Strafprocesrecht

Als schade is ook aangemerkt de kosten van rechtsbijstand in de klaagschriftprocedure ex artikel 164, achtste…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 januari 2025

Zaakgegevens

Op 28 januari 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
28 januari 2025
Datum publicatie
28 januari 2025
Zaaknummer
000735-24 en 000736-24
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:408
E-mail

Samenvatting

Als schade is ook aangemerkt de kosten van rechtsbijstand in de klaagschriftprocedure ex artikel 164, achtste lid, WVW 1994.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004807-22

AV-nummer: 000735-24 en 000736-24

Uitspraak d.d.: 28 januari 2025

Beslissing van de meervoudige raadkamer op de verzoeken ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 164, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

woonplaats kiezende [adres] ,

hierna te noemen verzoeker.

Procesgang

Verzoeker vraagt vergoeding uit 's Rijks kas voor gemaakte kosten en geleden schade in een strafzaak tegen verzoeker ten bedrage van € 5.630,75, zoals nader in het verzoekschrift en de aanvulling daarop aangegeven. Daarnaast vraagt verzoeker een vergoeding voor de gemaakte kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.

Het hof heeft de behandeling van de verzoeken in raadkamer op 18 september 2024 voor onbepaalde tijd aangehouden.

Het hof heeft de behandeling van de verzoeken voortgezet in raadkamer van 14 januari 2025, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en mr. T.J.N. Hameleers, voornoemd.

Beoordeling van de verzoeken

Uit het onderzoek in openbare raadkamer is - voor zover hier van belang - het navolgende gebleken:

  • bij onherroepelijk arrest van dit hof van 14 mei 2024 parketnummer 21-004807-22, is de strafzaak tegen verzoeker geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel;

  • verzoeker is op 21 september 2022 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 62 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Zijn rijbewijs is diezelfde dag ingevorderd;

  • op 27 september 2022 is namens verzoeker een klaagschrift ingediend tegen die invordering. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 25 oktober 2022 het klaagschrift gegrond verklaard en per direct de teruggave van het rijbewijs van verzoeker gelast;

  • het rijbewijs van verzoeker is daarmee 35 dagen ingevorderd geweest;

  • verzoeker heeft de verzoeken op de voorgeschreven wijze en tijdig ingediend;

  • verzoeker heeft aangevoerd dat hij ten gevolge van de inhouding van het rijbewijs en de strafzaak kosten heeft gemaakt en/of schade heeft geleden, te weten: schade inhouding rijbewijs € 525,- (35 dagen × € 15,-), kosten indienen klaagschrift teruggave rijbewijs € 340,-, kosten rechtsbijstand € 4.739,19, reiskosten bijwonen zitting rechtbank € 21,80 (103,8 km × € 0,21) en verder kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift € 680,-.

Op grond van artikel 164, negende lid, van de WVW 1994 kan de rechter een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die ten gevolge van de invordering van het rijbewijs wordt geleden. Voor deze schade geldt als uitgangspunt een forfaitaire vergoeding van € 15,- per dag. Gelet hierop zal aan verzoeker een bedrag van € 525,- worden toegekend.

Als schade in de zin van artikel 164, negende lid, van de WVW 1994 merkt het hof in dit geval ook aan de kosten van rechtsbijstand in de klaagschriftprocedure ex artikel 164, achtste lid, van de WVW 1994. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het namens verzoeker ingediende klaagschrift gegrond is verklaard, zodat aanwending van deze kosten zijn aan te merken als kosten ter beperking van schade. Dit brengt mee dat de gevraagde kosten van € 340,- worden vergoed.

Mede gelet op de in raadkamer gegeven toelichting van de advocaat acht het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat met de kosten van rechtsbijstand van verzoeker in de strafzaak een bedrag van € 4.739,19 gemoeid is geweest. Om die reden zal het hof dit bedrag als vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van verzoeker toekennen.

Verder acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om een vergoeding toe te kennen voor de reiskosten die verzoeker heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting op 25 oktober 2022 bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad. De reiskosten dienen, behoudens een hier niet van toepassing zijnde uitzondering, gelet op artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, te worden vergoed op basis van openbaar vervoer tweede klasse. Dit betekent dat voor de reiskosten van verzoeker een bedrag van € 26,26 wordt toegekend (namelijk: van het woonadres van verzoeker in Amsterdam naar Lelystad v.v. (2 x € 13,28). Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

De kosten van indiening en behandeling van het verzoekschrift komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig de hiervoor landelijk gehanteerde uitgangspunten, en wel tot een bedrag van € 680,00.

Met inachtneming van het bovenstaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding toekennen:

- vergoeding invordering rijbewijs € 525,00

- kosten rechtsbijstand verzoek teruggave rijbewijs € 340,00

- kosten rechtsbijstand strafzaak € 4.739,19

- reiskosten bijwonen zitting rechtbank € 26,56

- kosten indienen en behandeling verzoek € 680,00 +

Totaal € 6.310,75?

BESLISSING

Het hof:

kent toe aan verzoeker [verzoeker] een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 6.310,75 (zesduizend driehonderdtien euro en vijfenzeventig cent);

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van [kenmerk] .

Aldus gegeven door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. P.W.J. Sekeris en mr. W. Geelhoed, raadsheren,

in tegenwoordigheid van E.J. Swart, griffier,

door de voorzitter ondertekend en op 28 januari 2025 ter openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om de beschikking te ondertekenen.