Strafprocesrecht
De militaire kamer van het hof verklaart bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld in strijd met het…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 juni 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:5977 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 18 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-5977
Zaakgegevens
Op 18 juni 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Datum publicatie
- 16 september 2026
- Zaaknummer
- 21-003536-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:5977
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De militaire kamer van het hof verklaart bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003536-23
Uitspraakdatum: 18 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 juli 2023 met parketnummer 05-020811-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de militaire politierechter in de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. M.L. Koper, is aangevoerd.
Het vonnis
De militaire politierechter in de rechtbank Gelderland heeft verdachte vrijgesproken ten aanzien van het tenlastegelegde feit.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de militaire politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 oktober 2021 te/op Curaçao opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2 (twee) gram/eenheden en/of een hoeveelheid ter grootte van een golfbal, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte cocaïne aanwezig heeft gehad.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
Het hof gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[medeverdachte 1] is op 19 oktober 2021 in Curaçao aangehouden in het onderzoek Invenire Nexum. [medeverdachte 1] heeft op 20 oktober 2021 bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij de maanden daarvoor regelmatig drugs aan militairen heeft geleverd. De militairen benaderden hem doorgaans via WhatsApp en bestelden meestal “sos”. [medeverdachte 1] maakte op WhatsApp gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
[medeverdachte 2] heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij cocaïne gebruikte en dat hij zijn drugs bestelde bij [naam taxibedrijf] . Het bestellen van de drugs gebeurde via WhatsApp en er werd door de dealer gebruikgemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
[medeverdachte 3] heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij cocaïne kocht bij [naam taxibedrijf] .
Verdachte heeft bij Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij op 8 oktober 2021 van taxichauffeur [medeverdachte 1] / [naam taxibedrijf] cocaïne heeft gekocht en dat hij die cocaïne in zijn broekzak bewaarde.
Nadere bewijsoverwegingen
Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] volgt dat er cocaïne werd gekocht bij de taxichauffeur [medeverdachte 1] . Het hof stelt vast dat “ [medeverdachte 1] ” [medeverdachte 1] betreft. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij cocaïne aan militairen leverde. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte en medeverdachten op enig moment hebben vermoed dat er iets anders dan cocaïne was geleverd als zij cocaïne hadden besteld en de geleverde drugs hadden gebruikt. Het standpunt van de verdediging dat de geleverde verdovende middelen geen cocaïne betroffen, is op geen enkele manier onderbouwd. Dat de tenlastegelegde verdovende middelen niet zijn getest, staat een bewezenverklaring daarom niet in de weg.
Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft, voor het geval het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht voor het tenlastegelegde feit, een voorwaardelijk verzoek gedaan om [medeverdachte 1] als getuige te horen.
Het hof acht het niet noodzakelijk om [medeverdachte 1] als getuige te horen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdediging de verklaring van [medeverdachte 1] alleen in die zin heeft betwist dat [medeverdachte 1] aan verdachte drugs maar geen cocaïne zou hebben verstrekt en dat zij die betwisting niet heeft onderbouwd. Bovendien vindt de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij aan de militairen cocaïne, aangeduid met “sos” en “C”, heeft geleverd steun in verscheidene andere bewijsmiddelen inclusief verklaringen van medeverdachten die net als verdachte de drugs hebben gebruikt. Er is geen aanknopingspunt dat als er cocaïne was besteld en gebruikt iets anders dan cocaïne zou zijn geleverd. De bewijsvoering bevat voldoende steunbewijs voor de verklaring van [medeverdachte 1] en in die bewijsvoering liggen factoren besloten die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid doordat zij steun geven aan de betrouwbaarheid van het betwiste onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 1] . Het hof is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat de verdediging [medeverdachte 1] niet heeft kunnen ondervragen, niet in de weg staat aan het gebruik van de door hem afgelegde verklaring voor het bewijs. Het strafproces is als geheel eerlijk verlopen. Het hof wijst het verzoek af.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 8 oktober 2021 te/op Curaçao opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2 (twee) gram/eenheden en/of een hoeveelheid ter grootte van een golfbal, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 405- subsidiair 8 dagen hechtenis.
De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof heeft in hoger beroep bij het bepalen van een eventueel op te leggen straf in aanmerking genomen de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van cocaïne. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen een gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat het gebruik van harddrugs indirect in relatie staat tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent het verdachte aan dat hij hieraan door het aanwezig hebben van cocaïne voor eigen gebruik heeft bijgedragen. Verdachte was militair en hij was ook toen al bekend met het beleid van Defensie op het gebied van drugs. Juist hij had ervoor moeten zorgen dat hij verre bleef van het aanwezig hebben van harddrugs.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Het hof constateert dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep met bijna elf maanden is overschreden.
Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde 23 jaar en hij is ten gevolge van deze strafzaak zijn baan bij Defensie kwijtgeraakt. Daarnaast heeft verdachte lopende het onderzoek door de Koninklijke Marechaussee twee weken huisarrest opgelegd gekregen in Curaçao.
Het hof bepaalt dat het vorenstaande in ogenschouw nemend aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Hoewel het bewezenverklaarde feit in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke straf rechtvaardigt, is verdachte al zozeer door het bewezenverklaarde getroffen dat een verdere bestraffing geen strafdoel meer dient.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door mr. R.H. Koning, mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. J.C.J. Legein, militair lid, in aanwezigheid van de griffier mr. M.E. Ruiter en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 juni 2026.
Mr. Legein is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 18 juni 2026.
Tegenwoordig:
mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter,
mr. A. Hermelink, advocaat-generaal,
mr. L. Jansen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.