Strafprocesrecht

Afdoening met een voorwaardelijk sepot past in het landelijk beleid van het Openbaar Ministerie om strafbare…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 5 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
K25-210400
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5141
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afdoening met een voorwaardelijk sepot past in het landelijk beleid van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten van jeugdigen zo licht mogelijk af te doen. Dat is in dit geval ook niet onredelijk waarbij het hof meeneemt dat met een voorwaardelijk sepot tot uitdrukking wordt gebracht dat het gedrag van de jeugdige strafbaar en laakbaar is, er een bestraffende werking van uit gaat en aangetekend wordt in een strafblad.

Ten overvloede wordt overwogen dat het aanbeveling verdient om – zeker – bij jeugdige slachtoffers afdoende uit te leggen wat de overwegingen zijn geweest om de zaak niet aan de strafrechter voor te leggen. Het mededelen van een sepotcode voldoet niet en leidt tot onbegrip, een gevoel niet serieus genomen te worden en een gebrek aan vertrouwen in het strafrechtelijk systeem.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Klachtnummer: 25/210400

Beschikking d.d. 5 augustus 2026 van de meervoudige raadkamer op het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] , namens zijn minderjarige zoon [naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

klager.

Procesverloop

Op 14 mei 2025 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen. Dit richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland om een strafbeschikking uit te vaardigen tegen [beklaagde] , hierna: beklaagde.

Ingevolge de beschikking van het hof d.d. 20 mei 2026 heeft de advocaat-generaal, onder overlegging van de op deze zaak betrekking hebbende stukken, schriftelijk verslag gedaan.

Op 14 juli 2026 is het klaagschrift in raadkamer van dit hof behandeld. Hierbij zijn gehoord de advocaat-generaal, klager en [naam 1] .

Beoordeling

Klager heeft op 15 december 2024 aangifte gedaan van mishandeling. Klager heeft daarin gesteld dat hij die nacht met een groep vrienden bij broodjeszaak Can in Bussum was. Daar bevond zich ook een groepje van drie personen, waaronder beklaagde die hij bij naam kende. Hij werd plotseling door een van deze jongens met beide handen bij zijn jas gegrepen. Deze jongen zei tegen hem "wat zei je vriend, wat zei je vriend". De jongen zette hem met kracht tegen de ruit van de makelaardij. Hij werd daarbij opgetild aan zijn jas. Hij ziet vervolgens dat de andere twee jongens er ook bij komen staan. Vervolgens ziet en voelt hij dat hij door alle drie de jongens wordt geslagen, met de vlakke hand en met de vuist. Ook beklaagde heeft hem met zijn vuisten geslagen.

Nadat hij was geslagen en naar zijn vrienden toeliep zag hij dat dezelfde jongen die hem bij zijn jas heeft vastgepakt op [naam 2] afliep, hem vastpakte en naar de grond trok. Vervolgens zijn twee jongens, waaronder beklaagde, op de scooter weggereden. Een derde jongen is weggerend.

Naast deze aangifte van klager bevindt zich in het dossier onder meer een aangifte van [naam 2] , een verklaring van getuige [naam 3] , een verklaring van beklaagde en een verklaring van de medeverdachte [naam 4]

De officier van justitie heeft beklaagde in bijzijn van zijn advocaat gehoord op een zogenaamde OM hoorzitting. Naar aanleiding daarvan heeft de officier van justitie besloten de aangifte voorwaardelijk te seponeren met een proeftijd van een jaar. Aan klager is medegedeeld dat beklaagde niet wordt vervolgd vanwege een gering aandeel in het feit.

Klager is het niet eens met deze beslissing. Hij is van mening dat er voldoende aanwijzingen zijn dat er een strafbaar feit is gepleegd waarvoor beklaagde verantwoordelijk is. Hij vindt het verder onbegrijpelijk dat hij, maar ook andere getuigen, niet zijn gehoord over de deal die het Openbaar Ministerie met beklaagde heeft gesloten. Klager heeft een week school gemist omdat hij een hersenschudding had. Klager vindt dat er een verkeerd signaal wordt afgegeven als beklaagde niet wordt vervolgd. Zinloos geweld mag niet, maar als je volhoudt dit niet te hebben gedaan en niet te hard slaat, wordt je niet vervolgd.

Het hof stelt voorop dat, anders dan klager kennelijk denkt, er geen sprake is van een deal tussen beklaagde en het Openbaar Ministerie. Beklaagde is door de officier van justitie opgeroepen om te verschijnen op een hoorzitting omdat hij voornemens was om beklaagde een strafbeschikking op te leggen. Tijdens een dergelijke hoorzitting kan een verdachte, eventueel bijgestaan door een advocaat, zich verdedigen tegen het strafrechtelijk verwijt dat hem wordt gemaakt. Uiteindelijk geeft de officier van justitie, net als de strafrechter, op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden een oordeel over het verwijt waarvan aangifte is gedaan. Van een deal is dus geen sprake. Het hof heeft er overigens wel begrip voor dat klager zich buitengesloten heeft gevoeld omdat hij niet voor de hoorzitting was uitgenodigd. Zeker in het licht van de omstandigheid dat hij een schadevergoedingsvordering had ingediend. Anders dan een strafzitting bij de strafrechter heeft de wetgever echter bepaald dat een dergelijke hoorzitting een besloten karakter heeft en slechts de verplichting bestaat om de verdachte uit te nodigen.

Het hof is het met klager eens dat er voldoende aanwijzingen zijn dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, te weten openlijke geweldpleging. Voor de rol van beklaagde zoals klager die in zijn aangifte beschrijft biedt het strafdossier echter geen ondersteuning.

Volgens klager heeft beklaagde, nadat hij door een andere jongen tegen de ruit van de makelaardij was gedrukt, hem meerdere keren met zijn vuisten op lichaam en hoofd geslagen. Uit de aangifte van [naam 2] volgt dat klager door een van de jongens was vastgepakt en dat de anderen jongens er omheen stonden zodat klager niet weg kon. Hij zag dat vooral een jongen klager vasthield en sloeg. Deze jongen heeft hem, [naam 2] , daarna op de grond gegooid en geslagen. Hij omschrijft deze jongen als vermoedelijk van Marokkaanse afkomst met mogelijk zwart haar en een snor. Verder zag hij dat er onder meer een jongen bij stond met een donkere huidskleur. Het hof stelt op basis van de foto's op de ID staten vast dat medeverdachte [naam 4] een snor had en dat beklaagde degene is met een donkere huidskleur. In de visie van [naam 2] is klager dus geslagen door [naam 4] .

Ook in de visie van getuige [naam 3] is de agressie vooral van een persoon uitgegaan. Dat is de jongen die klager bij zijn kraag pakte en hem meetrok naar de makelaardij. Deze jongen heeft klager 5 a 10 keer met de vlakke hand geslagen. Klager kon niet weg omdat de andere jongens ernaast stonden.

Medeverdachte [naam 4] heeft erkend klager te hebben geslagen. Beklaagde heeft ontkend. Wel erkent hij te hebben geslagen. In zijn verklaring bij de politie is niet helemaal duidelijk wie hij dan heeft geslagen, maar tijdens de hoorzitting heeft hij erkend de vriend van klager eenmaal met de vlakke hand te hebben geslagen.

Ook als, zoals klager heeft aangevoerd, moet worden uitgegaan van de leugenachtigheid van beklaagde kan op basis van deze verklaringen in het dossier geen gewelddadiger rol van beklaagde worden vastgesteld.

Ter zitting heeft de advocaat-generaal uiteen gezet dat de keuze van de officier van justitie past in het landelijk beleid van het Openbaar Ministerie. In het geval van dit soort uitgaansgeweld door jongeren wordt ingezet op een zo licht mogelijke afdoening, juist omdat het hier minderjarigen betreft. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat gelet op de rol van beklaagde, de officier van justitie een juiste beslissing heeft genomen en adviseert tot afwijzing van de klacht.

Hoewel het hof kan begrijpen dat klager een voorwaardelijk sepot niet als straf ervaart is dit wel een strafrechtelijk instrument waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat het gedrag van beklaagde strafbaar en laakbaar is. Van de proeftijd die daaraan verbonden wordt gaat wel degelijk een bestraffende werking uit, nu beklaagde zich in de periode van die proeftijd ook verzekerd weet van de verscherpte aandacht van politie en justitie. Een misstap in de proeftijd leidt ertoe dat een verdachte alsnog voor de strafrechter dient te verschijnen. Een voorwaardelijk sepot wordt ook aangetekend op het strafblad van beklaagde.

Het hof is van oordeel dat de officier van justitie ook in redelijkheid tot deze beslissing kon komen. Niet alleen past het in het beleid om bij jeugdigen strafbare feiten zo licht mogelijk af te doen, waarbij uiteraard de ernst van het feit wordt betrokken, maar er is terecht ook rekening gehouden met de beperkte rol van beklaagde zoals die uit het dossier blijkt. Uiteraard kan worden betoogd dat een kleine, al dan niet voorwaardelijke geldboete of werkstraf passend had kunnen zijn, maar het hof ziet geen aanleiding om de zaak met dat doel voor te leggen aan de strafrechter.

De klacht wordt daarom afgewezen.

Wel ziet het hof aanleiding om ten overvloede te overwegen dat bij zaken zoals de onderhavige het aanbeveling verdient om - zeker - jeugdige slachtoffers afdoende uit te leggen wat de overwegingen zijn geweest die ertoe hebben geleid dat de zaak niet aan de strafrechter wordt voorgelegd. Voor zover het hof dat heeft kunnen beoordelen heeft klager het moeten doen met een brief waarin hem feitelijk wordt medegedeeld dat de verdachte niet wordt vervolgd om de volgende reden: "41: gering aandeel in het feit, schuld is niet ernstig genoeg". Het behoeft geen betoog dat dit snel kan leiden tot onbegrip, een gevoel niet serieus genomen te zijn en een gebrek aan vertrouwen in het strafrechtelijk systeem.

Beslissing

Het hof:

wijst het beklag af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.J. Sekeris, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en

mr. L.G. Wijma raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. Pranger, griffier,

en ondertekend door de voorzitter. De griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen.