Strafprocesrecht

Proceskostenvergoeding. In de situatie dat de ten onrechte toegepaste verhoging van de sanctie wordt…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 19 oktober 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
19 oktober 2023
Datum publicatie
19 oktober 2023
Zaaknummer
Wahv 200.322.628/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:8803
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenvergoeding. In de situatie dat de ten onrechte toegepaste verhoging van de sanctie wordt teruggedraaid en de betrokkene rechtsmiddelen heeft moeten aanwenden om dit te bewerkstelligen, bestaat geen recht op een proceskostenvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.322.628/01

CJIB-nummer

: 239972164

Uitspraak d.d.

: 19 oktober 2023

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 29 november 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden, omdat (de gemachtigde van) de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld in persoon te worden gehoord.

2. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft administratief beroep ingesteld en hierbij verzocht om te worden gehoord. Bij brief van 25 augustus 2021 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om telefonisch te worden gehoord op 27 september 2021 om 10.00 uur. Hierin is aangegeven dat, als de gemachtigde niet binnen twee weken aangeeft verhinderd te zijn, ervan uit wordt gegaan dat hij telefonisch gehoord wil worden op dat tijdstip en dat als de gemachtigde dan niet bereikbaar is, er een telefonische hoorzitting plaats vindt in zijn afwezigheid, waarna een beslissing zal worden genomen. In een hoorverslag van 27 september 2021 is vermeld dat er geen reactie is ontvangen op die brief en dat de gemachtigde meermalen is gebeld, maar dat de gemachtigde hierbij niet bereikt werd. In zijn beslissing van 28 september 2021 geeft de officier van justitie aan van het horen te hebben afgezien, omdat de officier van justitie ondanks meerdere pogingen op 27 september 2021 geen contact heeft kunnen krijgen met de gemachtigde.

3. Het hof stelt vast dat geen van de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich hier voordoet. Door te handelen zoals hiervoor omschreven, is de gemachtigde naar het oordeel van het hof niet op adequate wijze in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Het hof overweegt daartoe dat gelet op artikel 7:19, derde lid, van de Awb slechts van horen in het openbaar kan worden afgezien op verzoek van een belanghebbende dan wel om gewichtige redenen. Het een noch het ander doet zich hier voor. Dat de gemachtigde niet heeft gereageerd op de brief van 25 augustus 2021, vormt geen gewichtige reden om van het horen in het openbaar af te zien.

4. Het hof zal gelet hierop de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. De overige gronden tegen die beslissingen behoeven daarom geen bespreking meer. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

5. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 maart 2021 om 15:27 uur op de Guntersteinweg in 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

6. De gemachtigde voert aan dat voor de betrokkene niet te controleren is of is voldaan aan de wettelijke vereisten met betrekking tot de bevoegdheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. De betrokkene heeft geen toegang tot de betreffende informatie en heeft aldus niet de mogelijkheid om daarover gemotiveerd twijfel te zaaien. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat de lijn van het hof over bevoegdheidskwesties van de ambtenaar niet in lijn is met de jurisprudentie van de Hoge Raad en dringt aan op herziening hiervan.

7. Zoals in het arrest van het hof van 23 december 2019 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:10797) is overwogen, is het bestaan van de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, en ook van de bekwaamheid en de betrouwbaarheid van de ambtenaar, in het onderhavige geval een hoofdagent van politie, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Datzelfde geldt indien slechts wordt gesteld dat bepaalde stukken die betrekking hebben op de bevoegdheid van de ambtenaar niet kunnen worden achterhaald (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om zijn uitgezette lijnen hieromtrent te wijzigen.

8. De gemachtigde voert verder aan dat de verklaring van de ambtenaar niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, zodat deze dezelfde bewijswaarde heeft als de verklaring van de betrokkene, die de gedraging ontkent. Daarmee zijn de aanvullende bewijsmiddelen nodig. De gemachtigde merkt daarbij op dat de officier van justitie en de advocaat-generaal ruimschoots de gelegenheid hebben gehad om een aanvullend (ambtsedig) proces-verbaal in het geding te brengen teneinde de betwisting van de betrokkene te ontzenuwen, maar dat zij dat hebben nagelaten. De gemachtigde stelt zich daarom op het standpunt dat het voor hun risico dient te blijven dat in het midden blijft of de gedraging is begaan. Voorts voert de gemachtigde aan dat het de betrokkene niet mag worden tegengeworpen dat hij de gedraging bij de staandehouding niet duidelijk heeft betwist.

9. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal betekent dan ook niet dat de sanctie niet in stand kan blijven en het rechtvaardigt ook geenszins de conclusie dat er getwijfeld moet worden aan de gegevens in het zaakoverzicht. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens in het dossier. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de onderhavige sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens: “Gedragingsgegevens: ik, verbalisant, zag dat de betrokkene reed terwijl hij zijn mobiele telefoon tegen zijn oor had. Ik zag dat de betrokkene mij bellend voorbij kwam rijden. (…).”

11. Uit deze verklaring volgt dat de ambtenaar, die de sanctie heeft opgelegd, heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon in zijn hand had. De gemachtigde heeft niets aangevoerd dat aanleiding geeft om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Zijn stellingen komen neer op de enkele ontkenning van hetgeen de ambtenaar heeft verklaard en dat is onvoldoende om daaraan te twijfelen. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat deze gegevens niet juist zijn. Anders dan de gemachtigde heeft betoogd, kan op basis hiervan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

12. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde verder heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat er redenen zijn om in dit geval het bedrag van de sanctie te matigen. Het standpunt van de gemachtigde dat ook in zaken waarin een betrokkene wordt bijgestaan door een professioneel gemachtigde sprake is van een structurele schending van de hoorplicht, die in navolging van het arrest van het hof van 22 november 2022, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2022:9934, tot matiging met het sanctiebedrag dient te leiden, deelt het hof niet. Dat de officier van justitie in de periode van januari 2022 tot medio 2022 in vijfendertig zaken van de gemachtigde heeft nagelaten een fysieke hoorzitting te organiseren, leidt niet tot het oordeel dat de hoorplicht structureel in zaken van een gemachtigde wordt geschonden.

13. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.

14. De gemachtigde betoogt tot slot dat de betrokkene recht heeft op vergoeding van proceskosten. Hij voert daartoe aan dat sprake is van wijziging van het sanctiebedrag, doordat de officier van justitie hangende het administratief beroep de ten onrechte toegepaste verhoging van de sanctie heeft teruggedraaid. De betrokkene heeft daartoe rechtsmiddelen moeten aanwenden, zodat hij een rechtens te respecteren belang heeft bij een proceskostenvergoeding, aldus de gemachtigde.

15. Onder verwijzing naar de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786) verwerpt het hof deze grond. Er is geen sprake van één van de gevallen waarin het hof heeft geoordeeld dat wel een proceskostenvergoeding moet worden toegewezen. Het hof overweegt hierbij nog dat de grond dat ten onrechte een eerste verhoging is toegepast slaagt, geen wijziging van de inleidende beschikking tot gevolg heeft.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.