De wsnp-bewindvoerder heeft, nadat zij constateerde dat de auto niet op de door [appellant] en [partner van appellant] aangegeven plek stond, [appellant] en [partner van appellant] verzocht aangifte te doen bij de politie en een kopie daarvan naar haar toe te sturen. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris (op 12 mei 2026) heeft [appellant] aangegeven telefonisch aangifte te hebben gedaan. De aangifte zou volgens hem naar zijn e-mailadres zijn gestuurd, maar omdat [appellant] geen toegang meer had tot zijn mailbox heeft hij verzocht de aangifte naar [partner van appellant] te mailen. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [partner van appellant] op haar beurt verklaard dat de aangifte naar het nieuwe e-mailadres van [appellant] gemaild zou worden, terwijl mr. Smit vervolgens heeft aangegeven dat zijn e-mailadres door [appellant] is doorgegeven aan de politie. Hoe het ook zij, tot op heden – ruim een halfjaar later – is geen kopie van de aangifte overgelegd.
Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [appellant] en [partner van appellant] hun verhalen aandikken dan wel aanpassen, zodat steeds andere informatie naar voren komt. In dit kader wijst het hof op de verklaringen van beiden over de kilometerstand en de aangifte bij de politie. Zo is gedurende de procedure bij de rechtbank telkens door [appellant] en [partner van appellant] verklaard dat de kilometerstand van de auto voor hen onbekend is, maar dat deze wel hoog zou zijn. Wat ‘hoog’ ongeveer inhoud, is niet door [appellant] en [partner van appellant] naar voren gebracht. Ook in het beroepschrift staat: “ [appellant] en [partner van appellant] beschikken niet over foto’s van het interieur van de auto en weten de kilometerstand niet meer. Die was wel hoog (…).” Pas tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is door beiden aangegeven dat de kilometerstand minstens op 300.000 zou staan. De wsnp-bewindvoerder was hiervan niet op de hoogte, terwijl het op de weg ligt van [appellant] en [partner van appellant] om dit soort informatie met de wsnp-bewindvoerder te delen. Met name omdat de kilometerstand essentiële informatie is voor het bepalen van de waarde van de auto.
Verder hebben [appellant] en [partner van appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat [partner van appellant] heeft geprobeerd de aangifte van [appellant] boven water te krijgen, maar dat dit niet is gelukt. [appellant] kreeg van de politie te horen dat [partner van appellant] zelf aangifte moest doen, omdat zij de eigenaar is van de auto. Volgens [partner van appellant] en [appellant] heeft [partner van appellant] dit in de week voor de mondelinge behandeling meerdere keren geprobeerd, maar duurde het telkens te lang voordat zij iemand aan de lijn kreeg. Een dag voor de mondelinge behandeling bij het hof heeft [partner van appellant] alsnog iemand van de politie telefonisch gesproken, maar omdat zij niet over de meldcode op het kentekenbewijs beschikte kon zij geen aangifte doen. Het kentekenbewijs is namelijk bij het huisbezoek van 20 oktober 2025 afgegeven aan de wsnp-bewindvoerder. Het bevreemdt het hof dat [appellant] – naar eigen zeggen – eerder telefonisch aangifte heeft kunnen doen, terwijl hij niet de eigenaar van de auto is en ook niet beschikte over de meldcode op het kentekenbewijs. Dit rijmt niet met het verhaal van [partner van appellant] over haar poging tot aangifte dat zij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren heeft gebracht. Daar komt bij dat mr. Smit heeft aangegeven dat hij, toen hij eerder online informatie opvroeg bij de RDW door het invullen van het kenteken van de auto, heeft gezien dat de auto niet te boek stond als gestolen. Dat impliceert dat een eventuele eerdere aangifte in ieder geval niet de relevante instanties heeft bereikt. Bovendien is het hof van oordeel dat, als het inderdaad zo is dat alleen [partner van appellant] aangifte kan doen en daarbij het kentekenbewijs moet overleggen, [appellant] en [partner van appellant] van deze informatie eerder op de hoogte hadden kunnen zijn. Zij zijn er namelijk al geruime tijd mee bekend dat een kopie van de aangifte wordt verlangd. Hoewel [appellant] heeft gesteld dat hij heel vaak heeft geprobeerd om de aangifte boven water te krijgen, is dit niet door stukken ondersteund.
Geen verlenging van de looptijd
Het hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de wsnp van [appellant] tussentijds beëindigd moet worden. Vanwege de aard en verwijtbaarheid van de geconstateerde tekortkoming in de nakoming van de voor [appellant] uit de wsnp voortvloeiende informatieplicht, ziet het hof geen aanleiding om de wsnp te verlengen, zoals subsidiair is verzocht.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt niet, zodat het hof de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de tussentijdse beëindiging zal bekrachtigen.
Het hof heeft van de wsnp-bewindvoerder begrepen dat de rechtbank haar heeft verzocht het hof te informeren over het feit dat in het vonnis van 24 augustus 2026 ten onrechte is bepaald dat [appellant] , zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, in staat van faillissement zal verkeren. Volgens de rechtbank zal, na aftrek van de boedelkosten, geen boedelsaldo resteren en is uitdeling aan de schuldeisers niet mogelijk. In het vonnis is aldus onterecht het faillissement van [appellant] uitgesproken. Het hof zal daarom dat deel van het vonnis vernietigen om dit te corrigeren.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 24 augustus 2026, voor zover deze ziet op de tussentijdse beëindiging van de wsnp van [appellant] (eerste en vierde gedachtestreepje van de beslissing in het vonnis); en
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 24 augustus 2026 voor zover het gaat om het uitspreken van het faillissement en de daarmee verband houdende beslissingen (tweede en derde gedachtestreepje van de beslissing in het vonnis); en
stelt het salaris (inclusief onkosten en omzetbelasting) vast op € 3.539,35;
bepaalt dat de bewindvoerder het restant-actief, indien aanwezig, informeel onder de
bekende schuldeisers zal verdelen.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, D. Visser en H.M.L. Dings, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.