Strafprocesrecht
Terugwijzing Hoge Raad. Kan verdachte worden aangemerkt als medepleger? Het hof antwoordt die vraag…
ECLI:NL:GHARL:2019:6148 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 juli 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2019-6148
Zaakgegevens
Op 24 juli 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 24 juli 2019
- Datum publicatie
- 25 juli 2019
- Zaaknummer
- 21-005742-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:6148
Samenvatting
Terugwijzing Hoge Raad. Kan verdachte worden aangemerkt als medepleger? Het hof antwoordt die vraag bevestigend. Veroordeling voor het medeplegen van valsheid in geschrifte, begaan door een rechtspersoon.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005742-18
Uitspraak d.d.: 24 juli 2019
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 18 september 2018 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2013 met parketnummer 07-993014-10 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
gevestigd te [adres] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Procesgang en omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 6 december 2013 van het ten laste gelegde vrijgesproken.
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep bij arrest van 6 juni 2016 de dagvaarding voor wat betreft het gedeelte “met (een) andere rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en)” nietig verklaard en verdachte voor het ten laste gelegde – kort gezegd: medeplegen van valsheid in geschrifte, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd – veroordeeld tot een geldboete van € 70.000,00. Daarnaast is de teruggave aan verdachte gelast van het in beslag genomen, nog niet teruggeven geldbedrag van € 112.000,00.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) heeft bij arrest van 18 september 2018 het bestreden arrest – voor zover aan zijn oordeel onderworpen – vernietigd. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 65.000,00. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw, mr. T.M.D. Buruma, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal - met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en onder verwerking van de eerder uitgesproken partiële nietigheid van de dagvaarding – ten laste gelegd dat:
zij tezamen en in vereniging met [B.V. 1] (thans zijnde [B.V. 3] ) en/of [B.V. 2] (thans zijnde [B.V. 3] ) en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , althans alleen in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 althans in 2005 en/of in 2006 en/of 2007 en/of 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst één of (groot) aantal factu(u)r(en), onder meer:
( Yellowfinsole )
a. nummer 27175 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 20 maart 2007
(D/30472, pag. 01466)
en/of
aa. nummer 20070445 van [B.V. 2] aan [bedrijf 1] d.d. 21
maart 2007
(D/30475, pag. 01467)
en/of
b. nummer 27102 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 20 februari 2007
(D/30568, pag. 1468)
en/of
bb. nummer 20070297 van [B.V. 2] aan [B.V. 4]
d.d. 21 februari 2007
(D/30618, pag. 1469)
en/of
c. nummer 63 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 14 december 2007
D/30447, pag. 01482)
cc. nummer 20072421 van [B.V. 1] aan [B.V. 4] d.d. 14
december 2007
en/of
(Rocksole)
d. nummer 28021 van [verdachte] aan [B.V. 1] d.d, 25 januari
2008;
(D/13203, pag. 01504)
en/of
dd. nummer 20080234 van [B.V. 1] aan [bedrijf 2]
d.d. 11 februari 2008;
(D13178, pag. 1505)
en/of
e. nummer 28027 van [verdachte] aan [B.V. 1] d.d. 29 januari
2008
(D/13192, pag. 1506) en/of
ee. nummer 20080177 van [B.V. 1] aan [bedrijf 3]
(D/13224, pag. 01507)
en/of
f. nummer 28041 van [verdachte] aan [B.V. 1] d. d. 8 februari
2008
(D/13.171, pag. 01496)
en/of
ff. nummer 20080234 van [B.V. 1] aan [bedrijf 2]
(D/131 78, pag. 01497) en/of nummer 20080274 van [B.V. 1] aan
[bedrijf 3] d.d. 12 februari 2008 (D/13185, pag.
01498) en/of nummer 20080285 van [B.V. 1] aan [bedrijf 3]
d.d. 18 februari 2008 (D/13189, pag. 01499)
en/of
(Schar)
g. nummer 27308 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 1 mei 2007,
(D/30988, pag. 01533) en/of
gg. nummer 20070779 van [B.V. 2] aan [bedrijf 4]
(D/31383, pag. 01534)
en/of
h. nummer 27556 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 10 augustus
2007;
(D31419, pag. 01535) en/of
hh. nummer 20071619 van [B.V. 2] . aan [bedrijf 5] d.d. 13
augustus 2007;
en/of
i. nummer 27421 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 15 juni 2007;
(D/31113, pag. 01537) en/of
ii. nummer 20071192 van [B.V. 2] aan [bedrijf 6]
d.d. 18 juni 2007;
(D/31513, pag. 01538);
bestaande de valsheid hierin dat op voornoemde facturen stond vermeld:
ad. a: ‘schol’ en/of ‘scholfilet’ en/of ‘schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid
‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming had moeten worden vermeld; en/of
ad. aa: ‘AL. SCHOLLENFILETS’ en/of ‘SCHOLLE NATUR’ terwijl er in werkelijkheid
‘ Yellowfinsole ’, althans een andere benaming had moeten worden vermeld;
en/of
ad. b: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Schollenfilets’ terwijl er in
werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming had moeten worden
vermeld; en/of
ad. bb: ‘SCHOLLENFILETS’ terwijl er ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming,
had moeten worden vermeld,
en/of
ad. c: ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ terwijl er in
werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming had moeten worden
vermeld; en/of
ad. cc: ‘SCHOLLENFILET’ terwijl er in werkelijkheid
‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;
en/of
ad. d: ‘Rocksole’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere
benaming had moeten worden vermeld; en/of
ad. dd: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of ‘Rocksole’,
en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;
en/of
ad. e: ‘Rocksole’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere
benaming had moeten worden vermeld; en/of
ad. ee: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of ‘Rocksole’,
en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;
en/of
ad. f: ‘Rocksole’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere
benaming had moeten worden vermeld; en/of
ad. ff: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of ‘Rocksole’,
en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;
en/of
ad. g: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Kutterschol’, terwijl er in
werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming, had moeten worden vermeld;
en/of
ad. gg: ‘SCHOLLENFILETS’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’ en/of een andere
benaming had moeten worden vermeld;
en/of
ad. h: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholle’ en/of
‘Kutterschol’, terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming, had
moeten worden vermeld; en/of
ad. hh: ‘SCHOLLENFILETS’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’ en/of een andere
benaming had moeten worden vermeld;
en/of
ad. i: ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholrollen’
en/of ‘Kutterschol’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming,
had moeten worden vermeld; en/of
ad. ii: ‘SCHOLLENFIL.’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’ en/of een andere
benaming had moeten worden vermeld;
zijnde (telkens) enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te
dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of
door anderen te doen gebruiken.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Ter terechtzitting is door en namens verdachte naar voren gebracht dat de verdediging, gelet op de arresten van de Hoge Raad, de verweren met betrekking tot het oogmerk tot misleiding en het opzet op de valsheid van de facturen niet langer handhaaft en ervan uitgaat dat het hier (voor een deel) valse facturen betreft. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting aangegeven dat het openbaar ministerie zich neerlegt bij de eerder gegeven vrijspraken.
Het hof heeft kennisgenomen van de arresten van de Hoge Raad van 18 september 2018 in andere, met deze strafzaak samenhangende zaken, waarbij het middel dat zag op de valsheid van de facturen met toepassing van artikel 81, eerste lid, RO werd verworpen. Het hof zal in verband hiermee het bewijs met betrekking tot de valsheid van de facturen niet verder bespreken en zal als vertrekpunt nemen dat de facturen die in de tenlastelegging zijn genoemd, door [B.V. 1] valselijk zijn opgemaakt voor zover dat bij arrest van dit hof in deze zaak van 6 juni 2016 bewezen is verklaard. Gelet hierop dient het hof thans alleen te beoordelen of verdachte (hierna ook: [verdachte] ) kan worden aangemerkt als medepleger van de door [B.V. 1] valselijk opgemaakte facturen.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de omvang en intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, en de rol van verdachte in de voorbereiding, uitvoering en/of afhandeling.
Het hof acht medeplegen tussen de rechtspersonen [B.V. 1] (thans [B.V. 3] )
en [verdachte] bewezen. Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] blijkt het volgende. [verdachte] is voor 80% eigendom van [B.V. 5] Van die vennootschap zijn de broers [naam 1] en [medeverdachte 2] ieder voor 50% aandeelhouder. [B.V. 1] is voor 100% eigendom van [B.V. 5] [medeverdachte 2] is directeur van zowel [verdachte] als van [B.V. 1] doet de in- en verkoop. De door [B.V. 1] ingekochte vis wordt normaliter door [verdachte] verwerkt. Boekhouder [naam 2] verklaart voorts dat de facturen van zowel [verdachte] als [B.V. 1] door [medeverdachte 2] worden opgemaakt. De bedrijven waren voorts gevestigd op hetzelfde adres ( [adres] ). Ze hadden één gezamenlijk kantoor en maakten samen gebruik van dezelfde telefoon- en faxnummers en gebruikten hetzelfde post- en e-mailadres. Uit het dossier en de verklaring van [medeverdachte 2] als directeur van [verdachte] ter terechtzitting op 10 juli 2019 leidt het hof af dat de gang van zaken met betrekking tot het bestellen, verwerken en leveren van vis was als volgt: Als bij [B.V. 2] een bestelling werd gedaan, werd deze doorgegeven aan [verdachte] en ontving [medeverdachte 2] de laadlijsten van [B.V. 2] Op die laadlijsten stond exact vermeld wat aan de klant – en onder welke benaming/omschrijving - geleverd moest worden en welke vissoort daarvoor als grondstof in productie genomen moest worden. Deze laadlijsten werden door [B.V. 2] gefaxt naar [B.V. 1] / [verdachte] . Deze laadlijsten werden vervolgens in het gezamenlijke computersysteem van [B.V. 1] en [verdachte] ( [systeem] geheten) gezet. Dit deed [medeverdachte 2] . Hij zette de laadlijsten in [systeem] en maakte vervolgens de productielijsten aan de hand waarvan [verdachte] de vis verwerkte. [B.V. 1] stuurde vervolgens de factuur van de aldus door [verdachte] verwerkte vis. Op de facturen werd de omschrijving gehanteerd zoals deze door [B.V. 2] op de laadlijsten werd vermeld. [naam 3] heeft voorts nog verklaard dat [verdachte] en [B.V. 1] één bedrijf is.
In feite was aldus sprake van één onderneming waarin bestellingen van vis werden ontvangen en verwerkt en afgeleverd en waarin de daarvan deel uitmakende rechtspersonen, [verdachte] en [B.V. 1] , feitelijk gesproken voortdurend nauw en bewust samenwerkten bij alle handelsactiviteiten, dus ook bij de in deze zaak centraal staande facturering van [B.V. 1] (al dan niet via [B.V. 2] ) aan de in de tenlastelegging genoemde afnemers. Daarnaast stelt het hof vast dat rond [verdachte] in feite een keten van rechtspersonen is gecreëerd, die als kennelijk doel had het verwerven van orders en het verwerken, verkopen en (af)leveren van vis. Zoals [medeverdachte 2] als directeur van [verdachte] ter zitting van 10 juli 2019 verklaarde: ” [verdachte] is van oorsprong een verwerkingsbedrijf. [B.V. 1] doet de verkopen.”
Gelet op het bovenstaande komt het hof tot bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde zoals hieronder nader is aangeduid.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij tezamen en in vereniging met [B.V. 1] (thans zijnde [B.V. 3] ) in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 in Nederland, meermalen, valselijk heeft opgemaakt facturen:
( Yellowfinsole )
a. nummer 27175 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 20 maart 2007 en
b. nummer 27102 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 20 februari 2007 en
c. nummer 63 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 14 december 2007 en
cc. nummer 20072421 van [B.V. 1] aan [B.V. 4] d.d. 14
december 2007 en
(Rocksole)
dd. nummer 20080234 van [B.V. 1] aan [bedrijf 2]
d.d. 11 februari 2008; en
ee. nummer 20080177 van [B.V. 1] aan [bedrijf 3]
en
ff. nummer 20080234 van [B.V. 1] aan [bedrijf 2]
en nummer 20080274 van [B.V. 1] aan
[bedrijf 3] d.d. 12 februari 2008 en nummer 20080285 van [B.V. 1] aan [bedrijf 3] d.d. 18 februari 2008
(Schar)
g. nummer 27308 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 1 mei 2007 en
h. nummer 27556 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 10 augustus
2007 en
i. nummer 27421 van [B.V. 1] aan [B.V. 2] d.d. 15 juni 2007;
bestaande de valsheid hierin dat op voornoemde facturen stond vermeld:
ad. a: ‘schol’ en/of ‘scholfilet’ en/of ‘schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid
‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming had moeten worden vermeld en
ad. b: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Schollenfilets’ terwijl er in
werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming had moeten worden
vermeld en
ad. c: ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ terwijl er in
werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming had moeten worden
vermeld en
ad. cc: ‘SCHOLLENFILET’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of een andere benaming had moeten worden vermeld en
ad. dd: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of ‘Rocksole’,
en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;
en
ad. ee: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of ‘Rocksole’,
en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;
en
ad. ff: ‘Schollenfilets’ terwijl er in werkelijkheid ‘ Yellowfinsole ’, en/of ‘Rocksole’,
en/of een andere benaming had moeten worden vermeld;
en
ad. g: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Kutterschol’, terwijl er in
werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming, had moeten worden vermeld en/of
ad. h: ‘Schol’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholle’ en
‘Kutterschol’, terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming, had
moeten worden vermeld en
ad. i: ‘Schol’ en/of ‘Scholle’ en/of ‘Scholfilet’ en/of ‘Scholfilets’ en/of ‘Scholrollen’
en/of ‘Kutterschol’ terwijl er in werkelijkheid ‘Schar’, en/of een andere benaming,
had moeten worden vermeld,
zijnde telkens enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te
dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of
door anderen te doen gebruiken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het arrest van 6 juni 2016 heeft het hof overwogen.
Verdachte, een rechtspersoon die handelt in vis, heeft zich samen met een andere rechtspersoon meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op facturen een onjuiste benaming voor de geleverde vis te vermelden. Hierdoor wordt de mogelijkheid geschapen om de verdere keten van afnemers en consumenten waarin die vis terecht komt te misleiden voor wat betreft de precieze soort en herkomst van die vis, zonder acht te slaan op bijvoorbeeld het belang van eindgebruikers om volledig inzicht te krijgen in het product en zodoende geïnformeerd te kunnen beoordelen welk product zij kopen en consumeren.
De oorspronkelijke insteek van het onderzoek was de verdenking dat structureel sprake is geweest van het door verdachte declareren van een te hoge prijs voor de geleverde vis, maar die verdenking heeft geen stand kunnen houden en is daarom ook niet vertaald in de tenlastelegging van daarop betrekking hebbende feiten. De achtergrond van de handelwijze van verdachte lag in het behoud van haar klanten. Vanwege de beperkingen op de vangst van Noordzeeschol en de daardoor ontstane druk op de prijs daarvan (terwijl de vraag ernaar gelijk was gebleven) zochten deze klanten naar alternatieven. Dat alternatief werd gevonden in andere, op Noordzeeschol gelijkende, vissoorten. Met dat alternatief als zodanig was niets mis. De handelwijze van verdachte heeft echter eraan bijgedragen dat de herkomst en soortaanduiding van de verhandelde alternatieve vissoorten onvoldoende duidelijk waren met als (mogelijk) gevolg dat de alternatieve vissoorten op de markt werden gebracht als Noordzeeschol zonder dat de controlerende instanties dat eenvoudig konden ontdekken. Het particuliere economische belang van verdachte dat van zijn afnemers werd daardoor gediend: de handel bleef immers gaande. Het belang van de Nederlandse visserij in het algemeen en het belang van de uiteindelijke consument werden daardoor echter ernstig geschaad omdat op de juistheid van door Nederlandse vishandelaren verstrekte informatie kennelijk niet meer ten volle kon worden vertrouwd.
Deze gegeven strafmotivering is onverminderd actueel en juist. Het hof neemt deze daarom over. Daarnaast overweegt het hof het volgende.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat de strafbare feiten gedurende een lange periode hebben plaatsgevonden en dat verdachte de feiten niet op eigen initiatief heeft beëindigd maar pas na ingrijpen van de (toenmalige) AID. Tevens houdt het hof rekening met het feit dat verdachte met haar wijze van handelen voordeel heeft genoten en er geen ontnemingsprocedure aanhangig is. De AID heeft becijferd dat over de jaren 2005-februari 2008 maar liefst 1.087.641 kg Yellowfinsole als schol(filet) op de factuur is verkocht (dossier pagina's 1225 en 1226).
Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 juni 2019 blijkt dat zij niet eerder voor (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat verdachte onderdeel uitmaakt van een keten van bedrijven die zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Het hof zal bij de hoogte van de straf aansluiting zoeken bij de straf die in de samenhangende zaken is opgelegd. Verder neemt het hof bij de strafoplegging in acht dat de bewezen verklaarde feiten inmiddels dateren van 11-14 jaar geleden en dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de redelijke termijn waarbinnen de zaak moet worden berecht, is overschreden.
Gelet op het bovenstaande acht het hof een geldboete ter hoogte van € 23.750,-- een passende bestraffing voor de onderhavige feiten. De draagkracht van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, laat oplegging van een boete van die hoogte toe.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 23.750,-- (drieëntwintigduizend zevenhonderdvijftig euro).
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. R. de Groot en mr. M. van Seventer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 24 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.