Bestuursstrafrecht
Zekerheidstelling. Stelling dat kantonrechter niet langer ambtshalve mag toetsen aan zekerheidstelling…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 november 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:10132 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2022-10132
Zaakgegevens
Op 24 november 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 24 november 2022
- Datum publicatie
- 24 november 2022
- Zaaknummer
- Wahv 200.305.602/01
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:10132
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zekerheidstelling. Stelling dat kantonrechter niet langer ambtshalve mag toetsen aan zekerheidstelling, berust op onjuiste lezing meervoudig arrest over loslaten ambtshalve toetsing aan ontvankelijkheidseisen uit eerdere beroepsfasen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.305.602/01 |
|
CJIB-nummer |
: 233243795 |
|
Uitspraak d.d. |
: 24 november 2022 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 29 juni 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de zekerheidsbrieven in deze zaak niet voldoen aan de gestelde voorwaarden. Daarnaast stelt de gemachtigde dat hij niet kan vaststellen
dat de betrokkene deze brieven heeft ontvangen, zodat hij de ontvangst daarvan moet betwisten. Voorts wijst de gemachtigde erop dat de kantonrechter in weerwil van het arrest van het hof van
21 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1294, ten onrechte ambtshalve het (tijdig) gesteld hebben van de zekerheid heeft getoetst.
3. Uit de gedingstukken blijkt dat de betrokkene bij brief van 25 juli 2020 is gewezen op de wettelijke verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van de brief zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten of, bij sancties van € 225,- of meer,
€ 225,- en de administratiekosten. Bij brief van 11 augustus 2020 is de betrokkene nogmaals in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen binnen twee weken na de dag van verzending van de brief. Op geen van beide brieven heeft de betrokkene gereageerd.
4. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van het hof stelt het hof vast dat de hiervoor genoemde brieven voldoen aan hetgeen op grond van de wettelijke bepalingen is voorgeschreven en dat op grond van de gehanteerde werkwijze mag worden aangenomen dat deze (aan de betrokkene geadresseerde) brieven daadwerkelijk zijn verzonden.
5. Uit het zaakoverzicht van 2 september 2020 blijkt dat op die datum nog geen zekerheid was gesteld, terwijl dit vóór 28 augustus 2020 diende te geschieden. Op grond van een eveneens in het dossier aanwezige mailwisseling tussen de afdeling Juridische Ondersteuning van het CJIB en administratie van de afdeling civiel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant kan worden vastgesteld dat het bedrag van de zekerheidstelling ná 2 september 2020 is ontvangen.
6. Het vorenstaande betekent dat de kantonrechter terecht tot het oordeel is gekomen dat de betrokkene niet op de in artikel 11, derde lid (het hof begrijpt: vierde lid), van de Wahv voorgeschreven wijze zekerheid heeft gesteld.
7. Voor zover de gemachtigde van de betrokkene, met een verwijzing naar het arrest van het hof van 21 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1294, meent dat de kantonrechter ten onrechte ambtshalve het (tijdig) gesteld hebben van de zekerheid heeft getoetst, berust dit op een verkeerde lezing van het arrest. De eis dat (tijdig) zekerheid wordt gesteld is een ontvankelijkheidsvereiste in de procedure bij de kantonrechter. De bepalingen daaromtrent zijn dwingend van aard. Het is aan de kantonrechter om ambtshalve, ook zonder dat de officier van justitie de zekerheidstelling aan de orde stelt, te beoordelen of daaraan is voldaan. Deze grond faalt.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.