Strafprocesrecht

De wettelijke bepalingen over de tijdigheid van het instellen van een rechtsmiddel zijn wel dwingend van…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 december 2023

Zaakgegevens

Op 6 december 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
6 december 2023
Datum publicatie
6 december 2023
Zaaknummer
Wahv 200.324.006/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:10395
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De wettelijke bepalingen over de tijdigheid van het instellen van een rechtsmiddel zijn wel dwingend van aard, maar niet (meer) van openbare orde. Dit brengt echter niet mee dat de kantonrechter niet gehouden is om de tijdigheid van het bij hem ingestelde beroep te beoordelen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.324.006/01

CJIB-nummer

: 247291737

Uitspraak d.d.

: 6 december 2023

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. E. Derksen, advocaat te Velp (Gld).

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 22 november 2023. De gemachtigde van de betrokkene is, zoals op voorhand is aangekondigd, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de bepalingen over tijdigheid van het beroep dwingend van aard zijn, maar niet van openbare orde. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte ambtshalve beoordeeld of het beroep tijdig is ingesteld.

3. In zijn arrest van 22 juli 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:7065) heeft het hof, in navolging van vaste rechtspraak van onder meer de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad, geoordeeld dat de wettelijke bepalingen over de tijdigheid van het instellen van een rechtsmiddel wel dwingend van aard zijn, maar niet (meer) van openbare orde. Die omstandigheid brengt evenwel niet mee dat de kantonrechter niet gehouden is om - zonder daarop door de officier van justitie te zijn gewezen - de tijdigheid van het bij hem ingestelde beroep te beoordelen (vgl. ook het arrest van het hof van 24 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:10132).

4. Hetgeen is aangevoerd treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

5. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.