Strafprocesrecht

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zwaar mishandelen van haar echtgenote, door met kracht in haar…

Zaakgegevens

Op 13 april 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
13 april 2026
Datum publicatie
14 april 2026
Zaaknummer
21-002933-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:2181
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zwaar mishandelen van haar echtgenote, door met kracht in haar pink te bijten, waardoor aangeefster haar vingertopje is verloren. Het hof acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar. Het door verdachte aan aangeefster toegebrachte letsel moet gelet op de aard en de gevolgen daarvan, ook naar normaal spraakgebruik, als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt. Oplegging van een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, bestaande uit € 4.500,00 aan immateriële schade.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002933-25

Uitspraakdatum: 13 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen , van 19 juni 2025 met parketnummer 18-175099-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1956 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het postadres [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 30 maart 2026 is besproken, en wat er op de zitting bij de politierechter is besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

  • het vernietigen van het vonnis van de politierechter;

  • het niet-ontvankelijk verklaren van verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2;

  • het veroordelen van verdachte voor feit 1 primair, tot een taakstraf van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis;

  • het geheel toewijzen van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat door verdachte en haar raadsvrouw,

mr. N.E. Renders, respectievelijk door de advocaat van de benadeelde partij, mr. M.M. Wiersema, is aangevoerd.

Het vonnis

In het vonnis waarvan beroep is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het zwaar mishandelen van haar (toenmalige) echtgenote door het vingertopje van haar vinger af te bijten. De politierechter heeft verdachte hiervoor veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 4.500,00, bestaande uit immateriële schade. Deze vordering is vermeerderd met de wettelijke rente en de politierechter heeft ter hoogte van datzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. In het meer gevorderde is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot heeft de politierechter het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 2.

Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair
zij op of omstreeks 28 mei 2024 te [plaats 1] , aan haar echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgebeten vingertopje, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht in de vinger te bijten;

1. subsidiair
zij op of omstreeks 28 mei 2024 te [plaats 1] , aan haar echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door met kracht in de vinger van die [slachtoffer] te bijten, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgebeten vingertopje, ten gevolge heeft gehad;

2.
zij op of omstreeks 28 mei 2024 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl zij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat zij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde rijden onder invloed van alcohol

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van feit 2.

Oordeel van het hof

Evenals de politierechter en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 2. Het openbaar ministerie heeft namelijk ten aanzien van dit feit al de vervolging ingesteld door middel van het uitvaardigen van een strafbeschikking.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van de onder 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling van haar echtgenote

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend aangeefster te hebben mishandeld. De verdediging heeft daarom vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Zo dienen de verklaringen van aangeefster als onbetrouwbaar ter zijde te worden geschoven en bevat, als die verklaringen wel als bewijs zouden worden gebruikt, het dossier onvoldoende steunbewijs. Volgens de verdediging kan niet worden uitgesloten dat aangeefster het letsel op een andere wijze heeft opgelopen dan door haar verklaard. Indien het hof van oordeel is dat verdachte wel verantwoordelijk is voor het veroorzaken van het letsel bij aangeefster, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat hiervoor te weinig informatie.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het zwaar mishandelen van haar echtgenote door met kracht in de vinger van haar echtgenote te bijten, waardoor haar echtgenote een vingertopje is verloren. Het door de verdediging gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hieronder zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij als volgt.

Bewijsmiddelen, feiten en omstandigheden

Aangeefster [slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte haar op 28 mei 2024 zodanig in haar pink heeft gebeten, dat zij een vingertopje is verloren. Aangeefster verklaart hierover dat zij verdachte op 27 mei 2024 heeft opgehaald uit een ziekenhuis in Duitsland, waar verdachte een operatie aan haar hand had ondergaan. Bij thuiskomst dronken zowel aangeefster als verdachte alcohol. Rond 02:15 uur wilde aangeefster dat zij en verdachte naar bed gingen. Verdachte had de volgende dag een afspraak bij de fysiotherapeut in verband met haar pas geopereerde hand. Verdachte wilde niet naar bed. Zij wilde gitaar spelen en pakte daarop haar gitaar. Aangeefster zag dat er bloed op de hand van verdachte zat en zei dit tegen verdachte. Aangeefster zag en hoorde dat verdachte erg kwaad werd en voelde op enig moment dat verdachte haar begon te bijten in zowel haar linker- als rechteronderarm. Daarnaast beet verdachte hard in aangeefsters linker pink, waardoor zij haar vingertopje is verloren. Over haar relatie met verdachte verklaart aangeefster dat zij 24 jaren is getrouwd met verdachte. In de relatie is vaker sprake geweest van huiselijk geweld.

Verbalisanten worden op 28 mei 2024 omstreeks 02:28 uur opgeroepen om te gaan naar de [locatie] . Meldster, aangeefster, meldde dat het topje van haar pink was afgebeten door haar partner. Verbalisant [verbalisant 1] komt ter plaatse en ziet dat aangeefster een handdoek om haar linkerhand gewikkeld heeft. Zij vraagt aangeefster de handdoek van haar hand te halen en ziet dat het topje van de pink van haar linkerhand weg is. Ze ziet een bloederig stompje en hoort aangeefster zeggen dat zij niet weet waar het afgebeten stukje pink is gebleven. Verbalisanten zijn met aangeefster naar de eerstehulppost van het ziekenhuis in [plaats 2] gereden. Onderweg vroeg verbalisant aan aangeefster wat er was gebeurd. Verbalisant hoorde dat aangeefster zei dat zij naar bed wilde, maar haar vrouw nog niet. Op enig moment wordt verdachte kwaad, waarna verdachte aangeefster gaat bijten op zowel haar linker- als rechteronderarm en zeer hard in haar pink. Aangekomen bij het ziekenhuis belt verbalisant [verbalisant 1] met verdachte. Verbalisant hoort aan de stem van verdachte dat zij vermoedelijk onder invloed is van alcoholhoudende drank. Verbalisant hoort verdachte verklaren dat ze bij vrienden voor de deur staat en stuurt hierop verbalisanten naar verdachte toe.

Verbalisanten houden verdachte omstreeks 03:06 uur aan. Verbalisant [verbalisant 2] hoort verdachte verklaren dat zij heel lang in het ziekenhuis had gelegen en graag gitaar wilde spelen. Haar vrouw wilde dat zij naar bed zou gaan om rust te nemen. Hij hoort verdachte ook verklaren dat zij en haar vrouw daarom een beetje ruzie hadden gekregen. Verbalisant ruikt tijdens het gesprek met verdachte een sterke alcohollucht en vraagt verdachte mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Als resultaat van deze test ziet verbalisant de G/F indicatie. Op het politiebureau in [plaats 3] wordt vervolgens een ademtest bij verdachte afgenomen met behulp van een ademanalyseapparaat. Verbalisant constateert dat het apparaat 495 ug/l microgram alcohol per liter uitgeademde lucht aangeeft.

Verdachte legt op 28 mei 2024 een verklaring af tegenover de politie. Wanneer verbalisanten verdachte voorhouden dat zij in de aangifte lezen dat verdachte aangeefster heeft gebeten, vragen zij verdachte wat zij hierover kan vertellen. Verdachte antwoordt hierop: ‘Ik had iets in mijn mond. Ik dacht wat is het wat heb ik’.

Aangeefster [slachtoffer] legt op 4 november 2024 tegenover de politie een aanvullende verklaring af. Aangeefster verklaart dat het huiselijk geweld vanaf 2014 is begonnen. Als zij een ruzie ziet aankomen, pakt zij haar telefoon om opnames te maken. Op 28 mei 2024 zet aangeefster haar telefoon uit voorzorg aan.

Op woensdag 13 november 2024 kijkt verbalisant [verbalisant 3] camerabeelden uit, opgenomen via een mobiele telefoon. In de bestandseigenschappen van het bestand staat een aanmaakdatum van 28 mei 2024 om 01:49 uur. Verbalisant hoort op de beelden het geluid van een spelende gitaar en ziet verdachte op een bank in de woonkamer gitaar spelen. Verbalisant hoort aangeefster op een gegeven moment zeggen: ‘Ga naar bed’. Verdachte antwoordt hierop: ‘Nee’. Verbalisant hoort gedurende het uitkijken van de beelden meerdere harde onbekende geluiden, (doffe) knallen, glasgerinkel en vallende voorwerpen. Tussen minuut 35:06 en 35:26 van de opname hoort verbalisant verdachte zeggen: ‘Goed, dan bel ik 1-1-2. Klaar’. Aangeefster antwoordt hierop: ‘Ja graag. Graag! Graag! Want ik ben namelijk erg gewond door jou’. Verdachte antwoordt hierop: ‘Ja’. Op minuut 36:30 van de opname hoort verbalisant aangeefster pijnlijke kreunende geluiden maken en ‘Auw. Fucking hell’ zeggen. Hij hoort verdachte hierop zeggen: ‘Jij bent hartstikke zielig. Ik bel een hulpdienst voor jou’. Hij hoort aangeefster vervolgens zeggen: ‘Heel verstandig. Dat jij namelijk zo in mijn pink hebt gebeten, dat er een heel stukje af is’. Hij hoort verdachte daarop zeggen: ‘Ja-aah’.

Aangeefster heeft in hoger beroep een schriftelijk bescheid overgelegd, inhoudende een omschrijving van de waarneming van de arts die op 28 mei 2024 om 03:18 uur eerste hulp heeft verleend aan aangeefster. Hierin staat als waarneming van het letsel omschreven dat aan de top van de linker pink van aangeefster een stukje mist. Dit letsel is niet te hechten, ook niet door een ‘pl chir’ (het hof begrijpt: plastische chirurg).

Het dossier bevat foto’s van het letsel van aangeefster. Het hof ziet op de foto’s van het letsel aan haar pink het volgende. De verwonding heeft een rafelige rand en geen scherp afgebakende rand. Op de foto’s van het letsel aan haar armen ziet het hof korstjes in ten minste één halve cirkel.

Uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangeefster muziekdocente is en dat zij nooit meer zoals voorheen een instrument kan bespelen waarbij tien vingers een vereiste zijn.

Alternatief scenario verdediging

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte aangeefster gebeten heeft, zoals aangeefster verklaart, of dat de verwonding mogelijk een andere oorzaak heeft, wat verdachte veronderstelt, nu zij verklaart aangeefster niet gebeten te hebben. Verdachte verklaart dat aangeefster haar hard tegen het tafelblad geduwd heeft, waardoor zij kwam te vallen en dat zij zich met haar rechterarm moest opvangen. Daarbij zou alles wat op de tafel lag, inclusief glaswerk, zijn gevallen. Dit past bij de geluiden die op de beelden te horen zijn (waaronder glasgerinkel). Verdachte geeft als alternatieve verklaring voor het opgelopen letsel aan de pink dat aangeefster zichzelf mogelijk gesneden heeft aan kapot glas of hout in de keuken. Daarnaast merkt verdachte op die avond niet veel gedronken te hebben.

Het hof constateert dat het onderzoek door de politie vollediger had gekund. Zo heeft de politie geen verslag gemaakt van wat er in de woning is aangetroffen, noch blijkt uit het dossier dat er onderzoek is gedaan naar eventuele bloedsporen in de woning. Ook ontbreekt een forensische letselverklaring. Weliswaar zitten er foto’s van de verwondingen (aan de armen en pink) van aangeefster in het dossier, maar die zijn niet nader geduid. Zo is niet onderzocht of de verwonding aan de pink past bij de toedracht waarover aangeefster heeft verklaard en of deze verwonding een andere oorzaak kan hebben. Wel constateert het hof dat de verwonding aan de pink een rafelige rand heeft en geen scherp afgebakende rand, zoals men, gelet op algemene ervaringsregels, zou verwachten bij een snijwond (bijvoorbeeld door glas).

Het hof heeft op de zitting verder geconstateerd dat op de foto’s van 30 mei 2024 korstjes te zien zijn op de armen van aangeefster in tenminste één halve cirkel. Dit lijkt te duiden op bijtwonden, maar of dat daadwerkelijk zo is, en of de vorm en grootte bij het gebit van verdachte passen, wat verdachte uitdrukkelijk weersproken heeft, kan op basis van het dossier niet met zekerheid worden vastgesteld.

Niettegenstaande het voorgaande gaat het hof, gelet op de verklaringen van aangeefster, de eigen waarneming van het hof van de foto’s van het letsel aan de pink en het steunbewijs dat zich in het dossier bevindt, ervanuit dat de verwondingen bij aangeefster door verdachte veroorzaakt zijn.

Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster

Vooropgesteld wordt dat in alle strafzaken verklaringen kritisch en zorgvuldig moeten worden bezien. Verklaringen moeten onder meer worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.

Hoewel aangeefster het precieze moment waarop verdachte haar in haar pink heeft gebeten niet heeft aangeduid, acht het hof de verklaring van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Haar verklaring is namelijk voldoende gedetailleerd inzake hetgeen zij verder verklaart over het verloop van de avond en de toedracht van het bijtincident. Zij heeft zelf de hulpdiensten gebeld en daarbij meteen gemeld dat haar partner het topje van haar pink heeft afgebeten. Dit heeft zij herhaald aan de verbalisanten die ter plaatse kwamen. Daarbij komt dat haar verklaring op essentiële onderdelen overeenkomt met het hiervoor door het hof aangehaalde beeldverslag van de cameraspecialist. Hieruit blijkt onder meer dat aangeefster verdachte kort na het bijtincident heeft geconfronteerd met haar letsel, door tegen verdachte te zeggen dat deze zo in haar pink heeft gebeten, dat er een heel stukje af is. Verdachte reageert hier vervolgens op met ‘Ja-aah’ en vraagt aangeefster niet waarom zij dit tegen haar zegt en weerspreekt evenmin in aangeefsters pink te hebben gebeten. Verder blijkt uit het beeldmateriaal dat aangeefster eerst geen verwonding aan haar pink heeft en later, nadat zij verdachte heeft geconfronteerd met het bijtincident, met een doek om haar hand rondloopt, terwijl de verbalisanten die haar direct daarna aantroffen het letsel aan haar pink omschrijven.

Verdere ondersteuning voor de verklaring van aangeefster kan worden gevonden in de verklaring van verdachte zelf. Als verbalisanten aan verdachte vragen of zij iets kan vertellen over wat aangeefster haar verwijt, antwoordt verdachte dat zij iets in haar mond had en dacht wat is het, wat heb ik. Dit past bij de verklaring van aangeefster dat verdachte bij haar het vingertopje heeft afgebeten en naderhand niet wist waar het vingertopje was gebleven. Tot slot acht het hof het letsel passend bij de omschreven toedracht (bijten). Dat geldt ook, hoewel deze gedragingen niet zijn ten laste gelegd, voor de eveneens uit het dossier blijkende verwondingen aan de armen van aangeefster. Dat aangeefster die verwondingen bij zichzelf aangebracht zou hebben om verdachte in een kwaad daglicht te stellen, acht het hof niet aannemelijk. Dit geconstateerde letsel aan haar armen ondersteunt de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Dat verdachte, zoals zij ter zitting bij het hof met klem verklaard heeft, die avond niet veel alcohol op had, wordt weersproken door de uitkomst van de ademtest, waaraan zij kort na het voorval is onderworpen alsmede door de camerabeelden die door aangeefster met haar telefoon zijn gemaakt en waarop onder meer waar te nemen is dat verdachte met dubbele tong en onsamenhangend praat en onvast ter been is.

Het hof heeft, gelet op het voorgaande, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen en acht de verklaringen dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Zwaar lichamelijk letsel

Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder meer wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat en/of voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.


Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.

De aard van het letsel

Wat de aard van het letsel betreft, is buiten de in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht genoemde gevallen ook verminking als zwaar lichamelijk letsel te beschouwen. Uit het door aangeefster schriftelijk overgelegde bescheid, inhoudende de omschrijving van de waarneming van de arts die op 28 mei 2024 om 03:18 uur eerste hulp heeft verleend aan aangeefster, blijkt dat aangeefster aan de top van haar linker pink een stukje mist. Dit letsel kon niet gehecht worden, ook niet door een plastische chirurg. Doordat aangeefster een vingertopje mist, welk letsel blijvend en zichtbaar is, is sprake van verminking.

Uitzicht op (volledig) herstel

Doordat het letsel niet gehecht kon worden, ook niet door een plastische chirurg, was er geen behandeling noch genezing mogelijk. Het ontbreken van het topje van haar pink zal altijd zichtbaar blijven. Daarbij komt dat het letsel aangeefster langdurig, zo niet blijvend, belemmert in haar werk als muziekdocente en in haar fysieke functioneren.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het door verdachte aan aangeefster toegebrachte letsel, te weten een afgebeten vingertopje, gelet op de aard en de gevolgen daarvan, ook naar normaal spraakgebruik, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

Voorwaardelijk opzet

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier een afgebeten vingertopje – aanwezig is als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft aangeefster met kracht in haar vinger gebeten, waardoor aangeefster haar vingertopje is verloren. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte, door aldus te handelen, zich bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangeefster hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het met kracht in een vinger bijten kan niet alleen de huid beschadigen (met littekens tot gevolg), ook kan het diepe verwondingen veroorzaken en blijvend letsel opleveren. Door dusdanig in de pink te bijten dat het topje eraf ging, is gericht veel kracht uitgeoefend. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van haar handelen heeft verdachte het zich verwezenlijken van deze aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel eveneens aanvaard.

Conclusie

Het hof acht met de politierechter dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling van haar echtgenote.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. primair
zij op 28 mei 2024 te [plaats 1] , aan haar echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgebeten vingertopje, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht in de vinger te bijten.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling, begaan tegen haar echtgenote.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Het uitvoeren van een forse onvoorwaardelijke taakstraf is, gelet op haar fysieke en psychische beperkingen, zwaar voor verdachte en mogelijk niet haalbaar naast de dagbesteding die zij op dit moment volgt.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zwaar mishandelen van haar echtgenote, door met kracht in haar pink te bijten, waardoor aangeefster haar vingertopje is verloren. Hiermee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Aangeefster ondervindt nog steeds de gevolgen van deze zware mishandeling. Niet alleen fysiek, maar ook psychisch.

Strafblad

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 23 februari 2026, waaruit blijkt dat zij in het verleden niet eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten. Dit heeft geen invloed op de hoogte van de straf.

Persoon van verdachte

Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en haar raadsvrouw naar voren zijn gebracht en zoals deze ook blijken uit het dossier en het reclasseringsrapport dat over verdachte is opgesteld.

Het hof heeft onder meer gelet op het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 3 oktober 2024. Hieruit is af te leiden dat verdachte is gediagnosticeerd met niet-aangeboren hersenletsel (NAH) ten gevolge van een herseninfarct in 2017. Ook zou er sprake zijn van onverwerkte trauma’s uit haar verleden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden omdat er al sprake is van een hulpverleningstraject binnen de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). De reclassering acht het wenselijk dat dit hulpverleningstraject gecontinueerd wordt en adviseert daarom negatief over de oplegging van een gevangenisstraf. Volgens de reclassering is verdachte in staat een taakstraf uit te voeren, indien daarbij rekening wordt gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten. Verdachte heeft ook in combinatie met haar toestandsbeeld dagbesteding kunnen uitvoeren, waarbij rekening is gehouden met eventuele operaties en hersteltijden. Het recidiverisico van verdachte wordt ingeschat als laag.

Verder heeft het hof gelet op de voorlichtingsrapportage van Forensisch Maatwerk van 25 maart 2026,. Hierin staat beschreven dat het niet-aangeboren hersenletsel bij verdachte problemen veroorzaakt in het geheugen, bij het verwerken van informatie en het reguleren van emoties. Daarnaast is sprake van een verminderd ziekte-inzicht.

Op de zitting in hoger beroep is door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht dat onderhavig incident het leven van verdachte volledig op haar kop heeft gezet en dat zij hiervan inmiddels de nodige gevolgen heeft ondervonden. De relatie tussen verdachte en aangeefster is na deze avond beëindigd en de scheiding is nog steeds niet afgewikkeld. Daarnaast is verdachte uit haar huis gezet en woont zij inmiddels al geruime tijd op een vakantiepark. Verdachte heeft verder structurele pijnklachten. Haar voet is ernstig beschadigd en zij heeft problemen met haar pols en arm, waardoor herhaaldelijk operaties nodig zijn. Verdachte is hierdoor in haar dagelijkse functioneren beperkt.

Oriëntatiepunten voor straftoemeting en overige LOVS-afspraken

Bij de strafoplegging heeft het hof eveneens gekeken naar wat in vergelijkbare gevallen als een passende straf wordt gezien en de oriëntatiepunten voor een zware mishandeling in ogenschouw genomen. Hoewel het oriëntatiepunt uitgaat van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, ziet het hof in de persoon van verdachte aanleiding tot de oplegging van een lagere straf en een andere modaliteit, te weten een taakstraf.

Strafoplegging

Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht ook het hof evenals de politierechter en de advocaat-generaal in dit geval oplegging van een taakstraf van 80 uren, bij niet voldoen te vervangen door 40 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de verdediging heeft verzocht, ziet het hof in de oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf geen aanleiding. Verdachte en aangeefster zijn niet meer bij elkaar en de reclassering schat het recidive risico van verdachte in als laag. Ook ziet het hof voor de oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door Forensisch Maatwerk, geen aanleiding. Er is al sprake van een hulpverleningstraject en het hof acht het van belang dat dit traject gecontinueerd wordt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft bij de politierechter een schadevergoeding van € 8.054,75 gevorderd, bestaande uit € 888,69 aan materiële schade en € 4.500,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag voor een deel toegewezen, bestaande uit € 4.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat zij haar vordering ten aanzien van de materiële schade intrekt. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de gevorderde € 4.500,00 aan immateriële schade.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de hoogte van de immateriële schade op een fors lager bedrag vast te stellen.

Oordeel van het hof

Uit het onderzoek op de zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder feit 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft door het handelen van verdachte lichamelijk letsel opgelopen waardoor zij ingevolge artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding van immateriële schade, ook wel ‘smartengeld’ genoemd, in aanmerking komt. In haar slachtofferverklaring heeft de benadeelde partij omschreven dat zij als gevolg van de zware mishandeling een stuk van haar vinger is kwijtgeraakt. Dit heeft niet alleen fysiek, maar ook psychisch veel impact gehad. In het schade-onderbouwingsformulier heeft de benadeelde partij omschreven dat zij vanwege haar psychische letsel een behandeling is gaan volgen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een brief overgelegd van haar klinisch psycholoog, waaruit volgt dat de benadeelde partij zich op 31 mei 2024 heeft aangemeld. Na de intake kwam de klinisch psycholoog tot de classificatie van een depressieve stoornis en een Post Traumatische Stress Stoornis. De benadeelde partij was eerder in haar leven niet bekend met deze toestandsbeelden.

Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt het hof, evenals de politierechter, de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 4.500,00. Bij de begroting van die schade heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte gemaakte verwijt laten meewegen, en verder gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Verder heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door Nederlandse rechters is verwezen bij de vaststelling en begroting van immateriële schade. De Rotterdamse schaal beschrijft welke smartengeldbedragen in het algemeen passen bij bepaalde categorieën van gevallen. De hoogte van de gevorderde schade is passend gelet op de bedragen die bij de categorie ‘het gedeeltelijk of volledig verliezen van de pink’ worden genoemd. Los van de psychische gevolgen die de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft opgelopen, acht het hof de gevorderde immateriële schade van € 4.500,00 daarmee alleen al voor de schade aan haar pink billijk.

Wettelijke rente

Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade bepalen op 28 mei 2024, de dag van de zware mishandeling.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Gijzeling

Het hof bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 dagen.

Proceskosten

Gelet op het vorenstaande wordt verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 28 mei 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. F.E.J. Goffin en mr. P.S. Bakker, in aanwezigheid van de griffier mr. S.A. van der Zwaag en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 13 april 2026.

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit – tenzij anders vermeld – op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het procesdossier met registratienummer PL0100-2024140145, opgemaakt door de Politie Eenheid Noord-Nederland, van 29 mei 2024, genummerd van 1 tot en met 36. Pagina’s 5 tot en met 10. Pagina’s 11 en 12. Pagina’s 14 en 15. Pagina 33. Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 4 november 2024, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] . Proces-verbaal van bevindingen ‘Beeldverslag camerabeeldspecialist’ d.d. 19 november 2024, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] . Een schriftelijk bescheid, inhoudende een waarneming van het letsel bij aangeefster van [gezondheidsadviseur] , d.d. 28 mei 2024. Eigen waarneming van het hof, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, meervoudige kamer voor strafzaken, op 30 maart 2026. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding d.d. 17 oktober 2024, pagina 5. HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66, r.o. 2.4.4.