Strafprocesrecht
Veroordeling wegens medeplegen van opzettelijk ontploffing teweegbrengen door afsteken vuurwerkbom bij woning…
ECLI:NL:GHARL:2026:5822 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-5822
Zaakgegevens
Op 9 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Datum publicatie
- 9 september 2026
- Zaaknummer
- 21-005321-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:5822
Samenvatting
Veroordeling wegens medeplegen van opzettelijk ontploffing teweegbrengen door afsteken vuurwerkbom bij woning tot gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest. Sprake van gemeen gevaar voor goederen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en oplegging van schadevergoedingsmaatregel
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005321-25
Uitspraakdatum: 9 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo , van 18 december 2025 met parketnummer 08-069960-25 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
op dit moment verblijvende [verblijfplaats]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A. Oosterveen, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 18 december 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld voor - kort gezegd - het in vereniging tot ontploffing brengen van een vuurwerk-brandstof-combinatie bij een woning tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, ter hoogte van € 1.600,00, hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
hij of op omstreeks 6 maart 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandbom-combinatie, zijnde een Cobra, althans vuurwerk, gekoppeld aan een fles(je) met ontbrandbare vloeistof, bij en/of tegen de voordeur van een woning/pand gelegen aan [adres 2] te leggen en/of bevestigen, althans in de dichte nabijheid van/voor die woning te plaatsen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning/het pand en/of een (voor)deur en/of kozijn(en) en/of ruit(en) en/of pui(en) en/of de vloer en/of het plafond (van de hal) en/of de inventaris en/of (overige) in het pand aanwezige goederen en/of ruimte(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (onder meer) [benadeelde] te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zicht op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden, met uitzondering van het tweede gedachtestreepje dat ziet op het te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor aangever [benadeelde] .
Oordeel van het hof
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Het hof komt tot een bewezenverklaring en gebruikt daarvoor de hierna genoemde bewijsmiddelen:
1. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van de rechtbank op 27 november 2025, inhoudende:
Ik heb op 6 maart 2025 in [plaats 1] bij een woning aan [adres 2] een vuurwerkbom bij de voordeur geplaatst en aangestoken. Ik heb dit in opdracht gedaan van een persoon van wie ik de naam niet weet. Ik heb deze persoon ontmoet in [plaats 2] in de buurt van mijn school. Dit was ongeveer twee weken voor 6 maart 2025. Ik ben bij deze persoon in de auto gestapt en hij vroeg of ik bij een woning een vuurwerkbom wilde neerleggen. Ik zou hiervoor € 1.000,- krijgen. Ik had in die periode geldnood dus ik vond dat wel een mooi bedrag. Ik heb gezegd dat ik dat wel wilde doen. Ik kreeg de opdracht om het te filmen en op te slaan op de telefoon die ik had gekregen. Ik heb aan [medeverdachte] gevraagd of hij mij naar [plaats 1] wilde brengen. De vuurwerkbom is op 6 maart 2025 opgehaald. Ik denk dat het in [plaats 1] of een andere stad was. Toen ik bij liet adres was, kwam er een man naar buiten. Ik heb de deur open gedaan en hij heeft de vuurwerkbom op de achterbank van de auto gelegd. Ik heb het plaatsen van de vuurwerkbom met één telefoon gefilmd.
2. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van het hof op 26 augustus 2026, inhoudende:
Er was die nacht een derde persoon bij. Degene die mij de opdracht had gegeven om een vuurwerkbom bij de woning te plaats is niet dezelfde persoon als degene die in de auto heeft gezeten, zoals u vraagt.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 6 maart 2025, opgenomen op pagina 33 en volgende van het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ON2R025014/WASBEER25 van 24 juli 2025, inhoudende de verklaring van [benadeelde] :
Op donderdag 6 maart 2025 was ik alleen aanwezig in mijn woning. Deze woning is gevestigd aan [adres 2] . Omstreeks 02:10 uur hoorde ik een doffe dreun. Ik werd hier wakker van. Later hoorde ik de rookmelders in mijn woning af gaan. Ik ben toen naar de overloop gelopen. Ik rook toen een rooklucht. Ik zag in het trapgat rook. Ik ben toen naar beneden gelopen. Ik zag dat de keuken ook vol rook stond. Ik ben toen in paniek naar de voordeur gelopen. Ik probeerde de voordeur open te doen. Dit lukte niet. Ondertussen zag ik dat het slot van de voordeur gloeide.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 maart 2025, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten:
Op donderdag 6 maart 2025 omstreeks 02:14 uur zagen wij, verbalisanten, een manspersoon
welke de melder bleek te zijn. Wij hoorden hij op dat moment het Operationeel Centrum nog
aan de telefoon had. Wij, verbalisanten, vroegen hem of hij de politie gebeld had. Wij hoorden
de melder zeggen dat dat klopte. Wij zagen dat hij de [straatnaam] in wees met zijn arm, hand
en vinger en hoorden hem zeggen dat daar de knal vandaan kwam.
Wij, verbalisanten, zagen dat de voordeur en het kozijn van [adres 2] in brand stonden. Ik, [verbalisant] , heb de brandblusser uit ons dienstvoertuig gepakt en heb deze brand geblust. Wij, verbalisanten, hoorden in het pand een manspersoon schreeuwen. Ik, [verbalisant] , heb hierop de deur met één trap opengetrapt. Wij, verbalisanten, hebben de manspersoon geadviseerd binnen te blijven. Wij hebben dit gedaan omdat er bij de voordeur en in de gang een dichte rookwolk hing. Wij zagen toen deze rook weg trok de manspersoon naar buiten komen. De manspersoon betrof [benadeelde] .
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] ) met bijlagen van 6 maart 2025, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten:
Op donderdag 6 maart 2025 om 07:50 uur kwam ik, naar aanleiding van een brandstichting en of explosie, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] .
Schadebeeld analyse
Deze woning was aangetast door een explosie en of explosieve verbranding en was met name aan de voorzijde aangetast door een explosie en of explosieve verbranding. Ter hoogte van het slot welke deel uit maakte van de toegangsdeur, welke in zijn geheel aanwezig was, zag ik schade passend bij een explosie en of explosieve verbranding. Voor deze toegangsdeur buiten lagen diverse delen van illegaal vuurwerk (Cobra 6), zwarte taperesten en delen van een plastic fles aangetast door vuur. Binnen achter de toegangsdeur lagen diverse kleine papieren snippers op de vloer, vermoedelijk afkomstig van vuurwerk. Gezien de totale schade was deze beperkt gebleven tot deze hal en de omgeving van deze toegangsdeur, plafond en vloer.
PD-onderzoek
Gezien de schade aan de voordeur en de brandpatronen hierop had hier op deze deur een VBO (Vuurwerk Brandstof Combinatie) middels tape geplakt gezeten. Deze was dus hier op slothoogte geëxplodeerd en heeft aansluitend een brand veroorzaakt.
Samenvatting
Gezien de aangetroffen situatie, onderzoeksresultaten en de mij bekomen informatie was het mogelijk dat: hier een explosie en of explosieve verbranding had plaats gevonden door dat hier opzettelijk vuurwerk was ingebracht en ontstoken op de voordeur van genoemde woning. Zowel de drukgolf, hitte-inwerking. rondslingerende resten, scherfwerking dan wel een mogelijk ontstaan van een brand zou voor personen in de omgeving van deze explosie letsel in verschillende gradaties te duchten zijn geweest. Indien personen op moment van de explosie op zeer geringe afstand zich bevonden hadden van de explosiehaard dan was er ernstig tot dodelijk letsel te duchten. De vluchtweg maakte deel uit van de gang waar de explosie en de brand woedde. Bij deze explosie en of explosieve verbranding was dan ook gemeen gevaar voor goederen te duchten, zoals bedoeld in artikel 157 onder 1e wetboek van strafrecht.
Gezien de aanzienlijke hoeveelheid brandbare materialen die daar vlak bij deze explosiehaard stonden, had deze brand zich kunnen ontwikkelen en mogelijk had deze brand zich snel tot een oncontroleerbare brand kunnen ontwikkelen met alle gevolgen. Wanneer deze brand (voordeur en kozijn) zich oncontroleerbaar had ontwikkeld dan hadden personen die zich daar op dat moment in de woning hadden bevonden, gevaar gelopen. Indien iemand zich op dit vroeg tijdstip in de nabijheid van deze explosie had bevonden had deze persoon zich kunnen verwonden, lichamelijke schade op kunnen lopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat explosies en brandstichting gepaard gaat met rook en dat brand en rook zich snel verspreiden. Rookontwikkeling draagt, naar de algemene ervaringsregel leert, een gevaar voor de gezondheid in zich met mogelijk fatale gevolgen. Om deze reden was het aannemelijk dat ten tijde van de explosie en brandstichting naar algemene ervaringsregels sprake was van een voorzienbaar levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 maart 2025, opgenomen op pagina 167 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant:
Onder de [medeverdachte] werd een Apple iPhone 11 Pro in beslag genomen. Op de iPhone 11 Pro tref ik meerdere afbeeldingen, video’s en audiobestanden aan gerelateerd aan het strafbare feit.
Video IMG 0046.MP4
Op de video zie ik dat een telefoon wordt vastgehouden.
Op deze telefoon wordt een korte video afgespeeld.
Op deze video zie ik een PET-fles voorzien van een paarskleurige dop. Ik zie twee zwartkleurige voorwerpen vastzitten aan deze PET-fles. Ik zie dat deze twee zwartkleurige voorwerpen middels zwarte tape vast zitten aan de PET-fles. Ik zie dat de PET-fles gevuld is met een geelkleurige substantie. Ik zie uit één van de zwarte voorwerpen een groen lont steken. Zie hiervoor afbeelding 8.
Ik zie dat deze PET-fles op een deurknop staat. Ik zie dat er een hand in beeld komt. Ik zie dat deze hand voorzien is van een zwartkleurige handschoen. Ik zie dat deze hand een aansteker vasthoudt.
Ik zie dat het gaat om de voordeur van [adres 2] .
(afbeelding 8 ingevoegd)
Ik zie dat de aansteker 'ontstoken' wordt.
Ik zie dat er een lont gaat branden. Zie hiervoor afbeelding 11.
(afbeelding 11 ingevoegd)
Ik zie dat persoon die filmt weg rent over [adres 2] .
Ik zie dat de persoon stil blijft staan en in de richting van [adres 2] filmt.
Ik zie hierop een 'steekvlam' en rook ontstaan. Vervolgens zie ik een explosie.
Zie hiervoor afbeeldingen 14 en 15.
(afbeeldingen 14 en 15 ingevoegd)
Bewijsoverweging
Niet ter discussie staat dat verdachte zich samen met een of meer anderen op 6 maart 2025 schuldig heeft gemaakt aan het tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom bij een woning te [plaats 1] en dat daarbij gemeen gevaar voor goederen was te duchten.
De vraag die het hof dient te beantwoorden is of bij deze ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander was te duchten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, is hiervoor vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels te voorzien moet zijn geweest.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting stelt het hof vast dat verdachte op 6 maart 2025 samen met een of meer anderen naar de woning aan [adres 2] is gegaan. Verdachte heeft een vuurwerkbom, bestaande uit twee Cobra’s 6 gekoppeld aan een PET-fles met ontbrandbare vloeistof, aan de voordeur van de woning bevestigd en heeft deze vuurwerkbom vervolgens tot ontploffing gebracht. Ten gevolge daarvan is er een steekvlam ontstaan die, zoals blijkt uit de foto’s in het dossier, tot aan de bovenkant van de voorgevel van de woning reikte. Door de ontploffing is er schade aan de voordeur van de woning ontstaan. De ontploffing vond plaats in de nachtelijke uren, te weten rond 02:09 uur. Op dat moment lag de 72-jarige bewoner, die in de woning aanwezig was, te slapen. Hij werd wakker van een doffe dreun en hoorde kort daarna zijn rookmelders afgingen. Vervolgens is hij naar de overloop gelopen waar hij een rooklucht rook. Ook zag hij rook in het trapgat. Toen is hij naar beneden gelopen en heeft hij geprobeerd de voordeur op te doen. Dit lukte niet omdat het slot van de voordeur gloeide. Om 02:14 uur kwamen twee politieambtenaren, die door een oplettende buurtbewoner waren gealarmeerd, ter plaatse. Zij zagen dat de voordeur en het kozijn van de woning in brand stonden. Nadat zij de brand hadden geblust, hebben zij de voordeur geforceerd zodat de bewoner de woning kon verlaten.
Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer zwaar vuurwerk in combinatie met een vloeibare brandstof als brandversneller wordt afgestoken, hierdoor een onbeheersbare brand en rookontwikkeling kan ontstaan die snel om zich heen kan grijpen. Daarnaast heeft verdachte midden in het centrum aan de deur van een oude (tussen)woning een explosief tot ontploffing gebracht gedurende de nachtelijke uren, te weten een tijdstip waarop de meeste personen liggen te slapen. Enkel dankzij de onmiddellijke melding van een buurtbewoner en het daarop volgende snelle ingrijpen van de politie is voorkomen dat de ten gevolge van de ontploffing ontstane brand zich verder heeft uitgebreid. Het is duidelijk dat aangever [benadeelde] lag te slapen in de woning en bij ontdekking van de brand panische momenten heeft gehad omdat door de rook en de brand zijn uitweg naar buiten werd belemmerd.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat ten tijde van het tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Dat de bewoner mogelijk via een andere route dan de voordeur de woning wellicht had kunnen verlaten, doet hier niet aan af, al was het alleen maar doordat de rook het voor hem lastig maakte te weten waar de brand feitelijk woedde. Los daarvan was ook heel goed denkbaar dat de bewoner door de knal zou heen slapen. Het spreekt voor zich dat mensen die in een woning liggen te slapen levensgevaar en gevaar voor zwaar letsel lopen als zich in die woning een brand ontwikkelt.
Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman en acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 6 maart 2025 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, zijnde een Cobra, gekoppeld aan een fles met ontbrandbare vloeistof, tegen de voordeur van een woning gelegen aan [adres 2] te bevestigen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning en een (voor)deur en kozijn(en) en ruit(en) en de pui en de vloer en het plafond (van de hal) en de inventaris en (overige) in het pand aanwezige goederen en ruimte(s) te duchten was en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde] te duchten was.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, onder verwijzing naar jurisprudentie, de richtlijnen van het openbaar ministerie, de relatief beperkte schade aan de woning van het slachtoffer alsmede de jonge leeftijd van verdachte, verzocht om een lagere straf aan op te leggen dan waartoe verdachte door de rechtbank is veroordeeld.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een woning. In de nacht van 6 maart 2025 is verdachte in opdracht van een onbekend gebleven ander samen met [medeverdachte] naar [adres 2] gereden om daar een vuurwerkbom bij een woning te plaatsen. Nadat verdachte de vuurwerkbom tot ontploffing had gebracht, is er bij de voordeur van de woning een brand ontstaan. De bewoner, die op dat moment boven lag te slapen, werd wakker van een doffe dreun en een brandalarm dat afging. Toen hij zag dat de overloop vol rook stond, is hij naar beneden gelopen. Omdat het slot van de voordeur gloeide, kon hij zijn woning niet uitkomen. De politie, die door een oplettende buurtbewoner was gealarmeerd, heeft de bewoner uiteindelijk uit de woning bevrijd door de brand te blussen en de deur te forceren.
Door aldus te handelen heeft verdachte de bewoner veel schrik en angst aangejaagd, zoals blijkt uit de slachtofferverklaring. Dergelijke explosies leiden daarnaast tot veel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid niet alleen bij het slachtoffer en de directe woonomgeving, maar ook in de samenleving.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 24 juli 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit het dossier en tijdens het onderzoek op de terechtzitting van het hof door verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.
Uit het reclasseringsrapport van 21 november 2025 blijkt dat verdachte op meerdere leefgebieden in principe zelfstandig functioneert, maar onvoldoende in staat is gebleken om financiële problemen op adequate en legale wijze op te lossen. Daarnaast signaleert de reclassering mogelijk onderliggende psychische problemen bij verdachte, en risico’s als het gaat om het maken van verkeerde keuzes en een gebrek aan toekomstgericht denken. Gezien de ernst van het feit, in combinatie met eerdere veroordelingen en verdenkingen op jonge leeftijd, acht de reclassering een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek geïndiceerd. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld en adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit is het hof van oordeel dat niet met een andere straf kan worden volstaan dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. In de motivering van de straf heeft de rechtbank de nadruk gelegd op de generale preventie en daarmee met deze straf een duidelijk signaal naar anderen willen afgeven.
Naast de generale preventie zijn er andere strafdoelen en belangen die de rechter dient af te wegen bij de vraag welke straf passend en geboden is, zoals de speciale preventie en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof komt, gelet op de jonge leeftijd van verdachte alsmede de hoogte van de opgelegde straffen in soortgelijke zaken, in het onderhavige geval tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd. Daarmee wil het hof overigens niet aangeven dat het door verdachte gepleegde strafbare feit niet zo ernstig is. Het hof houdt enkel wat meer rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.600,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk moet worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de strafvergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aan het oordeel van het hof gerefereerd ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij mee dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat de gevorderde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de Rotterdamse schaal, is het door de benadeelde partij gevorderde schadebedrag naar het oordeel van het hof billijk. De vordering wordt daarom toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 maart 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. M.C. Fuhler en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 september 2026.