Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig strafprocesrecht

ECLI:NL:RBNHO:2026:2620

Op 29 January 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafprocesrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 15.116378.25, 15.049159.25 & 15.119949.25 (ttz. ge, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:2620. De plaats van zitting was Alkmaar.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
15.116378.25, 15.049159.25 & 15.119949.25 (ttz. ge
Datum uitspraak:
29 January 2026
Datum publicatie:
13 March 2026

Indicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor poging tot doodslag, openlijk geweld, poging diefstal en diefstal met geweld. De rechtbank heeft 210 dagen jeugddetentie waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en algemene en bijzondere voorwaarden en een werkstraf voor de duur van 60 uren opgelegd. (Gedeeltelijke) toewijzing vorderingen benadeelde partijen, met wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15.116378.25, 15.049159.25 & 15.119949.25 (ttz. gev.) (P)

Uitspraakdatum: 29 januari 2026

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 15 januari 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de terechtzitting van 6 november 2025 gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] , en van wat

de verdachte en zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar,

[vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), en

[vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering)

naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] en wat namens hem door zijn raadsvrouw mr. M. Docter, advocaat te Alkmaar, naar voren is gebracht.

1
Tenlastelegging

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15.116378.25 ten laste gelegd dat:

1. hierna: feit 1)

hij op of omstreeks 15 april 2025 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [de benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, een of meerdere malen met een mes, althans een scherp voorwerp die [de benadeelde partij 1] in zijn linkerschouder heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 april 2025 te Alkmaar om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, aan [de benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen met een mes, alsthans een scherp voorwerp die [de benadeelde partij 1] in zijn schouder heeft/hebben gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15.049159.25 ten laste gelegd dat:

1. hierna: feit 2)

hij op of omstreeks 19 januari 2025 te Heiloo op of aan de openbare weg de [openbare weg] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 2] , welk geweld bestond uit het

- een of meerdere malen slaan tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [de benadeelde partij 2] en/of

- een of meerdere malen schoppen tegen het het lichaam, van die [de benadeelde partij 2] en/of

- een of meerdere malen omsingelen van die [de benadeelde partij 2] en/of

- een of meerdere malen vasthouden van die [de benadeelde partij 2] ;

2. ( hierna: feit 3)

hij op of omstreeks 23 december 2024 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een snorfiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en of verbreking,

- naar de snorfiets is toegelopen en/of

- het contactslot heeft verwijderd en/of

- het kettingslot heeft doorgezaagd en/of

- de snorfiets heeft gestart en/of weg te rijden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 15.119949.25 ten laste gelegd dat:

1. hierna: feit 4)

hij op of omstreeks 9 september 2024 te Heiloo op of aan de openbare weg, [openbare weg] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, kauwgom en/of een armband en/of een vape en/of schoenen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met dwingende en/of op bedreigende toon te zeggen "mag ik je vape", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- de tas van die [de benadeelde partij 4] van zijn schouder te trekken en/of de tas af te pakken en/of de inhoud uit de tas te halen en/of

- die [de benadeelde partij 4] te fouilleren en/of

- een vape van die [de benadeelde partij 4] uit zijn jaszak te pakken en/of

- een armband van de arm van die [de benadeelde partij 4] te trekken en/of

- de schoenen van die [de benadeelde partij 4] uit te doen en/of

- met dwingende en/of op bedreigende toon te vragen waar die [de benadeelde partij 4] op school zit en/of waar hij woont, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- met dwingende en/of op bedreigende toon te zeggen tegen die [de benadeelde partij 4] dat zijn huis zou worden gebombardeerd en/of hij neergestoken zou worden als hij contact op zou nemen met de politie en/of aangifte zou doen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- met dwingende en/of op bedreigende toon te zeggen dat als die [de benadeelde partij 4] zijn schoenen terug wilde hij iemand zou halen die hem dood zou schieten, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

2
Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

3
Beoordeling van het bewijs
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte wegens gebrek aan bewijs van het onder feit 1 primair tenlastegelegde medeplegen partieel vrij te spreken.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 naar voren gebracht dat de verdachte degene is geweest die de aangever in zijn rug heeft gestoken en zich ten aanzien van de feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte betrokkenheid bij het strafbare feit ontkent en heeft verklaard pas later op de plaats delict aanwezig te zijn geweest. De verklaring van de medeverdachte [de medeverdachte] , dat de verdachte er wel bij was, kan niet als steunbewijs worden gebruikt, omdat de medeverdachte er belang bij heeft niet eerlijk te zijn over de rol van de verdachte.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair (met partiële vrijspraak voor medeplegen), 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. Voor het feit onder 4 overweegt de rechtbank daarbij nog het volgende.

3.3.2.

Bewijsoverweging feit 4

Voor zover de verdediging heeft bedoeld vrijspraak te bepleiten, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de aangifte en de getuigenverklaring van [de getuige] blijkt dat bij de beroving van de aangever op 9 september 2024 een groepje jongens gezamenlijk betrokken was. Een aantal jongens stonden in een kring om de aangever en de getuige heen, waardoor zij niet weg konden. Volgens de aangever hebben de jongens bedreigingen geuit, heeft hij van hen een klap op zijn wang gekregen en zijn schoenen, een vape en zijn armband zijn door hen afgepakt. Daarbij is ook door één van die jongens een joint tegen zijn mond gehouden en werd hij onder druk gezet een hijsje te nemen, terwijl dat gefilmd werd. De aangifte wordt op hoofdpunten ondersteund door de getuigenverklaring van [de getuige] . De verdachte is een dag later gefotografeerd en op die foto meteen door de aangever herkend als één van de jongens die hem heeft beroofd. Verder zijn door de politie op de telefoon van de verdachte filmpjes gevonden, die de verdachte zelf heeft gemaakt en waarop zowel hij als de aangever worden herkend. Op één van de filmpjes is te zien dat de aangever geen schoenen meer aan heeft. Op een ander filmpje is te zien dat de verdachte een joint aan de mond van de aangever zet.

Het vorenstaande is redengevend voor het oordeel dat de verdachte als mededader bij de beroving was betrokken. De enkele verklaring van de verdachte op de zitting dat hij er niks mee te maken heeft gehad en dat de video’s van hemzelf met de aangever niet gemaakt zijn tijdens de beroving maar erna, kan die redengevendheid niet ontzenuwen. Deze verklaring vindt geen enkele ondersteuning in het dossier en wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Gelet hierop zal de rechtbank deze verklaring als niet geloofwaardig terzijde schuiven.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging gepleegd.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 15 april 2025 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [de benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, die [de benadeelde partij 1] in zijn linkerschouder heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

hij op 19 januari 2025 te Heiloo op de [openbare weg] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 2] , welk geweld bestond uit het

- meerdere malen slaan tegen het hoofd van die [de benadeelde partij 2] en

- meerdere malen schoppen tegen het lichaam, van die [de benadeelde partij 2] en

- meerdere malen omsingelen van die [de benadeelde partij 2] en

- meerdere malen vasthouden van die [de benadeelde partij 2] ;

Feit 3:

hij omstreeks 23 december 2024 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een snorfiets, die aan [de benadeelde partij 3] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak,

- het contactslot heeft verwijderd en

- het kettingslot heeft doorgezaagd en

- de snorfiets heeft gestart

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 4:

hij op 9 september 2024 te Heiloo op [openbare weg] , tezamen en in vereniging met anderen, kauwgom en een armband en een vape en schoenen, die aan [de benadeelde partij 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- de tas van die [de benadeelde partij 4] van zijn schouder te trekken en/of de tas af te pakken en de inhoud uit de tas te halen en

- die [de benadeelde partij 4] te fouilleren en

- een vape van die [de benadeelde partij 4] uit zijn jaszak te pakken en

- een armband van de arm van die [de benadeelde partij 4] te trekken en

- de schoenen van die [de benadeelde partij 4] uit te doen en

- met dwingende en/of op bedreigende toon te vragen waar die [de benadeelde partij 4] op school zit en/of waar hij woont, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- met dwingende en/of op bedreigende toon te zeggen tegen die [de benadeelde partij 4] dat zijn huis zou worden gebombardeerd en/of hij neergestoken zou worden als hij contact op zou nemen met de politie en/of aangifte zou doen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- met dwingende en/of op bedreigende toon te zeggen dat als die [de benadeelde partij 4] zijn schoenen terug wilde hij iemand zou halen die hem dood zou schieten, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4
Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
4.1.

Beroep op putatief noodweer

4.1.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 naar voren gebracht dat de rechtbank gelet op de verklaring van de verdachte rekening kan houden met putatief noodweer nu de aangever naar zeggen van de verdachte een mes bij zich had en de verdachte dat heeft opgepakt toen het op de grond was gevallen en de aangever hiermee heeft gestoken teneinde te voorkomen dat het andersom zou zijn en de aangever hem zou steken.

4.1.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat een beroep op noodweer niet kan slagen. Samengevat voert de officier van justitie daartoe aan dat er geen sprake was van een situatie waarin de verdachte werd aangevallen. Bovendien staat vast dat de verdachte de aangever in de rug heeft gestoken, wat ook niet wijst op een aanval vanuit de aangever.

4.1.3.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel de verdediging het beroep op (putatief) noodweer zeer summier inhoudelijk heeft toegelicht, overweegt de rechtbank in dit kader het volgende. Het beroep op putatief noodweer slaagt niet. Het is – ook indien zou worden uitgegaan van het relaas van de verdachte – niet aannemelijk geworden dat sprake was van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, in die zin dat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij zich het dreigende gevaar verontschuldigbaar heeft ingebeeld dan wel de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Volgens de verdachte was de aangever op de grond gevallen, lag het mes op de grond, is de verdachte van de scooter gesprongen en heeft hij het mes gepakt en heeft hij de aangever in zijn rug gestoken terwijl de aangever bezig was om op te staan. Dit steken door de verdachte kan niet worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend.

4.2.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

poging tot doodslag.

Feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Feit 3:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feit 4:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6
Motivering van de straf
6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 270 dagen, waarvan 181 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren wordt opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen voor de duur van één jaar, waarbij de verdachte wordt bevolen zich te onthouden van contact met [de benadeelde partij 1] , en op straffe dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie voor de duur van drie dagen wordt toegepast. De bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest. Volgens de verdediging is het van belang dat door oplegging van de bijzondere voorwaarden het hulpverleningstraject van de verdachte wordt doorgezet en is de verdachte hiervoor ook gemotiveerd. De verdediging twijfelt of daarnaast een taakstraf dient te worden opgelegd, omdat dit het hulpverleningstraject van de verdachte kan doorkruisen en de verdachte hierdoor dreigt te worden overvraagd. De verdediging ziet geen toegevoegde waarde in het opleggen van het contactverbod als aparte vrijheidsbeperkende maatregel.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Strafwaardigheid van het handelen van de verdachte

De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan vier ernstige strafbare feiten waaronder een poging tot doodslag door het slachtoffer in zijn rug te steken. Deze is daardoor levensgevaarlijk gewond geraakt. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Aangezien de verdachte in het verleden zelf ook slachtoffer is geweest van een steekpartij, zou hij als geen ander moeten weten dat slachtoffers van dit soort feiten vaak nog lange tijd last hebben van de psychische gevolgen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging, waarbij hij met een groep het slachtoffer op het station [station] heeft opgewacht. Het slachtoffer is door de groep geslagen en getrapt, waarbij het geweld voornamelijk door de verdachte is gepleegd. Door zo te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten pijn en angst veroorzaakt bij het slachtoffer. Het openlijke gewelddadig handelen van verdachten draagt daarnaast bij aan in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een straatroof in vereniging door onder dreiging van geweld de schoenen, vape en armband van het jonge slachtoffer weg te nemen waarbij het slachtoffer door de verdachte is geslagen. Straatroven zijn misdrijven waarvan de ervaring leert dat slachtoffers er nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Dat dit ook bij het slachtoffer het geval is blijkt onder meer uit de onderbouwing van zijn verzoek tot schadevergoeding. Daarnaast leveren straatroven gevoelens van onveiligheid op in de samenleving als geheel.

Tot slot heeft de verdachte geprobeerd een snorfiets te stelen. De verdachte heeft hiermee aangetoond geen enkel respect te hebben voor het eigendom van anderen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 19 december 2025 van [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad. De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd dat de verdachte intensieve begeleiding aanvaardt in het kader van ITB Harde Kern en zal meewerken aan een contactverbod met medeverdachten en slachtoffers. Ook adviseert de Raad een locatiegebod, elektronisch toezicht, coaching vanuit Gripzorg, behandeling bij de Waag en begeleiding vanuit Turn Over;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 7 januari 2026 van [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , jeugdbeschermer bij de jeugdreclassering.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog het volgende overwogen.

De Raad en de jeugdreclassering hebben aangegeven zich zorgen te maken over de verdachte en schatten het recidiverisico in als hoog. De verdachte geeft geen openheid van zaken over de strafbare feiten, over zijn beweegredenen, over het milieu waarin hij zich bevindt. Het is voor het verlagen van de kans op recidive belangrijk dat de verdachte inzicht gaat geven over zijn rol, houding en gedachten in zijn gesprekken bij de Waag en met zijn coach. De intensieve begeleiding door de jeugdreclassering en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De Raad staat achter een dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Op de zitting heeft de Raad aangegeven dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie of werkstraf.

6.3.1.

Straf

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze heeft begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. Gelet op de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten en wat hiervoor uiteengezet is over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het belang van de geadviseerde bijzondere voorwaarden ziet de rechtbank echter aanleiding om een deels voorwaardelijke jeugddetentie aan de verdachte op te leggen en het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie gelijk te stellen aan de periode die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank acht het ter voorkoming van recidive van belang dat het toezicht, de begeleiding en de behandeling van de verdachte zijn geborgd. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers noodzakelijk. Een dergelijk verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een jeugddetentie van 210 dagen, waarvan 123 dagen voorwaardelijk, moet worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (87 dagen).

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren (subsidiair 30 dagen jeugddetentie) op zijn plaats is.

Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op wat in de rapporten van de Raad en de jeugdreclassering wordt beschreven en het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

6.3.2.

Vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank zal daarnaast de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Die maatregel houdt in dat de verdachte geen contact mag hebben met [de benadeelde partij 1] . De rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van één jaar. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van drie dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Omdat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens [de benadeelde partij 1] , zal de rechtbank bevelen dat ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7
Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
7.1.

Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1] (feit 1)

Mr. M. Docter heeft namens de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] een vordering tot schadevergoeding van € 6.379,00 ingediend tegen de verdachte, bestaande uit € 1.379,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit € 1.000,00 voor de jas, € 50,00 voor de rugtas, € 25,00 voor het vest en € 304,00 aan daggeldvergoeding.

7.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] dient te worden toegewezen. Ten aanzien van de kleding van het slachtoffer kan de vordering eventueel worden toegewezen met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid van de rechtbank en met inachtneming van afschrijvingskosten. De vordering dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

7.1.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële en immateriële schade gedeeltelijk kan worden toegewezen waarbij de rechtbank gebruik dient te maken van haar schattingsbevoegdheid en het gevorderde bedrag in verband met afschrijving gematigd dient te worden. De verdediging verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de immateriële schade oog te hebben voor de context waarin dit feit zich heeft afgespeeld.

7.1.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering. Voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit [kort gezegd: poging tot doodslag] door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij vergoeding toekomt voor de beschadigde jas, het vest, de tas en de ziekenhuisdagvergoeding. Ten aanzien van de jas zal de rechtbank, rekening houdend met afschrijvingskosten, gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en stelt vast dat een bedrag van € 300,00 kan worden toegewezen.

Aldus zal de rechtbank de vordering van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van

€ 679,00.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade toekomt nu hij lichamelijk letsel heeft opgelopen en aldus sprake is van een aantasting in zijn persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank komt een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,00 billijk voor. Hierbij heeft de rechtbank gelet op de onderbouwing van de gevolgen, op wat er in vergelijkbare zaken wordt toegekend en de door de politie geschetste context waarin de verdachte en de benadeelde partij zich begeven en waarin sprake is van diverse gewelddadige conflicten over en weer.

De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.179,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.

Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3] (feit 3)

De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 716,90 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De materiële schade bestaat uit herstel van schade aan een slotset, frame cover, voorspatbord, windscherm en montagekosten.

7.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

7.2.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat er te veel tijd zit tussen het moment waarop de schade is ontstaan en de datum van de offerte. Bovendien betreft het slechts een offerte en is het niet duidelijk of deze kosten daadwerkelijk betaald zijn.

7.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering. Voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit [kort gezegd: poging tot diefstal] door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden. Weliswaar is de offerte van een latere datum, maar de in de offerte genoemde kosten komen precies overeen met de door de benadeelde partij genoemde schade in de aangifte. De hoogte van de schade kan voldoende worden vastgesteld op basis van de aangifte en de offerte en er een causaal verband is met het bewezenverklaarde feit, daarbij doet niet ter zake of er daadwerkelijk een reparatie heeft plaatsgevonden.

De rechtbank zal daarom de vordering van de materiële schade toewijzen tot een bedrag van

€ 716,90, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot diefstal] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.3.

Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 4] (feit 4)

De wettelijke vertegenwoordiger [de wettelijke vertegenwoordiger van de benadeelde partij 4] heeft namens de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] een vordering tot schadevergoeding van € 854,94 ingediend tegen de verdachte wegens € 204,94 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade die hij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De materiële schade bestaat uit € 44,95 voor de weggenomen armband en € 159,99 voor de weggenomen schoenen.

7.3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

7.3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding dient te worden afgewezen, aangezien de verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd.

7.3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering. Voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit [kort gezegd: diefstal met geweld] door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

De gevorderde materiële schade ten aanzien van de armband en schoenen is voldoende onderbouwd en staat zodanig in verband met het door de verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade toekomt. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, zoals onderbouwd in de toelichting op de vordering en de schriftelijke slachtofferverklaring, zijn zodanig geweest dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank komt de vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 650,00 billijk voor gelet op de onderbouwing en wat er in vergelijkbare zaken wordt toegekend.

De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot een bedrag van € 854,94, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 38v, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77we, 141, 287, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4.2 vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 210 dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 123 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 87 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

zich meldt bij de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Alkmaar, afdeling jeugdreclassering en zich daarna gedurende de proeftijd en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling te weten De Jeugd- en Gezinsbeschermers te Alkmaar, waarbij de verdachte intensieve begeleiding aanvaart in het kader van ITB Harde Kern, welk programma in totaal 6 maanden duurt en waarvan thans nog 4 maanden resteert, behoudens de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van 6 maanden;

meewerkt aan het locatiegebod op het adres [adres] , dan wel op een adres van de ouders of een ander familielid van de verdachte, wat bekend en akkoord is bij de jeugdreclassering en de officier van justitie;

zich ter controle van voornoemd locatiegebod, de dagbesteding en ITB Harde Kern, houdt aan het elektronisch toezicht, voor de duur van de intensieve begeleiding in het kader van ITB Harde Kern, of zoveel korter als de jeugdreclassering noodzakelijk acht in overleg met de officier van justitie;

meewerkt aan de coaching van Gripzorg of een soortgelijke instantie, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

meewerkt aan de behandeling bij de Waag of een soortgelijke instantie, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

meewerkt aan de begeleiding van Turn Over of een soortgelijke instantie, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt, zoekt of heeft met de volgende personen, waarbij de politie toezicht houdt op de naleving van dit contactverbod:

De medeverdachte:

o [de medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] );

De slachtoffers:

o [de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

o [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

o [de benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

o [de benadeelde partij 4] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers gevestigd

te Alkmaar, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere

voorwaarden (met uitzondering van het contactverbod) en de veroordeelde ten behoeve van voormelde bijzondere voorwaarden te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 60 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van één jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

[de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

tenzij het contact met toestemming van het Openbaar Ministerie plaatsvindt.

Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt drie dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de maatregel, gelet op artikel 77we, tweede lid, J° 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dadelijk uitvoerbaar is.

Beslissing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.179,00, bestaande uit € 679,00 voor de materiële en € 2.500,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.179,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 716,90, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan J.S.S. [de benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 716,90, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissing vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 854,94, bestaande uit € 204,94 voor de materiële en € 650,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 854,94, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissing over de voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Lintjer, voorzitter,

mr. N. Cuvelier en mr. P.E. van der Veen, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.B. Kuvel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026.

Mr. J. Lintjer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.