Strafprocesrecht
Veroordeling voor opzetheling en witwassen van een elektrische fiets en het voorhanden hebben van een…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6626 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafprocesrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6626
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 21-001852-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6626
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor opzetheling en witwassen van een elektrische fiets en het voorhanden hebben van een gaspistool tot een taakstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. Alternatieve scenario’s verworpen.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001852-25
Uitspraakdatum: 15 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 16 april 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-310278-20 en 18-057429-22, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting van de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.B. Swart, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft, zoals volgt uit het hiervoor genoemde vonnis waartegen het hoger beroep gericht is:
-
verdachte van het onder 1 primair en subsidiair in de zaak met parketnummer 18-310278-20 tenlastegelegde vrijgesproken;
-
verdachte voor het onder 1 meer subsidiair (heling van een fiets) en 2 (voorhanden hebben van een gaspistool) in de zaak met parketnummer 18-310278-20 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 18-057429-22 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week met een proeftijd van een jaar en een taakstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-310278-20:
1.
hij, op of omstreeks 4 augustus 2020 te [plaats 1] , opzettelijk een elektrische fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever/slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als potentieel koper en voor het maken van een proefrit, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 4 augustus 2020 te [plaats 1] , een elektrische fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever/slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 augustus 2020 te [plaats 2] , een elektrische fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.
hij, op of omstreeks 4 augustus 2020, te [plaats 2] , althans in Nederland, een voorwerp, te weten een elektrische fiets, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een elektrische fiets gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
Zaak met parketnummer 18-057429-22 (gevoegd):
hij op of omstreeks 9 december 2021 te [plaats 2] , althans in de [gemeente] , althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gaspistool, merk Umarex, Walther Ppq), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen ten aanzien van de zaak met parketnummer 18-310278-20
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de politierechter bevestigd kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij – kort samengevat – aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Verdachte ontkent stellig dat hij de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Hij was die dag aan het werk waardoor het niet mogelijk is dat hij de feiten heeft gepleegd. De foto’s in het dossier van het WhatsApp-gesprek betreffen een screenshot. Omdat het niet mogelijk is dat in Whatsapp de berichten niet op chronologische volgorde staan, lijken deze beelden te zijn gefabriceerd. Om dit uit te sluiten had de politie de metadata moeten onderzoeken. Ook is het mogelijk dat de toenmalige partner van verdachte en haar nieuwe vriend de berichten hebben verstuurd, nu zijn ex-partner toegang had tot de telefoon van verdachte. De alternatieve scenario’s zijn niet uit te sluiten en daarom dient verdachte te worden vrijgesproken van deze feiten.
Het oordeel van het hof
Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair
Het hof is net als de politierechter, van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat verdachte degene is geweest die bij [aangever/slachtoffer] aan de deur is geweest en zich heeft voorgedaan als potentiële koper. Daarom spreekt het hof verdachte vrij van het onder 1 primair (verduistering) en subsidiair (diefstal) tenlastegelegde.
Bewezenverklaring feiten 1 meer subsidiair (heling) en 2 (witwassen) onder parketnummer 18-310278-20
Verdachte heeft aangevoerd dat voor de heling vrijspraak moet volgen. Het hof is van oordeel dat er ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest. Het hof overweegt als volgt.
Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.
Uit de aangifte van [aangever/slachtoffer] volgt dat hij op Marktplaats een advertentie heeft geplaatst voor de verkoop van een elektrische damesfiets van het merk Victesse, type Magnum voor een bedrag van € 350,-. Aangever heeft een afspraak met iemand met de [profielnaam] gemaakt. Op 4 augustus 2020 rond 12:45 uur verscheen een man voor de deur van aangever in [plaats 1] . Deze man wilde eerst een proefrit maken. Hij heeft toen van aangever de fiets meegekregen en is weggefietst zonder terug te keren en te betalen.
Op 6 augustus 2020 is een advertentie op Marktplaats geplaatst waarop te zien was dat de elektrische fiets van aangever te koop werd aangeboden. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de advertentie is geplaatst door [medeverdachte]
Naar aanleiding van de advertentie van [medeverdachte] is [verbalisant] naar diens adres gegaan. Daar trof hij [medeverdachte] aan en gaf verbalisant aan wat de reden van zijn komst was. [medeverdachte] bevestigde desgevraagd dat hij kortgeleden een elektrische damesfiets van het merk Victesse op Marktplaats had aangeboden. Vervolgens heeft hij zijn telefoon gepakt en deze aan verbalisant getoond. [medeverdachte] liet een WhatsApp-gesprek en een foto zien waarin een persoon met telefoonnummer [telefoonnummer] hem op 04-08-2020 om 12:55 uur een elektrische damesfiets van het merk Victesse aanbiedt. Verbalisant zag dat de fiets op de foto qua merk, type en kleur overeenkwam met de fiets van aangever. [medeverdachte] gaf aan dat hij de fiets op 4/5 augustus 2020 voor € 100,- van deze persoon, wonende in [plaats 2] , gekocht had. Deze fiets heeft hij vervolgens verkocht voor
€ 420,- aan een vrouw. Verbalisant heeft foto’s van het WhatsApp-gesprek gemaakt. Na onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in het politiesysteem is gekoppeld aan [verdachte] , geboren [geboortedag] 1995, wonende op de [adres 2] (het hof begrijpt: verdachte). De elektrische fiets is op 7 augustus 2020 aangetroffen bij de vrouw die de fiets van [medeverdachte] heeft gekocht. Vervolgens is deze fiets inbeslaggenomen.
Op de foto’s die de verbalisant heeft gemaakt is het volgende WhatsApp-gesprek te zien:
4 augustus 2020
[telefoonnummer] 12:55: Heb nog een fiets voor je
[medeverdachte] 14:07: Oke altijd foto’s sturen Naar mee
Vervolgens ontvangt [medeverdachte] van dit nummer om 16:29 uur foto’s van de elektrische fiets en is op de achtergrond een schuur te zien.
[telefoonnummer] 16:30: Heb alleen geen lader.
Op de foto’s is ook te zien dat voor en na dit gesprek op meerdere dagen berichten zijn verstuurd door het nummer [telefoonnummer] aan [medeverdachte] en andersom en dat deze berichten betrekking hebben op het verkopen/kopen van fietsen.
Op 13 augustus 2020 is [verbalisant] naar de voornoemde woning van verdachte in [plaats 2] gegaan. Omdat niet werd opengedaan, is hij naar de achtertuin van de woning gegaan. Hij zag dat de losstaande schuur precies leek op de schuur die op de foto met de fiets van aangever stond. Verbalisant heeft foto’s gemaakt van de schuur en deze gevoegd in het dossier.
Tijdens het verhoor van [medeverdachte] als verdachte heeft hij verklaard dat hij eerder van een ‘ [naam] ’ een fiets heeft gekocht en dat deze man in [plaats 2] woonachtig is. Op 4 augustus 2020 kreeg hij van ‘ [naam] ’ omstreeks 12:55 uur een fiets aangeboden via WhatsApp. [medeverdachte] is vervolgens naar hem gegaan en heeft daar de elektrische damesfiets van het merk Victesse van hem voor € 100,- gekocht.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het telefoonnummer [telefoonnummer] van hem is en dat hij de persoon is op de foto van de profielfoto op WhatsApp. Hij is daarop te zien met zijn dochtertje.
Het hof overweegt als volgt.
Allereest stelt het hof vast dat verdachte erkent dat het telefoonnummer dat te zien is op de foto’s van het WhatsApp-gesprek met [medeverdachte] , zijn nummer is. De verdediging heeft echter aangevoerd dat zij twijfels heeft over de authenticiteit van de WhatsApp-berichten in het dossier. Volgens de verdediging is het mogelijk dat deze berichten zijn gefabriceerd, omdat op één van de foto’s de berichten niet in chronologische volgorde staan. Het is volgens de verdediging mogelijk om met een app een vals gesprek te maken. Naar het oordeel van het hof is dat in de onderhavige zaak niet aannemelijk geworden. Het verweer van de verdediging presenteert slechts de mogelijkheid dat het WhatsApp-gesprek niet echt zou zijn, maar heeft geen concrete aanwijzingen aangedragen dat dit ook daadwerkelijk het geval is, enkel dat de chronologie ontbreekt. Het hof acht hierbij mede van belang dat de verbalisant onaangekondigd bij [medeverdachte] is verschenen en hem vragen heeft gesteld. [medeverdachte] heeft vervolgens op zijn telefoon een WhatsApp-gesprek laten zien. Van dit gesprek zijn door de verbalisant foto’s gemaakt. Het hof acht het mede gelet hierop niet aannemelijk dat [medeverdachte] (al voordat de verbalisant hem onverwachts bezocht) een vals gesprek met het nummer van verdachte heeft gemaakt en dit aan verbalisant heeft getoond. Hij had daar ook helemaal geen belang bij. Voor zover er onduidelijkheid bestond over de tijdstippen rechtsboven op het scherm van de telefoon heeft de verbalisant nadien door middel van een aanvullend proces-verbaal verduidelijking gegeven, namelijk dat hij de foto’s van het scherm van de telefoon op verschillende momenten heeft gemaakt. Verder merkt het hof op dat wat op de foto’s van de telefoon van [medeverdachte] te zien is geen screenshot is (zoals de advocaat heeft aangevoerd), maar een openstaande app, namelijk WhatsApp. Van dit gesprek zijn door de verbalisant meerdere foto’s gemaakt. Gelet op het voorgaande twijfelt het hof niet aan de authenticiteit van de foto’s van het WhatsApp-gesprek.
Verder heeft verdachte verklaard dat hij op de desbetreffende dag aan het werk was en dat zijn toenmalige partner de berichten naar [medeverdachte] heeft verzonden. Het hof is van oordeel dat verdachte deze verklaring geen handen en voeten heeft gegeven en dat door hem geen nadere gegevens zijn verstrekt die dit alternatieve scenario ook maar enigszins controleerbaar of aannemelijk maken, zoals een objectieve bevestiging dat hij elders was of een agenda waarin staat dat hij die dag aan het werk was. Het had op de weg van verdachte gelegen om dit wel te doen. Het hof acht het alternatieve scenario dat hij aan het werk was op de ten laste gelegde dag en dat zijn toenmalige partner de berichten heeft verzonden dan ook niet aannemelijk en schuift dit terzijde. Daar komt bij dat niet enkel rond de ten laste gelegde dag met zijn telefoon is geappt over de aan-/verkoop van fietsen, maar ook in de periode daarvoor. Verdachte heeft hiervoor geen plausibele verklaring gegeven. Het hof gaat er daarom van uit dat verdachte de berichten heeft verzonden en de fiets aan [medeverdachte] heeft verkocht.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de elektrische fiets van misdrijf afkomstig was. Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat zeer kort nadat de persoon is weggefietst met de elektrische fiets van aangever, de fiets aan [medeverdachte] wordt aangeboden met het telefoonnummer van verdachte. Hiertussen hebben slechts enkele minuten gezeten. Gelet op dit zeer korte tijdsverloop en het feit dat het hof vast heeft gesteld dat verdachte de berichten zelf heeft verzonden, staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de elektrische fiets wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Daarbij betrekt het hof dat verdachte een niet aannemelijke en niet verifieerbare verklaring heeft afgelegd. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – de ten laste gelegde opzetheling en witwassen. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-310278-20 onder 1 meer subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-057429-22 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
in de zaak met parketnummer 18-310278-20:
1. meer subsidiair
hij op 4 augustus 2020 te [plaats 2] een elektrische fiets voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.
hij op 4 augustus 2020 te [plaats 2] een voorwerp, te weten een elektrische fiets, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
in de zaak met parketnummer 18-057429-22:
hij op 9 december 2021 te [plaats 2] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gaspistool, merk Umarex, Walther Ppq), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-310278-20 onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
opzetheling.
Het in de zaak met parketnummer 18-310278-20 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Het in de zaak met parketnummer 18-057429-22 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling en het witwassen van een elektrische fiets. Dit is een vervelend feit dat naast overlast en hinder ook financiële schade veroorzaakt voor de gedupeerde. Verdachte houdt ook de afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand. Verdachte heeft met zijn handelen getoond geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.
Ook heeft verdachte een gaspistool voorhanden gehad. Hij heeft daarmee bijgedragen aan het ongecontroleerde bezit van vuurwapens. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Bij de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van verdachte van
1 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor soortgelijke strafbare feiten. Het hof weegt dit in strafverhogende zin mee.
Het hof constateert dat de redelijke termijn in eerste aanleg fors is overschreden. Gelet hierop legt het hof geen voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte meer op zoals de politierechter heeft gedaan maar komt het hof tot een andere strafmodaliteit, een taakstraf.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 50 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 dagen hechtenis, passend en geboden.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 417bis en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-310278-20 onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-310278-20 onder 1 meer subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-057429-22 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-310278-20 onder 1 meer subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-057429-22 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. F. van der Maden en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 15 oktober 2026.