Strafprocesrecht
Bevoegdheid BOA. Ambtenaar in dienst van Afvalverwijdering Rivierenland (Avri) is bevoegd, nu wordt voldaan…
ECLI:NL:GHARL:2019:5579 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 8 juli 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2019-5579
Zaakgegevens
Op 8 juli 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 8 juli 2019
- Datum publicatie
- 9 juli 2019
- Zaaknummer
- WAHV 200.252.567
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:5579
Samenvatting
Bevoegdheid BOA. Ambtenaar in dienst van Afvalverwijdering Rivierenland (Avri) is bevoegd, nu wordt voldaan aan de in paragraaf 3.1 van de Beleidsregels BOA genoemde voorwaarden. Bij oplegging van de beschikking aan de kentekenhouder is in strijd met artikel 5 Wahv geen verwijzing opgenomen naar de disculpatiegronden in artikel 8 Wahv. Deze schending van artikel 5 Wahv wordt met artikel 6:22 Awb gepasseerd. Niet blijkt dat door het ontbreken van die verwijzing de betrokkene in zijn verdedigingsbelangen is geschaad.
Uitspraak
Inhoudsopgave
WAHV 200.252.567
8 juli 2019
CJIB 213015437
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 26 oktober 2018
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] , Adviesbureau [C] ,
kantoorhoudende te [D] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod / parkeerverbodszone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op
5 december 2017 om 14:02 uur op de Oude Haven te Tiel met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde voert aan dat uit het dossier feiten en omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan kan worden getwijfeld aan de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Op grond van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar moeten buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s) in bezoldigde overheidsdienst zijn. Uit de stukken blijkt echter dat de betreffende ambtenaar in dienst is van Afvalverwijdering Rivierenland (Avri).
3. In paragraaf 3.1 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar staat dat het gebruik van opsporingsbevoegdheid en geweldsmiddelen gelet op de grote impact die dit op burgers en ondernemingen kan hebben een privilege blijft dat is voorbehouden aan de overheid. Dit betekent dat boa’s in beginsel in bezoldigde dienst moeten zijn van een publiekrechtelijk rechtspersoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon die voldoet aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden.
4. Uit het dossier blijkt dat de onderhavige sanctie is opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar in het domein Openbare Ruimte, in dienst van Avri, afdeling toezicht en handhaving openbare ruimte.
5. Avri is een openbaar lichaam dat door acht gemeenten in de regio is ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen ter behartiging van de afvalverwijdering en afvalverwerking, het beheer van de openbare ruimte en het toezicht en de handhaving ten behoeve van de betrokken gemeenten (Gemeenschappelijke regeling Avri d.d. 1 december 2015, Staatscourant 18 november 2015, nr. 41358).
6. Het hof stelt vast dat Avri voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in paragraaf 3.1 van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd leidt dan ook niet tot twijfel aan de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd.
7. Voorts voert de gemachtigde aan dat de inleidende beschikking is gegeven in strijd met het bepaalde in artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). In dat artikel is uitdrukkelijk vermeld dat de betrokkene dient te worden gewezen op het bepaalde in artikel 8 van de Wahv. Dit is niet gebeurd. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
8. In artikel 5 van de Wahv is voor zover hier van belang bepaald dat indien de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven, hij daarbij wordt gewezen op het bepaalde in artikel 8 van de Wahv.
9. Het hof stelt vast dat de onderhavige sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd en dat in de inleidende beschikking geen verwijzing naar artikel 8 van de Wahv is opgenomen. Aldus is sprake van schending van het bepaalde in artikel 5 van de Wahv.
10. Het hof zal de inleidende beschikking echter met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht in stand laten. Niet gebleken is dat de betrokkene door het ontbreken van de verwijzing naar de disculpatiegronden van artikel 8 van de Wahv in zijn (verdedigings)belangen is geschaad. De gemachtigde heeft dit ook niet gesteld. Gelet hierop is aannemelijk dat de betrokkene door deze schending niet is benadeeld.
11. Nu de bezwaren van de gemachtigde geen doel treffen, zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.
12. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.