Strafprocesrecht
Het hof heeft een verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof acht bewezen dat verdachte het…
ECLI:NL:GHARL:2026:6105 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6105
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 23 september 2026
- Zaaknummer
- 21-001213-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6105
Samenvatting
Het hof heeft een verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof acht bewezen dat verdachte het slachtoffer met een glazen fles op het hoofd heeft geslagen en dat er aldus sprake was van mishandeling.
Het hof is van oordeel dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden door te handelen zoals hij heeft gedaan. Het met een glazen fles op het hoofd slaan was een te zwaar middel om zich mee te verdedigen. Dat verdachte dat toch gedaan heeft was echter het onmiddellijke gevolg van hevige – door de aanval van het slachtoffer veroorzaakte – angst en paniek.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001213-25
Uitspraakdatum: 22 september 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 4 maart 2025 met parketnummer 18-281035-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte ter zake het primair tenlastegelegde en veroordeling van verdachte terzake het subsidiair tenlastegelegde tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. T.W. Delhaye, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte bij vonnis van 4 maart 2025 terzake van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en verdachte terzake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Het hof vernietigt het vonnis omdat het hof tot een andere beslissing over de strafbaarheid van verdachte komt. Het hof doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 september 2024 te [plaats] , [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] met een Bacardifles, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of de bovenarm heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 september 2024 te [plaats] , [gemeente] , [slachtoffer] , heeft mishandeld door [slachtoffer] met een Bacardifles, althans een hard voorwerp tegen het hoofd en/of de bovenarm te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging kan worden verkregen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.
Beroep op noodweer(-exces)
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft –zoals nader in de pleitnota is verwoord – bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken of dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep toekomt op noodweer(-exces).
De raadsman heeft aangevoerd dat het door de verdachte gebruikte geweld noodzakelijk en geboden was om zich te verdedigen tegen de aanval van het slachtoffer. Volgens de raadsman was het handelen van verdachte ook proportioneel en voldoet het aan de subsidiariteitseisen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.
Voor zover het hof zou oordelen dat dit geweld niet proportioneel is geweest, heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces omdat het handelen van verdachte verontschuldigbaar is door (kort gezegd) de gemoedstoestand waarin de verdachte door toedoen van het slachtoffer verkeerde.
Het oordeel van het hof
Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die voorwaarden houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee de proportionaliteits- en subsidiariteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie.
Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.
Bij de beoordeling of sprake was van noodweer(exces) gaat het hof uit van de navolgende aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden.
Op 2 september 2024 omstreeks 16:00 uur komt er een melding binnen bij de politie om te gaan naar [adres 2] . Hier zouden twee broers met elkaar in gevecht zijn waarbij één van de broers op zijn hoofd was geslagen en gewond was geraakt. Verdachte is de broer die heeft geslagen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er op 2 september 2024 tussen verdachte en aangever onenigheid is ontstaan omdat verdachte de stekker van de kabel van een geluidsbox van aangever had afgeknipt. Op het moment dat aangever dat ontdekte, is hij kwaad naar de slaapkamer van verdachte gegaan en heeft hij verdachte met de kabel geslagen.
Verdachte heeft verklaard dat hij hierop aangever met een lege fles op zijn arm heeft geslagen en dat hij daarna, via het slaapkamerraam, uit angst voor nog meer geweld van aangever, naar buiten is gevlucht op het platte dak van het schuurtje dat aan de woning vastzit.
Daarop is aangever naar beneden gelopen. Toen hij via een container snel het platte dak wilde opklimmen, heeft verdachte hem, toen aangever halverwege was, met een lege glazen Bacardifles op het hoofd geslagen. Daardoor heeft aangever letsel opgelopen, namelijk een forse snee in de hoofdhuid.
Hoewel aangever niets heeft verklaard over het slaan met de kabel, gaat het hof daar, bij de beoordeling van de noodweersituatie, wel van uit. De verklaring van verdachte daaromtrent wordt ondersteund door een foto van zijn letsel dat door het slaan met de kabel was veroorzaakt. Op de foto is een rode striem zichtbaar op zijn linker bovenarm en schouder.
Het hof is van oordeel dat er op het moment dat verdachte aangever in de slaapkamer met de fles op zijn arm sloeg sprake was van een wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Immers werd hij door aangever, gezien de rode striem, hard geslagen met de kabel.
Het hof zal verdachte dan ook ten aanzien van het slaan met de fles op de arm van aangever vrijspreken.
Uit de stukken blijkt dat het slaan met de fles op de arm van aangever, de vlucht van verdachte naar het dak en de daarop dreigende aanval door aangever doordat hij snel het dak via de container op probeerde te klimmen, zich in een zeer korte tijd heeft afgespeeld. Verdachte heeft verklaard dat hij het dak op is geklommen omdat hij bang was dat aangever nog meer geweld zou gebruiken en dat hij – toen hij zag dat aangever ook het dak op probeerde te komen – in paniek is geraakt. Om aangever te beletten het dak op te komen heeft verdachte hem geslagen.
Het hof is van oordeel dat er – gezien het korte tijdsbestek tussen de incidenten - op dat moment nog steeds sprake was van een wederrechtelijke dreigende aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.
Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat verdachte teneinde aan de dreigende aanval te ontkomen, door het raam weer naar binnen had moeten klimmen, wat niet tijdig mogelijk zou zijn geweest, omdat het een klein dak was en aangever snel op het dak zou zijn geweest. Verdachte had zich dus niet aan deze dreigende aanval kunnen onttrekken.
Het hof is evenwel van oordeel dat het met kracht slaan met een glazen fles bovenop op het hoofd van aangever als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de dreigende aanranding en dat daarmee niet is voldaan aan de proportionaliteitseis die bij een geslaagd beroep op noodweer wordt gesteld.
Het hof acht dan ook bewezen dat er sprake is van mishandeling.
Aldus ligt de vraag voor of het handelen van de verdachte het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Uit de verklaringen van de verdachte komt naar voren dat hij, nadat hij door aangever met de kabel was geslagen, mede gezien eerdere mishandelingen door aangever, doodsbang was voor aangever en dat hij om die reden het dak op is gevlucht. Verdachte heeft verklaard: ‘Ik was helemaal in paniek en er knapte wat in mijn hoofd’. Deze angst en paniek duurden voort terwijl hij op het dak stond en het slachtoffer omhoog klom.
Het hof acht het gelet op deze verklaringen aannemelijk dat de wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer van doorslaggevend belang is geweest voor het ontstaan van paniek en angst bij verdachte en het als gevolg daarvan overschrijden van de grenzen van de noodzakelijke verdediging.
Het hof betrekt hierbij ook het reclasseringsrapport van 18 februari 2025.
Daaruit volgt dat verdachte in november 2024 gediagnosticeerd is met de stoornis: ‘ongespecificeerde schizofrenie spectrum en andere psychotische stoornis’.
Daarnaast is verdachte in zijn vroegere kindertijd gediagnosticeerd met autisme, ADHD en ADD. De rapporteurs denken dat verdachte ten tijde van het onderhavige delict al de symptomen van de psychotische stoornis ervoer, omdat dat past bij de voornoemde diagnose die in november is gesteld. Volgens de reclassering was verdachte, vanwege de psychische toestand, mogelijk niet in staat om de aard en de gevolgen van zijn handelen te overzien. De reclassering sluit niet uit dat de stoornis van verdachte ten grondslag heeft gelegen aan de totstandkoming van het delictgedrag.
Het hof benadrukt dat het niet van oordeel is dat de hevige gemoedsopwelling in essentie het gevolg is geweest van de stoornis bij de verdachte.
Die hevige gemoedsbeweging werd naar het oordeel van het hof in de kern veroorzaakt doordat de verdachte in zijn slaapkamer door aangever werd aangevallen en hij, nadat hij was gevlucht, wederom direct werd bedreigd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval. Daarbij heeft de psychische problematiek een rol gespeeld bij het ontstaan en de hevigheid van de gemoedsopwelling, mede gelet op de door de reclassering beschreven persoonlijke problematiek.
Concluderend is het hof van oordeel dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden door te handelen zoals hij heeft gedaan. Het met een glazen fles op het hoofd slaan was een te zwaar middel om zich mee te verdedigen. Dat verdachte dat toch gedaan heeft was echter het onmiddellijke gevolg van hevige – door de aanval van het slachtoffer veroorzaakte – angst en paniek.
Daarom acht het hof het bewezenverklaarde handelen verontschuldigbaar en zal het beroep op noodweerexces worden gehonoreerd.
Het hof zal de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 2 september 2024 te [plaats] , [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] met een Bacardifles tegen het hoofd te slaan.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Zoals eerder in het arrest weergegeven, is de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar, omdat hem een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Hij dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Wetsartikelen
Het hof heeft gelet op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, mr. J. Hielkema en mr. J. Bijlsma, in aanwezigheid van de griffier H. Pool en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 september 2026.
Mr. Bijlsma voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.