Strafprocesrecht
Veroordeling wegens medeplichtigheid aan (medeplegen van) opzettelijk ontploffing teweegbrengen door afsteken…
ECLI:NL:GHARL:2026:5826 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-5826
Zaakgegevens
Op 9 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Datum publicatie
- 9 september 2026
- Zaaknummer
- 21-000830-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:5826
Samenvatting
Veroordeling wegens medeplichtigheid aan (medeplegen van) opzettelijk ontploffing teweegbrengen door afsteken vuurwerkbom bij woning tot gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Sprake van gemeen gevaar voor goederen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000830-26
Uitspraakdatum: 9 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 18 december 2025 met parketnummer 08-069959-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 09-072211-24, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
op dit moment verblijvende [verblijfplaats]
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 18 december 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld voor - kort gezegd - het in vereniging tot ontploffing brengen van een vuurwerk-brandstof-combinatie bij een woning tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, ter hoogte van € 1.600,00, hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot ten uitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, toegewezen, en de inbeslaggenomen telefoon verbeurd verklaard.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en de straf dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primair
hij of op omstreeks 6 maart 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandbom-combinatie, zijnde een Cobra, althans vuurwerk, gekoppeld aan een fles(je) met ontbrandbare vloeistof, bij en/of tegen de voordeur van een woning/pand gelegen aan [adres 2] te leggen en/of bevestigen, althans in de dichte nabijheid van/voor die woning te plaatsen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning/het pand en/of een (voor)deur en/of kozijn(en) en/of ruit(en) en/of pui(en) en/of de vloer en/of het plafond (van de hal) en/of de inventaris en/of (overige) in het pand aanwezige
goederen en/of ruimte(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (onder meer) [benadeelde] te duchten was;
subsidiair
[medeverdachte] en/of een of meer (andere) onbekend gebleven personen, in elk geval een ander dan verdachte, of op omstreeks 6 maart 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandbom-combinatie, zijnde een Cobra, althans vuurwerk, gekoppeld aan een fles(je) met ontbrandbare vloeistof, bij en/of tegen de voordeur van een woning/pand gelegen aan [adres 2] te leggen en/of bevestigen, althans in de dichte nabijheid van/voor die woning te plaatsen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en/of brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning/het pand en/of een (voor)deur en/of kozijn(en) en/of ruit(en) en/of pui(en) en/of de vloer en/of het plafond (van de hal) en/of de inventaris en/of (overige) in het pand aanwezige goederen en/of ruimte(s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (onder meer) [benadeelde] te duchten was,
tot en/of bij het plegen van voorgenoemd misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of omstreeks 6 maart 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest, door
- contact te onderhouden met de [medeverdachte] en/of af te spreken met die medeverdachte (teneinde hem, die [medeverdachte] , op te halen) en/of
- een voertuig (personenauto) te besturen en/of
- ( met dit voertuig) die [medeverdachte] te vervoeren (naar [plaats 1] ) en/of op te wachten en/of, na de ontploffing en/of brandstichting, weg te rijden, teneinde de vlucht (van die [medeverdachte] ) mogelijk te maken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat sprake was van een intensieve samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] en dat diens rollen inwisselbaar waren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte alleen [medeverdachte] op zijn verzoek naar [plaats 1] heeft gereden en geen wetenschap heeft gehad van het willen afsteken van een vuurwerkbom door [medeverdachte] . Hij had dus geen opzet op dat gronddelict en ook geen opzet op het behulpzaam zijn bij het plegen van dat delict. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake was van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en dat de rol van verdachte van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger te kunnen aanmerken.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van het hof van het hof gerefereerd ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Oordeel van het hof
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Het hof komt tot een bewezenverklaring en gebruikt daarvoor de hierna genoemde bewijsmiddelen:
1. De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van de rechtbank op 27 november 2025, inhoudende:
Op 6 maart 2025 was ik de bestuurder van de BMW. Het klopt dat ik deze auto had gehuurd van 18 februari 2025 tot 6 maart 2025 om 15:00 uur voor € 1.327,01. Ik heb [medeverdachte] opgehaald en wij zijn vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] gereden. Toen ik in [plaats 1] kwam heb ik de auto in een straat geparkeerd. [medeverdachte] is toen uit de auto gestapt. Ik heb in de auto gewacht en ben daarna samen met [medeverdachte] weer weggereden uit [plaats 1] .
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 6 maart 2025, opgenomen op pagina 33 en volgende van het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnummer ON2R025014/WASBEER25 van 24 juli 2025, inhoudende de verklaring van [benadeelde] :
Op donderdag 6 maart 2025 was ik alleen aanwezig in mijn woning. Deze woning is gevestigd aan [adres 2] . Omstreeks 02:10 uur hoorde ik een doffe dreun. Ik werd hier wakker van. Later hoorde ik de rookmelders in mijn woning af gaan. Ik ben toen naar de overloop gelopen. Ik rook toen een rooklucht. Ik zag in het trappengat rook. Ik ben toen naar beneden gelopen. Ik zag dat de keuken ook vol rook stond. Ik ben toen in paniek naar de voordeur gelopen. Ik probeerde de voordeur open te doen. Dit lukte niet. Ondertussen zag ik dat het slot van de voordeur gloeide.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 juli 2025, opgenomen op pagina 305 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] :
A: Ik werd benaderd dat ik iets voor een huis moest zetten.
V: Maar wat moest je voor de deur zetten dan?
A: Een Cobra.
V: Welke instructies kreeg je?
A: Ik moest hem op die deur zetten.
V: Het gaat toch niet vanzelf aan?
A: Ja ik stak het aan. Die knal was echt niet normaal.
V: Hoe zou deze opdrachtgever dan weten datje de klus geklaard hebt?
A: Ik had een telefoon meegekregen en daar moest ik het ook mee filmen.
V: Wat heb je tegen [verdachte] verteld over wat er zou gaan gebeuren die avond?
A: Ik had hem gezegd dat ik iets zou ophalen.
V: Wat was iets dan?
A: Ja, een bom. Een vuurwerkbom.
O: Daarbij komen jullie om 02:07 uur al aanrijden in de [straatnaam 1] . Jullie staan daar dan een minuut stil voordat je uitstapt.
V: Wat doe je daar op dat moment?
A: Ja, uitstappen.
V: Maar je staat 1 minuut stil. Wat doe je dan?
A: Ja, wat ik net al zei spanning. Tot in mijn keel. Het was echt niet normaal hoeveel spanning.
V: Wat heb je besproken in die 1 minuut?
A: Ja gewoon wat die opdrachtgever zei.
V: Was de cobra helemaal ready om direct op de plakken?
A: Ja, hij was helemaal ready.
V: Omschrijf hem eens, die bom.
V: Volgens mij een cobra. Met volgens mij iets eraan. Een flesje of iets.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van de terechtzitting bij de rechtbank van 27 november 2025, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :
Ik heb op 6 maart 2025 in [plaats 1] bij een woning aan de [adres 2] een vuurwerkbom tegen de voordeur bevestigd en aangestoken. Ik heb dit in opdracht gedaan van een persoon. Ik heb aan [verdachte] gevraagd of hij mij naar [plaats 1] wilde brengen. De vuurwerkbom lag los achter in de auto op de achterbank. Er zat dus geen tas of iets dergelijks omheen. Ik heb mijn jas aangedaan, vanaf de passagiersstoel voorin de vuurwerkbom gepakt, ben uit de auto gestapt en naar de woning gelopen. Bij de woning heb ik de vuurwerkbom geplaatst en afgestoken en ik ben daarna weer teruggegaan naar de auto.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2025, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant:
Het betreft een telefoongesprek tussen de melder en de centralist van de meldkamer 112 van
de politie. Dit gesprek vond plaats op 6 maart 2025, omstreeks 02:10 uur.
Centralist: Meldkamer politie 112. Wat is het adres van uw noodgeval?
Melder: [adres 3] . Stopt een BMW. Eentje stapt er uit. Heeft een vuurwerkbom afgestoken. En is die gelijk weggereden met de BMW.
Centralist: Ok. maar die vuurwerkbom is afgegaan?
Melder: Ja, is ook afgegaan.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 maart 2025, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten:
Op donderdag 6 maart 2025 omstreeks 02:14 uur zagen wij, verbalisanten, een manspersoon
welke de melder bleek te zijn. Wij hoorden hij op dat moment het Operationeel Centrum nog
aan de telefoon had. Wij, verbalisanten, vroegen hem of hij de politie gebeld had. Wij hoorden
de melder zeggen dat dat klopte. Wij zagen dat hij de [straatnaam 2] in wees met zijn arm, hand
en vinger en hoorden hem zeggen dat daar de knal vandaan kwam.
Wij, verbalisanten, zagen dat de voordeur en het kozijn van [adres 2] in brand stonden. Ik, [verbalisant] , heb de brandblusser uit ons dienstvoertuig gepakt en heb deze brand geblust. Wij, verbalisanten, hoorden in het pand een manspersoon schreeuwen. Ik, [verbalisant] , heb hierop de deur met één trap opengetrapt. Wij, verbalisanten, hebben de manspersoon geadviseerd binnen te blijven. Wij hebben dit gedaan omdat er bij de voordeur en in de gang een dichte rookwolk hing. Wij zagen toen deze rook weg trok de manspersoon naar buiten komen. De manspersoon betrof [benadeelde] .
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] ) met bijlagen van 6 maart 2025, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant:
Op donderdag 6 maart 2025 om 07:50 uur kwam ik, naar aanleiding van een brandstichting en of explosie, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] .
Schadebeeld analyse
Deze woning was aangetast door een explosie en of explosieve verbranding en was met name aan de voorzijde aangetast door een explosie en of explosieve verbranding. Ter hoogte van het slot welke deel uit maakte van de toegangsdeur, welke in zijn geheel aanwezig was, zag ik schade passend bij een explosie en of explosieve verbranding. Voor deze toegangsdeur buiten lagen diverse delen van illegaal vuurwerk (Cobra 6), zwarte taperesten en delen van een plastic fles aangetast door vuur. Binnen achter de toegangsdeur lagen diverse kleine papieren snippers op de vloer, vermoedelijk afkomstig van vuurwerk. Gezien de totale schade was deze beperkt gebleven tot deze hal en de omgeving van deze toegangsdeur, plafond en vloer.
PD-onderzoek
Gezien de schade aan de voordeur en de brandpatronen hierop had hier op deze deur een VBO (Vuurwerk Brandstof Combinatie) middels tape geplakt gezeten. Deze was dus hier op slothoogte geëxplodeerd en heeft aansluitend een brand veroorzaakt.
Samenvatting
Gezien de aangetroffen situatie, onderzoeksresultaten en de mij bekomen informatie was het mogelijk dat: hier een explosie en of explosieve verbranding had plaats gevonden door dat hier opzettelijk vuurwerk was ingebracht en ontstoken op de voordeur van genoemde woning. Zowel de drukgolf, hitte-inwerking. rondslingerende resten, scherfwerking dan wel een mogelijk ontstaan van een brand zou voor personen in de omgeving van deze explosie letsel in verschillende gradaties te duchten zijn geweest. Indien personen op moment van de explosie op zeer geringe afstand zich bevonden hadden van de explosiehaard dan was er ernstig tot dodelijk letsel te duchten. De vluchtweg maakte deel uit van de gang waar de explosie en de brand woedde. Bij deze explosie en of explosieve verbranding was dan ook gemeen gevaar voor goederen te duchten, zoals bedoeld in artikel 157 onder 1e wetboek van strafrecht.
Gezien de aanzienlijke hoeveelheid brandbare materialen die daar vlak bij deze explosiehaard stonden, had deze brand zich kunnen ontwikkelen en mogelijk had deze brand zich snel tot een oncontroleerbare brand kunnen ontwikkelen met alle gevolgen. Wanneer deze brand (voordeur en kozijn) zich oncontroleerbaar had ontwikkeld dan hadden personen die zich daar op dat moment in de woning hadden bevonden, gevaar gelopen. Indien iemand zich op dit vroeg tijdstip in de nabijheid van deze explosie had bevonden had deze persoon zich kunnen verwonden, lichamelijke schade op kunnen lopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat explosies en brandstichting gepaard gaat met rook en dat brand en rook zich snel verspreiden. Rookontwikkeling draagt, naar de algemene ervaringsregel leert, een gevaar voor de gezondheid in zich met mogelijk fatale gevolgen. Om deze reden was het aannemelijk dat ten tijde van de explosie en brandstichting naar algemene ervaringsregels sprake was van een voorzienbaar levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 maart 2025 met bijlagen, opgenomen op pagina 167 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant:
Onder de [verdachte] werd een Apple iPhone 11 Pro in beslag genomen. Op de iPhone 11 Pro tref ik meerdere afbeeldingen, video’s en audiobestanden aan gerelateerd aan het strafbare feit.
Video IMG 0046.MP4
Op de video zie ik dat een telefoon wordt vastgehouden.
Op deze telefoon wordt een korte video afgespeeld.
Op deze video zie ik een PET-fles voorzien van een paarskleurige dop. Ik zie twee zwartkleurige voorwerpen vastzitten aan deze PET-fles. Ik zie dat deze twee zwartkleurige voorwerpen middels zwarte tape vast zitten aan de PET-fles. Ik zie dat de PET-fles gevuld is met een geelkleurige substantie. Ik zie uit één van de zwarte voorwerpen een groen lont steken. Zie hiervoor afbeelding 8.
Ik zie dat deze PET-fles op een deurknop staat. Ik zie dat er een hand in beeld komt. Ik zie dat deze hand voorzien is van een zwartkleurige handschoen. Ik zie dat deze hand een aansteker vasthoudt.
Ik zie dat het gaat om de voordeur van [adres 2] .
(afbeelding 8 ingevoegd)
Ik zie dat de aansteker 'ontstoken' wordt.
Ik zie dat er een lont gaat branden. Zie hiervoor afbeelding 11.
(afbeelding 11 ingevoegd)
Ik zie dat persoon die filmt weg rent over de [straatnaam 2] .
Ik zie dat de persoon stil blijft staan en in de richting van [adres 2] filmt.
Ik zie hierop een 'steekvlam' en rook ontstaan. Vervolgens zie ik een explosie.
Zie hiervoor afbeeldingen 14 en 15.
(afbeeldingen 14 en 15 ingevoegd)
Bewijsoverweging
Het hof verenigt zich met de volgende overwegingen van de rechtbank waar de feiten worden vastgesteld (hierna cursief weergegeven):
Verdachte heeft van 18 februari 2025 tot 6 maart 2025 om 15:00 uur een auto van het merk BMW gehuurd voor € 1.327.01. (…)
Verdachte heeft op 6 maart 2025 [medeverdachte] opgehaald en is met hem vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] gereden.
Er heeft enige tijd een onverpakte vuurwerk-brandstof-combinatie (hierna ook wel vuurwerkbom genoemd) op de achterbank van de auto gelegen. Verdachte en [medeverdachte] hebben enige tijd stilgestaan aan de [straatnaam 1] in [plaats 1] . [medeverdachte] heeft toen, voordat hij uit de auto stapte, vanaf de passagiersstoel voorin de vuurwerkbom gepakt. Het hof voegt toe dat uit bewijsmiddel 3 blijkt dat [medeverdachte] op dat moment met verdachte heeft besproken wat de opdrachtgever zei. Ook heeft hij met verdachte over het ophalen van een vuurwerkbom gesproken. [medeverdachte] is vervolgens uit de auto gestapt en naar de woning aan [adres 2] gelopen. [medeverdachte] heeft de vuurwerkbom tegen de voordeur bevestigd en aangestoken. Dit heeft hij gefilmd met een telefoon. Toen de vuurwerkbom afging hoorde [medeverdachte] een harde knal. Hierna is hij weer teruggegaan naar de auto en ingestapt.
De bewoner van de woning, [benadeelde] , sliep op dat moment en werd wakker van een doffe dreun. Vervolgens hoorde hij de rookmelders in zijn woning afgaan. Toen hij naar de overloop liep rook hij een rooklucht. In het trappengat zag hij rook. Toen hij naar beneden ging zag hij dat de keuken ook vol met rook stond. [benadeelde] wilde door de voordeur naar buiten, maar het slot van de voordeur gloeide, waardoor hij de voordeur niet kon openen en zijn woning niet kon verlaten.
Omstreeks 02:10 uur werd 112 gebeld. De melder meldde te hebben gezien dat een BMW bij de [straatnaam 1] in [plaats 1] stilstond. Een persoon uit deze auto had een vuurwerkbom afgestoken. De persoon stapte daarna weer in de BMW waarna de BMW wegreed.
De ter plaatse gekomen politieagenten zagen dat de voordeur en het kozijn van de [adres 2] in brand stonden. Zij hebben de brand geblust en de deur ingetrapt waarna [benadeelde] uit de woning kon worden gehaald.
Uit camerabeelden van [winkelnaam] , gelegen aan de [straatnaam 1] in [plaats 1] , volgt dat om 02:07:28 uur de BMW met daarin verdachte en [medeverdachte] aan komt rijden en parkeert. Om 02.08:31 uur stapt [medeverdachte] uit de auto en loopt hij de [straatnaam 2] in. Om 02.09:42 uur is er een lichtflits van de explosie te zien waarna om 02:09:48 uur [medeverdachte] uit de [straatnaam 2] komt rennen en in de BMW stapt, waarna verdachte als bestuurder de BMW om 02:09:55 uur wegrijdt. (…)
De voorzijde van de woning aan de [adres 2] was aangetast door de explosieve verbranding. De explosiehaard zag op de omgeving van de toegangsdeur. Vlak bij de explosiehaard stond een aanzienlijke hoeveelheid brandbare materialen. Gezien de schade aan de voordeur en de brandpatronen, is met het explosief op slothoogte een brandbare vloeistof tot ontploffing gebracht met een daaropvolgende brand. De vluchtweg naar buiten maakte deel uit van de gang waar de explosie plaatsvond en de brand woedde. Het hof voegt toe dat uit bewijsmiddelen 7 en 8 blijkt dat het explosief bestaat uit twee Cobra’s 6, gekoppeld aan een PET-fles met ontbrandbare vloeistof.
Over de rol van verdachte overweegt de rechtbank als volgt:
Verdachte heeft verklaard dat (…) [medeverdachte] (…) hem heeft verzocht om samen met hem naar [plaats 1] te rijden om een partij hasj af te leveren. Verdachte zou daarvoor € 200,- en een tank benzine krijgen. Verdachte wist niet dat [medeverdachte] een vuurwerkbom zou gaan aansteken. (…)
De rechtbank acht de verklaring van verdachte, die erop neerkomt dat hij niet wist dat [medeverdachte] in [plaats 1] een vuurwerkbom tot ontploffing zou brengen, niet geloofwaardig. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij in opdracht van een persoon een vuurwerkbom moest plaatsen en aansteken aan [adres 2] en dit moest filmen. De vuurwerkbom heeft volgens de verklaring van [medeverdachte] ter zitting enige tijd onverpakt op de achterbank van de auto gelegen die door verdachte werd bestuurd. Terwijl verdachte op de bestuurdersstoel zat en [medeverdachte] op de passagiersstoel naast hem, heeft [medeverdachte] de vuurwerkbom van de achterbank gepakt en vervolgens daarmee de auto verlaten. Het hof voegt toe dat in de minuut voor het uitstappen [medeverdachte] naar zijn zeggen met verdachte heeft besproken wat de opdrachtgever had gezegd. De explosie heeft een harde knal en lichtflits teweeggebracht, wat verdachte niet ontgaan kan zijn, alleen al gelet op de verklaring van [medeverdachte] daarover (“die knal was echt niet normaal"). [medeverdachte] heeft op 1 juli 2025 bij de politie verklaard dat hij met verdachte heeft gesproken over het ophalen van een vuurwerkbom. (…)
Het hof volgt ook deze overwegingen van de rechtbank en in aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
Nu de verklaring van [medeverdachte] - in tegenstelling tot de verklaring van verdachte - op veel punten wordt ondersteund door de objectieve bewijsmiddelen in het dossier, acht het hof de verklaring van [medeverdachte] daarom betrouwbaar en gaat uit van de juistheid daarvan.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie leidt dat verdachte wist dat [medeverdachte] een vuurwerkbom tot ontploffing zou brengen.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rol die verdachte heeft gehad bij het tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom van voldoende gewicht was om hem te kunnen veroordelen wegens medeplegen.
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de bijdrage van verdachte van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger te kunnen aanwijzen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gehad bij de (initiële) planning van de ontploffing dan wel dat hij betrokken is geweest bij de uitvoering van de ontploffing zelf. Ook het geldbedrag dat hij voor zijn rol zou krijgen is, gezien in het licht van het bedrag dat [medeverdachte] zou ontvangen, van een andere orde. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte een faciliterende rol gespeeld, door als bestuurder met [medeverdachte] naar de woning te rijden en hem van de plaats van het delict af te voeren. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde medeplegen en verdachte veroordelen voor de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.
De vraag die het hof ten slotte dient te beantwoorden is of bij ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander was te duchten. Niet ter discussie staat dat bij de ontploffing gemeen gevaar voor goederen was te duchten.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, is hiervoor vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels te voorzien moet zijn geweest.
Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer zwaar vuurwerk in combinatie met een vloeibare brandstof als brandversneller wordt afgestoken, hierdoor een onbeheersbare brand en rookontwikkeling kan ontstaan die snel om zich heen kan grijpen. Daarnaast heeft verdachte midden in het centrum aan de deur van een oude (tussen)woning een explosief tot ontploffing gebracht gedurende de nachtelijke uren, te weten een tijdstip waarop de meeste personen liggen te slapen. Enkel dankzij de onmiddellijke melding van een buurtbewoner en het daarop volgende snelle ingrijpen van de politie is voorkomen dat de ten gevolge van de ontploffing ontstane brand zich verder heeft uitgebreid. Het is duidelijk dat aangever [benadeelde] lag te slapen in de woning en bij ontdekking van de brand panische momenten heeft gehad omdat door de rook en de brand zijn uitweg naar buiten werd belemmerd.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat ten tijde van het tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Dat de bewoner mogelijk via een andere route dan de voordeur de woning had kunnen verlaten, doet hier niet aan af, al was het alleen maar doordat de rook het voor hem lastig maakte te weten waar de brand feitelijk woedde.
Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw en acht het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
subsidiair
[medeverdachte] op 6 maart 2025 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een zogenaamde vuurwerk-brandbom-combinatie, zijnde een Cobra, gekoppeld aan een fles met ontbrandbare vloeistof, tegen de voordeur van een woning gelegen aan [adres 2] te bevestigen en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht en brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor die woning en een (voor)deur en kozijn(en) en ruit(en) en de pui de vloer en het plafond (van de hal) en de inventaris en (overige) in het pand aanwezige goederen en ruimtes te duchten was en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde] te duchten was,
tot het plegen van voorgenoemd misdrijf verdachte, op 6 maart 2025 te [plaats 1] , opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door
- contact te onderhouden met de [medeverdachte] en af te spreken met die medeverdachte, teneinde hem, die [medeverdachte] , op te halen en
- een voertuig (personenauto) te besturen en
- met dit voertuig die [medeverdachte] te vervoeren naar [plaats 1] en op te wachten en, na de ontploffing en brandstichting, weg te rijden, teneinde de vlucht van die [medeverdachte] mogelijk te maken.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte primair moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar jurisprudentie, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, alsmede de jonge leeftijd van verdachte, verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest aan verdachte op te leggen.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (het medeplegen van) het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een woning. In de nacht van 6 maart 2025 is verdachte samen met [medeverdachte] naar de [straatnaam 2] in [plaats 1] gereden om daar een vuurwerkbom bij een woning te plaatsen. Nadat [medeverdachte] de vuurwerkbom tot ontploffing had gebracht, is er bij de voordeur van de woning een brand ontstaan. De 72-jarige bewoner, die op dat moment boven lag te slapen, werd wakker van een doffe dreun en een brandalarm dat afging. Toen hij zag dat de overloop vol rook stond, is hij naar beneden gelopen. Omdat het slot van de voordeur gloeide, kon hij zijn woning niet uitkomen. De politie, die door een oplettende buurtbewoner was gealarmeerd, heeft de bewoner uiteindelijk uit de woning bevrijd door de deur te forceren.
Door aldus te handelen heeft verdachte de bewoner veel schrik en angst aangejaagd, zoals blijkt uit de slachtofferverklaring. Dergelijke explosies leiden daarnaast tot veel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid niet alleen bij het slachtoffer en de directe woonomgeving, maar ook in de hele samenleving.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 24 juli 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De eerdere veroordelingen tellen in strafverzwarende zin mee.
Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit het dossier en tijdens het onderzoek op de terechtzitting van het hof door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht.
Uit het reclasseringsrapport van 30 mei 2025 blijkt dat verdachte al meermalen met justitie in aanraking is gekomen en sinds zijn detentie in 2020 zijn leven niet meer geheel op orde heeft gekregen. Ondanks dat het lijkt alsof verdachte stabiliteit ervaart door zijn familie en relatie, kan dit niet aangemerkt worden als beschermende factor aangezien dit hem eerder ook niet heeft weerhouden van delictgedrag. Zijn financiën kunnen worden aangemerkt als zowel criminogeen als delictgerelateerd. Ook de houding en beïnvloedbaarheid van verdachte worden gezien als zorgelijk. Verdachte is gediagnosticeerd met een benedengemiddeld IQ en disharmonisch profiel, waardoor hij overschat kan worden. In gesprek oogt hij onzeker en geeft hij aan moeite te hebben met het zeggen van nee waardoor hij in ongewenste situaties belandt. Volgens de reclassering kan worden afgevraagd in hoeverre hij dit inzet. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Ten slotte heeft het hof bij de strafoplegging in strafmatigende zin gelet op de omstandigheid dat het hof de bijdrage van verdachte aan het bewezenverklaarde anders beoordeelt dan de rol van de medeverdachte..
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit is het hof van oordeel dat niet met een andere straf kan worden volstaan dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur.
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. In de motivering van de straf heeft de rechtbank de nadruk gelegd op de generale preventie en daarmee met deze straf een duidelijk signaal naar anderen willen afgeven.
Naast de generale preventie zijn er andere strafdoelen en belangen die de rechter dient af te wegen bij de vraag welke straf passend en geboden is, zoals de speciale preventie en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Anders dan de rechtbank acht het hof niet medeplegen, maar medeplichtigheid bewezen. Verder komt het hof, gelet op de jonge leeftijd van verdachte alsmede de hoogte van de opgelegde straffen in soortgelijke zaken, in het onderhavige geval tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Verbeurdverklaring
Het subsidiair bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon. Deze telefoon behoort verdachte toe en wordt daarom verbeurdverklaard.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.600,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk moet worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de strafvergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de door hem ingestelde vordering tot schadevergoeding vanwege de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van het hof gerefereerd ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.
Oordeel van het hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij mee dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat de gevorderde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en de Rotterdamse schaal, is het door de benadeelde partij gevorderde schadebedrag naar het oordeel van het hof billijk. De vordering wordt daarom toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 09-072211-24 is verdachte op 4 juni 2024 door de politierechter veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf vanwege de bepleite vrijspraak moet worden afgewezen.
Oordeel van het hof
Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom beveelt het hof de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 24, 33, 33a, 36f, 47, 48, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL0600-2025101641-BZAI7933, Apple iPhone 11 Pro).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 maart 2025.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2024, parketnummer 09-072211-24, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. M.C. Fuhler en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 september 2026.