Strafprocesrecht

Nepagentfraude. Het hof formuleert een oriëntatiepunt voor de op te leggen straf. Het hof legt een…

Zaakgegevens

Op 28 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
28 augustus 2026
Datum publicatie
8 september 2026
Zaaknummer
21-005096-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5794
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Nepagentfraude. Het hof formuleert een oriëntatiepunt voor de op te leggen straf.

Het hof legt een gevangenisstraf op van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk voor betrokkenheid bij 4 voltooide incidenten en deelneming aan een (criminele) organisatie die erop gericht was op een grotere schaal slachtoffers te maken

Uitspraak

Inhoudsopgave

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005096-25

Uitspraakdatum: 28 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem ,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 november 2025 met parketnummer 05-293186-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres 1] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door de verdachte en haar raadsvrouw, mr. V.H. Hammerstein.

Vonnis rechtbank

De rechtbank heeft (kort gezegd) bewezen verklaard dat de verdachte:

  1. tezamen en in vereniging met een of meer anderen door het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, namelijk die van politieambtenaar, drie personen ( [benadeelde] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) heeft bewogen tot de afgifte van (onder meer) sieraden;

  2. tezamen en in vereniging met een of meer anderen gouden ringen en/of contant geld heeft gestolen van [slachtoffer 3] , waarbij de verdachte en haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, namelijk die van politieambtenaar;

  3. heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit de verdachte en [medeverdachte] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (namelijk oplichtingen en/of diefstallen).

De rechtbank heeft die feiten als volgt juridisch gekwalificeerd:

  1. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

  2. diefstal in vereniging, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid;

  3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De rechtbank heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot:

? een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 193 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met (naast de algemene voorwaarde) een aantal bijzondere voorwaarden en

? een taakstraf van 150 uur.

Verder heeft de rechtbank benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Oordeel hof

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank wat betreft:

? de bewezenverklaring;

? de juridische kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde;

? de strafbaarheid van de verdachte en

? de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

In zoverre is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze heeft beslist.

Het hof bevestigt (die onderdelen van) het vonnis met overneming van gronden, met uitzondering van de bewezenverklaring. Dat onderdeel van het vonnis wordt bevestigd met verbetering van gronden. De gronden van het hof voor de bewezenverklaring staan onder het kopje ‘Bewijsoverwegingen’.

Het hof vernietigt het vonnis wat betreft de opgelegde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en taakstraf. Naar het oordeel van het hof wordt met de straffen zoals opgelegd door de rechtbank geen recht gedaan aan de ernst van het bewezenverklaarde. Verder heeft de rechtbank niet beslist op de in beslag genomen telefoons die zijn vermeld op de beslaglijst van 7 november 2025. In zoverre doet het hof opnieuw recht.

Bewijsoverwegingen

Feit 1 en 2

De verdachte heeft op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2026 bekend het onder 1 en 2 bewezenverklaarde te hebben begaan. De raadsvrouw heeft voor die feiten geen vrijspraak bepleit. Het hof volstaat daarom voor de onderbouwing van de bewezenverklaring met onderstaande opgave van de gebruikte bewijsmiddelen (conform de tweede volzin van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering).

? De bekennende verklaring die de verdachte heeft afgelegd op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2026.

Feit 1

? Het proces-verbaal van de aangifte van [benadeelde] (pagina 349-359 van het politiedossier).

? Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] (pagina 386-392 van het politiedossier).

? Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 2] (pagina 393-396 van het politiedossier).

Feit 2

? Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 3] (pagina 397-400 van het politiedossier).

Feit 3

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde op basis van het volgende.

De verdenking houdt kort gezegd in dat de verdachte in of omstreeks de periode van 5 juni 2024 tot en met 28 oktober 2024 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)), bestaande uit haarzelf en [medeverdachte] , waarbij die criminele organisatie tot oogmerk had het plegen van oplichting en diefstal.

Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon (in dit geval [medeverdachte] ). Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

Uit het onder 1 en 2 bewezenverklaarde (en de bewijsmiddelen waarop die bewezenverklaring is gebaseerd) blijkt dat de verdachte heeft deelgenomen aan:

? de oplichting van aangever [benadeelde] op 15 augustus 2024;

? de oplichting van aangever [slachtoffer 1] op 16 augustus 2024;

? de oplichting van aangever [slachtoffer 2] op 22 augustus 2024;

? de diefstal bij aangever [slachtoffer 3] op 26 augustus.

Bij die incidenten is telkens min of meer dezelfde werkwijze (modus operandi) toegepast, die in de kern het volgende inhoudt. Het slachtoffer wordt gebeld door iemand die zich voordoet als politieagent. In die telefoongesprekken wordt het slachtoffer verteld dat in de buurt van diens woning een inbraak heeft plaatsgevonden of wordt beraamd, althans dat er aanwijzingen zijn dat een inbraak zal worden gepleegd in de woning van het slachtoffer. Degene die zich voordoet als politieagent zegt tegen het slachtoffer dat een collega zal langskomen om het slachtoffer te beschermen tegen die dreigende inbraak. In sommige gesprekken zou die bescherming worden geboden door waardevolle goederen veilig te stellen, in andere gesprekken door het hang- en-sluitwerk te controleren. In die gesprekken wordt ook gevraagd welke waardevolle goederen het slachtoffer in huis heeft. Een korte tijd later verschijnt iemand (anders) bij de woning van het slachtoffer. In een aantal gevallen draagt die persoon een kledingstuk dat overeenkomsten vertoont met ambtskleding van de politie. Uiteindelijk vertrekt die persoon met (waardevolle) goederen van het slachtoffer.

In het geval van aangever [slachtoffer 3] is over dat telefoongesprek niet alleen bekend wat het slachtoffer daarover heeft verklaard in de aangifte, maar is dat telefoongesprek ook afgeluisterd door de politie. Bij dat incident is door de dader(s) gebruikgemaakt van een telefoon met het IMEI-nummer [nummer] . Dat telefoongesprek met de aangever begon (op 26 augustus 2024) om 17.38 uur. Diezelfde dag om 16.20 uur heeft de politie (door middel van een IMSI-catcher) bepaald dat die telefoon zich hoogstwaarschijnlijk bevond in de woning op het adres [adres 2] . Diezelfde dag om 17.55 uur betrad de politie die woning. Daar trof de politie de verdachte en [medeverdachte] aan, die op bed zaten met rondom hen meerdere telefoons. Onder de telefoons in die woning bevond zich de telefoon met het genoemde IMEI-nummer [nummer] .

De politie heeft geconcludeerd dat een andere telefoon die is aangetroffen in de woning (in beslag genomen onder het kenmerk 3278835 en onderzocht onder ‘goednr digi’ 3333333). waarschijnlijk in gebruik was bij [medeverdachte] , onder meer omdat de telefoon is aangetroffen bij de verdachte en de medeverdachte en daarnaast op die telefoon het e-mailadres [e-mailadres] is aangetroffen als ‘user account’. Het hof volgt die conclusie van de politie. Daarnaast is op die telefoon in de applicatie Apple Maps:

? op 15 augustus 2024 gezocht naar het adres van aangever [benadeelde] (in [plaats 1] );

? op 16 augustus 2024 gezocht naar het adres van aangever [slachtoffer 1] (in [plaats 2] );

? op 22 augustus 2024 gezocht naar het adres aangever [slachtoffer 2] (in [plaats 3] );

? op 26 augustus 2024 gezocht naar het adres van aangever [slachtoffer 3] (in [plaats 4] ).

Verder is in die telefoon (3333333) het Snapchataccount ‘ [accountnaam 1] ’ aangetroffen als ‘user account’.

De verdachte heeft in een politieverhoor verklaard dat het Snapchat-account ‘ [accountnaam 2] ’ van haar is.

Op 22 augustus 2024 stuurde Snapchataccount ‘ [accountnaam 2] ’ het volgende bericht naar ‘ [accountnaam 1] ’:

oude ketting

Goude arm bandje

Goude munt niet zeker of t echt is

Schakel armband goude vijfje

2 goude kettingkjes

Goud ketting zilver en witgoudof zilver met driehoekje

Schakel armband met kinderkopjes

Goudenring met briljantjes van dr moeder

2’gouden hanger

Houde ketting zelf om

Kleine ketting met schakel

Armbandje zelf om

2 canadese munten

Goude ring

Goude ring met blauwe steen

Goud met zilver ring met 3 steentjes

Goude pink ring steentjes zelf om

Goude ring gedelede zilver zelf om

Op 26 augustus 2024 stuurden ‘ [accountnaam 2] ’ en ‘ [accountnaam 1] ’ de volgende berichten naar elkaar:

Tijdstip

Afzender

Ontvanger

Bericht

12.55 uur

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

[plaats 5] word het

12.56 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Okee

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

ze gaan naar daar trappen [het hof begrijpt: rijden] je kan alvast iets voor [plaats 5] zoeken

13.58 uur

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

je kan in gg melden

als je adje [het hof begrijpt: adres]

hebt

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Oke

13.59 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Ze zijn [plaats 5] tog

15.18 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Ben [plaats 6] zoeken

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

[plaats 6]

is helemaal

andere kant

van [plaats 5]

15.19 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

is naar [plaats 5]

15.19 uur

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

vervelende vis gehangen ?

15.19 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Nee

Was eig wel fitte vis [het hof begrijpt: een doelwit]

Mr k belde als [plaats 5] politie

Toen hangde ik op zei k wijkagent [plaats 6] zal nog contact opnemen

Heb ook niks gezegd over de hun op lijst stonden

Gwn alleen gewaarschuwd

15.21 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Zeg gwn docier overgenomen van politie [plaats 5]

Omdat u op een lijst stond blabla

15.21 uur

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

Jaa

15.24 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Heb miss vis

In [plaats 4]

15.24 uur

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

oki

send als je weet is adje

15.25 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Oki

Ze heeft niks zegt

17.16 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Schat

[plaats 4]

17.17 uur

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

jaa

send

adje

nuu

17.22 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

[adres 3]

17.27 uur

[accountnaam 2]

[accountnaam 1]

Vis doet moe

Om te zeggen wat ze heeft

17.32 uur

[accountnaam 1]

[accountnaam 2]

laat der klaarzetten

foto’s

De verdachte heeft in politieverhoren en ter terechtzitting het volgende verklaard over (haar aandeel in) misdrijven zoals het onder 1 en 2 bewezenverklaarde.

Op 26 augustus 2024 belde de verdachte het slachtoffer op en voerde een gesprek met hen. Het slachtoffer werd bepaald door middel van de telefoongids, waarin de naam, het telefoonnummer en adresgegevens staan.

Er werd gebruikgemaakt van ‘een soort groepsaccount’ (het hof begrijpt: een groepsgesprek op Snapchat of een vergelijkbaar platform). Namen van bestaande wijkagenten werden opgezocht op het internet.

De verdachte werd weleens gevraagd om beltegoed te halen (het hof begrijpt: voor de telefoons die werden gebruikt om slachtoffers te bellen) en deed dat dan. Aan een oplichtingsincident op 6 juni 2024 heeft de verdachte bijgedragen door op 5 juni 2024 het beltegoed te kopen voor de telefoon die daarbij is gebruikt.

Het kwam voor dat er op één dag twintig personen werden gebeld. De verdachte was soms de hele dag bezig met bellen. Op 26 augustus 2024 had de verdachte al de hele dag pogingen gedaan om slachtoffers op te bellen. Tijdens telefoongesprekken was het een kwestie van ‘aanhoren’ of de gesprekspartner een potentieel slachtoffer is. De informatie die het slachtoffer gaf, werd doorgestuurd naar anderen. De verdachte heeft ook adresgegevens doorgestuurd en sieradenlijstjes genoteerd. Voor de telefoongesprekken met slachtoffers gebruikte de verdachte een script dat haar was toegestuurd.

Over de financiële beloning die zij ontving voor haar aandeel heeft de verdachte verklaard dat zij die ontving van een persoon met wie zij in die periode bijna elke dag was, waardoor het niet nodig was voor de overdracht van die beloning een locatie af te spreken. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte daarmee doelde op [medeverdachte] , onder meer omdat de verdachte (ook) in die periode een relatie had met [medeverdachte] .

Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat de verdachte en [medeverdachte] in de bewezen verklaarde periode een samenwerkingsverband hebben gevormd dat gericht was op oplichting en diefstal (op de wijze zoals toegepast bij het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en eerder beschreven in dit arrest). Naar het oordeel van het hof was dat samenwerkingsverband voldoende duurzaam en verliep die samenwerking voldoende gestructureerd om dat samenwerkingsverband te kunnen aanmerken als een (criminele) organisatie in de zin van artikel 140 Sr.

Verweer tot vrijspraak

Bij het voorgaande heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte in de bewezen verklaarde periode een liefdesrelatie had met [medeverdachte] . Naar het oordeel van het hof neemt dat niet weg dat zij (daarnaast) een criminele organisatie vormden. De beschreven werkzaamheden en samenwerking met het oog op oplichting en diefstal zijn geen onderdeel van omgangsvormen die horen bij een liefdesrelatie. Ook als wordt aangenomen dat het motief van de verdachte voor haar aandeel in de nepagentfraude (voor een deel) gelegen was in haar wens om de medeverdachte te helpen, laat dit onverlet dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting en diefstal. De motieven voor dat oogmerk doen voor de vraag of dit feit kan worden bewezen niet terzake. Op basis van het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de raadsvrouw dat strekt tot vrijspraak.

Oplegging van straf

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met (naast de algemene voorwaarde) de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het hof dezelfde straf zal opleggen als de rechtbank, namelijk dat de duur van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf gelijk is aan de duur van het voorarrest. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat het onder 3 bewezenverklaarde op een zodanige manier samenhangt met het onder 1 en 2 bewezenverklaarde dat het onder 3 bewezenverklaarde niet nog zelfstandig bijdraagt aan de ernst van het bewezenverklaarde. Daarnaast het de raadsvrouw gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Oordeel hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan nepagentfraude, een vorm van criminaliteit waarbij valselijk de hoedanigheid van de politie wordt gebruikt om het slachtoffer sieraden en/of geld afhandig te maken. De slachtoffers werden eerst telefonisch benaderd door iemand die zich voordeed als politieagent en het slachtoffer bang maakte met de boodschap dat er aanwijzingen waren dat bij het slachtoffer thuis een woninginbraak zou worden gepleegd. De politie zou het slachtoffer zogenaamd bescherming bieden, door thuis langs te komen om waardevolle goederen veilig te stellen of in die woning het hang- en sluitwerk te controleren. Vervolgens verscheen een mededader bij die woning, zogenaamd een collega van de politieagent door wie het slachtoffer gebeld was, die uiteindelijk vertrok met sieraden en/of geld van het slachtoffer. Om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen, werd onder meer gebruikgemaakt van de naam en het dienstnummer van echte politieagenten en werd ook (nep)politiekleding gebruikt. Als het lukte om dat vertrouwen te winnen – in het telefoongesprek werd afgetast of het slachtoffer meeging in het verhaal – werd daar dus op een uiterst brutale wijze misbruik van gemaakt door het slachtoffer kostbare goederen en/of geld afhandig te maken.

De verdachte is betrokken geweest bij vier voltooide gevallen van nepagentfraude, telkens gepleegd bij een slachtoffer van meer dan 70 jaar oud. De bijdrage van de verdachte bestond onder meer uit het bellen van het slachtoffer. In dergelijke gesprekken heeft de verdachte glashard leugens verteld om het slachtoffer op het verkeerde been te zetten en afgetast of het slachtoffer meeging in dat verhaal.

Het plegen van nepagentfraude gebeurde echter in een georganiseerd verband, waarbij die organisatie erop gericht was op een grotere schaal slachtoffers te maken. Zo heeft de verdachte nog veel meer mensen gebeld dan de personen bij wie het gesprek daadwerkelijk heeft geleid tot oplichting of diefstal. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit is het hof daarom van oordeel dat ook de deelneming aan die criminele organisatie nog zelfstandig bijdraagt aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof houdt er rekening mee dat de verdachte binnen die organisatie niet de drijvende kracht is geweest.

Nepagentfraude is om meerdere redenen bijzonder kwalijk. Er wordt een inbreuk mee gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer. Daarbij richtten de daders zich onder meer op sieraden, die voor de eigenaar vaak ook een sterke emotionele waarde hebben, bijvoorbeeld als tastbare herinnering aan een overleden dierbare. Verder is nepagentfraude voor het slachtoffer doorgaans een nare en mogelijk ook beangstigende ervaring, die bovendien heeft plaatsgevonden in de eigen woning. Ook is er bij deze vorm van oplichting, net als in onderhavige zaak, vaak sprake van slachtoffers op hoge leeftijd, die extra kwetsbaar zijn en waar de gevolgen groter zijn. Ten slotte heeft nepagentfraude potentieel bredere negatieve maatschappelijke gevolgen. Doordat de hoedanigheid van politiegent wordt ingezet met het doel om mensen te benadelen, werkt deze vorm van criminaliteit in de hand dat het vertrouwen in de politie wordt aangetast. Dit leidt tot een verstoring van de werkzaamheden van de politie, bijvoorbeeld doordat politieambtenaren vaker te maken hebben met wantrouwende burgers, die bijvoorbeeld minder geneigd zijn de deur te openen voor politieagenten of bij een onverwacht bezoek van politieagenten zelfs 112 bellen.

Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor de straftoemeting ontwikkeld. Het doel daarvan is bijdragen aan een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Die oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Er is geen oriëntatiepunt voor nepagentfraude. Wel is er een oriëntatiepunt voor een delict dat overeenkomsten heeft met dit feit, namelijk een woninginbraak. Daarbij gaat het ook om een vermogensmisdrijf dat plaatsvindt in de woning van het slachtoffer. Het oriëntatiepunt voor een woninginbraak is een gevangenisstraf van drie maanden. Het hof ziet redenen om nepagentfraude zwaarder te bestraffen aangezien deze vorm van criminaliteit (zaaksoverstijgende) negatieve gevolgen heeft voor het vertrouwen in de politie en er een geraffineerde werkwijze wordt toegepast om het vertrouwen van het slachtoffer te winnen. Alles overziende is het hof van oordeel dat het passend is om nepagentfraude te bestraffen met een gevangenisstraf van vijf maanden (per incident).

Gelet op het aantal incidenten waarbij de verdachte betrokken is geweest en daarnaast haar deelneming aan de criminele organisatie die zich met nepagentfraude bezighield, is het hof van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt dat een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 24 maanden.

Het hof heeft kennisgenomen van een recent strafblad van de verdachte (het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 juli 2026). Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Gelet op de aard en ouderdom daarvan hebben die eerdere veroordelingen geen invloed op de op te leggen straf. Dat strafblad bevat geen aantekeningen die betrekking hebben op (een verdenking van) een strafbaar feit dat is gepleegd na het bewezenverklaarde.

Verder houdt het hof bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met het volgende. In het reclasseringsadvies van 16 juli 2025 staat dat de verdachte is opgegroeid in een ‘zeer gespannen opvoedingssituatie’ en dat zij op haar vijftiende uit huis is geplaatst en sindsdien altijd op zichzelf heeft gewoond, al dan niet met begeleiding. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, die inging op 27 december 2024, heeft de verdachte een tijd onder toezicht gestaan van de reclassering, die op 16 juli 2025 heeft gerapporteerd voldoende aanknopingspunten te zien om dat toezicht voort te zetten. Tijdens die schorsing is de verdachte onder meer begonnen met een behandeling bij [instelling 1] . Op dit moment woont de verdachte in een voorziening voor begeleid of beschermd wonen van [instelling 2] . Haar woonbegeleider heeft beschreven dat de verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, haar afspraken consequent nakomt, zich begeleidbaar opstelt en zich actief inzet voor haar persoonlijke ontwikkeling. De verdachte laat zien bewuste keuzes te maken en zet zich blijvend in voor een stabiele en maatschappelijk verantwoorde toekomst.

Uit de informatie van de reclassering en [instelling 2] leidt het hof af dat de verdachte in een moeilijke situatie is opgegroeid en sinds haar invrijheidstelling in december 2024 een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en stappen vooruit heeft gezet om stabiliteit te bewerkstelligen op belangrijke leefgebieden. Om die reden volgt het hof het advies van de reclassering in zoverre dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk wordt opgelegd en dat aan dat voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden worden verbonden die betrekking hebben op een ambulante behandeling, begeleid/beschermd wonen, dagbesteding en schuldhulpverlening. De straf die het hof oplegt heeft echter wel tot gevolg dat de verdachte opnieuw zal worden gedetineerd. Het hof beseft dat dit negatieve gevolgen heeft voor wat de verdachte de afgelopen maanden heeft opgebouwd, maar naar het oordeel van het hof is het bewezenverklaarde zodanig ernstig dat daaraan geen recht zou worden gedaan als een gevangenisstraf zou worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest (47 dagen).

Alles overziende veroordeelt het hof de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel verbindt het hof (naast de algemene voorwaarde) de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd in het adviesrapport van 16 juli 2025 (met uitzondering van het geadviseerde contactverbod).

De tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van die gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting.

Beslag (verbeurdverklaring telefoons)

Het hof beslist tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen telefoons die worden genoemd op de beslaglijst van 7 november 2025. De juridische grond voor die verbeurdverklaring is dat voor elk van die telefoons kan worden vastgesteld dat (een deel van) het bewezenverklaarde met behulp van die telefoon is begaan of voorbereid. Dit wordt als volgt onderbouwd.

[kenmerk 1] , [kenmerk 2] , [kenmerk 3] en [kenmerk 4] (aangetroffen op 26 augustus 2024)

De telefoons met het kenmerk [kenmerk 1] , [kenmerk 2] , [kenmerk 3] of [kenmerk 4] zijn aangetroffen op 26 augustus 2024 in de woning op het adres [adres 2] . De politie is die dag in die woning binnengetreden omdat (door middel van een IMSI-catcher was bepaald dat) dit hoogstwaarschijnlijk de locatie was van de mobiele telefoon met het IMEI-nummer [nummer] . Die telefoon was bij de politie in beeld gekomen doordat die telefoon op 20 augustus 2024 was gebruikt bij een poging tot oplichting waarbij de aangeefster en haar man werden gebeld door iemand die zei van de politie te zijn en waarbij later een mededader bij de woning verscheen om sieraden en geld op te halen om dat (zogenaamd) veilig te stellen. Toen de politie op 26 augustus 2024 binnentrad in de woning op het adres [adres 2] trof de politie daar de verdachte en [medeverdachte] aan terwijl zij op bed zaten. Rondom hen op het bed en op een bijzettafel lagen in totaal vier telefoons. Daarnaast lag een telefoon op de grond. Die was voor het oog van de politie op de grond gegooid door [medeverdachte] . Op of rondom dat bed zijn dus vijf telefoons aangetroffen, waaronder de vier telefoons met de genoemde kenmerken ( [kenmerk 1] , [kenmerk 2] , [kenmerk 3] en [kenmerk 4] ).

Onder die aangetroffen telefoons bevond zich de telefoon met het IMEI-nummer [nummer] , die in beslag is genomen onder het kenmerk [kenmerk 1] . Uit het politiedossier blijkt dat die telefoon is gebruikt om telefonisch contact te leggen met aangever [slachtoffer 3] in het kader van het onder 2 bewezenverklaarde. Met andere woorden: het onder 2 bewezenverklaarde is met behulp van die telefoon begaan.

Van de telefoon die in beslag is genomen onder het kenmerk [kenmerk 3] stelt het hof vast dat het onder 1 bewezenverklaarde met behulp van die telefoon is begaan of voorbereid. Onder 1 is onder meer bewezen verklaard dat de verdachte als medepleger betrokken is bij de oplichting van [benadeelde] . Die oplichting vond plaats op 15 augustus 2024, waarbij aangever [benadeelde] om 14.04 uur en 14.11 uur is gebeld door iemand die vertelde politieagent te zijn en de naam gebruikte van een wijkagent in [plaats 7] . Vervolgens verscheen om 14.45 uur iemand met een politieshirt bij de woning van de aangever om waardevolle spullen op te halen. In de telefoon met het kenmerk [kenmerk 3] is op 15 augustus 2024 om 14.11 uur in Apple Maps gezocht naar het adres [benadeelde] en is kort daarna via Safari gezocht op ‘wijkagent [plaats 1] ’.

Uit het politiedossier blijkt dat de politie heeft geconcludeerd dat de telefoon met het kenmerk [kenmerk 3] toebehoort aan [medeverdachte] . Daarvan uitgaande ligt het in de rede dat [medeverdachte] op 15 augustus 2024 de gebruiker was van de telefoon en dus wist van het gebruik van die telefoon in verband met het onder 1 bewezenverklaarde.

Van de telefoon die in beslag is genomen onder het kenmerk [kenmerk 2] stelt het hof vast dat het onder 3 bewezenverklaarde met behulp van die telefoon is begaan. Op 13 augustus 2024 is een bewoner van een adres in [plaats 8] gebeld door een persoon die zich voordeed als wijkagent [naam 1] . Met de telefoon met het kenmerk [kenmerk 3] is diezelfde een webpagina van de politie bezocht over diezelfde wijkagent. Daarnaast is diezelfde dag met de telefoon met het kenmerk [kenmerk 3] in Apple Maps gezocht naar het betreffende adres in [plaats 8] .

Van de telefoon die in beslag is genomen onder het kenmerk [kenmerk 5] stelt het hof vast dat het onder 2 bewezenverklaarde met behulp van die telefoon is begaan of voorbereid. Met die telefoon is op 26 augustus 2024 om 15.19 uur gezocht naar ‘politie [plaats 4] ’ en ‘wijkagent [plaats 4] ’. Diezelfde dag om 17.38 uur werd aangever [slachtoffer 3] gebeld door iemand zich voordeed als medewerker van de politie [plaats 4] en in dat gesprek tegen de aangever zei dat een wijkagent zou langskomen, waarbij een naam en dienstnummer van die wijkagent werden genoemd.

[kenmerk 6] (aangetroffen op 11 november 2024)

De telefoon met het kenmerk [kenmerk 6] is op 11 november 2024 aangetroffen bij de verdachte tijdens haar aanhouding. Het hof stelt vast dat het onder 3 bewezenverklaarde met behulp van die telefoon is begaan. Met die telefoon zijn namelijk op 19 en 24 oktober 2024 codes voor het opwaarderen van beltegoed gestuurd naar een contact dat was opgeslagen onder naam ‘ [naam 2] ’, wat volgens de politie een Arabisch woord is dat onder meer ‘ [woord] ’ betekent. De verdachte had (ook) toen een romantische relatie met [medeverdachte] . De verdachte heeft verklaard dat haar bijdrage aan de nepagentfraude onder meer bestond uit het opwaarderen van beltegoed. Verder is in die telefoon onder meer de volgende zoekterm aangetroffen: ‘wijkagent [plaats 9] ’.

Wetsartikelen

De straffen die het hof oplegt zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 140, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de gevangenisstraf en de taakstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte:

? zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

? tijdens de proeftijd niet heeft meegewerkt aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

? tijdens de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt, of

? tijdens de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden.

1. Meldplicht bij de reclassering

De verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen de verdachte zich zal melden. De eerste keer meldt de verdachte zich binnen 3 (drie) werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan. De verdachte meldt zich dan bij Reclassering Nederland op het [adres 4] .

2. Ambulante behandeling

De verdachte laat zich behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. Die behandeling duurt zolang de reclassering die behandeling nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels van de zorgverlener en aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

3. Begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte verblijft bij [instelling 2] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Dat verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels van de instelling en aan het dagprogramma dat de instelling opstelt in overleg met de reclassering.

4. Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of een vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

5. Schulden

De verdachte geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden. Daarnaast werkt de verdachte mee aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt dat de verdachte meewerkt aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).

Geeft Reclassering Nederland de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en om de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verbeurdverklaring telefoons

Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoons met de volgende kenmerken: [kenmerk 1] , [kenmerk 2] , [kenmerk 3] , [kenmerk 4] en [kenmerk 6] .

Bevestiging vonnis (voor het overige)

Bevestigt het vonnis van de rechtbank voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. R.D.J. Visschers, mr. E.C.M. Wolfert en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. D. van der Geld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 augustus 2026.

Mr. Augusteijn en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Waar wordt verwezen naar ‘het politiedossier’ wordt bedoeld: het procesdossier van de politie in onderzoek BIAB / ON36024015 met BVH PL0600-2024388373 / PL06002024398918. Dat dossier bestaat uit zes delen en een aanvullend dossier, die één geheel vormen dat is doorgenummerd tot en met pagina 2414. Het procesdossier bevat een proces-verbaal ‘algemeen dossier’ dat is gesloten op 31 maart 2025. De aanvulling bevat een inleidend proces-verbaal (‘relaas’) dat is afgesloten op 11 mei 2025. Proces-verbaal van bevindingen (pagina 502 en 505-507 van het politiedossier). Proces-verbaal van bevindingen (pagina 502 en 505 van het politiedossier). Proces-verbaal van inzet zend/ontvangst apparatuur (pagina 44-45 van het politiedossier). Proces-verbaal van bevindingen (pagina 48-49 van het politiedossier). Proces-verbaal van bevindingen (pagina 484-485 van het politiedossier). Kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL0600-2024388373-6 (zonder paginanummer deel uitmakend van het politiedossier). Proces-verbaal algemeen dossier (pagina 13-14 van het politiedossier). Proces-verbaal van bevindingen (pagina 527-532 van het politiedossier). Proces-verbaal van bevindingen (pagina 597-604 van het politiedossier). Proces-verbaal van aangifte (pagina 349 van het politiedossier). Proces-verbaal van aangifte (pagina 386 van het politiedossier). Proces-verbaal van aangifte (pagina 393 van het politiedossier). Proces-verbaal van aangifte (pagina 397 van het politiedossier). Proces-verbaal van bevindingen (pagina 527-532 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 262 van het politiedossier). Proces-verbaal van bevindingen (pagina 881 van het politiedossier). DOC-006 (pagina 1032 van het politiedossier). DOC-006 (pagina 1032 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 259-260 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 261 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 271-272 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 290-291 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 273 van het politiedossier). Proces-verbaal terechtzitting rechtbank Gelderland van 10 november 2025 in de strafzaak met parketnummer 05/293186-24 (pagina 2). Proces-verbaal van verhoor (pagina 299 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 274 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 276 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 289-290 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 295 van het politiedossier). Proces-verbaal van verhoor (pagina 286 van het politiedossier).