Strafrecht overig
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 december 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:10676 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 december 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2018-10676
Zaakgegevens
Op 6 december 2018 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 6 december 2018
- Datum publicatie
- 10 december 2018
- Zaaknummer
- 21-001604-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2018:10676
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001604-16
Uitspraak d.d.: 6 december 2018
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel van 8 maart 2016 met parketnummer 08-910050-13 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1954] ,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens veroordeelde door zijn raadsman, mr. B.P.J. van Riel, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 118.463,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 8 maart 2016 de ontnemingsvordering afgewezen omdat zij onvoldoende aannemelijk acht dat veroordeelde enig wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 59.231,50.
De verdediging heeft zich, op grond van feiten en omstandigheden als genoemd in de pleitnota opgenomen, op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat onvoldoende vaststaat of er amfetamine is geproduceerd dan wel niet vast staat hoeveel er geproduceerd zou zijn.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij onherroepelijk arrest van 6 juni 2016 van dit hof (parketnummer 21-005565-14) ter zake van onder meer het vervaardigen/bereiden/bewerken van amfetamine en/of 4-methylamfetamine in de periode van 14 september tot en met 19 oktober 2013 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bij voornoemd vonnis bewezenverklaarde handelen en/of uit de baten van soortgelijke strafbare feiten, gepleegd voorafgaand aan voormelde periode, financieel voordeel heeft genoten.
Gelet op het onherroepelijk arrest staat het voor het hof vast dat er door veroordeelde en de medeveroordeelde amfetamine is geproduceerd.
Bij het vaststellen van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel door het produceren van de amfetamine neemt het hof als uitgangspunt het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie Eenheid Oost-Nederland.
Naar aanleiding van meldingen van buurtbewoners over een sterke chemische lucht wordt op 19 oktober 2013 door de politie een onderzoek ingesteld in de woning van [adres] te [woonplaats] . In de woning worden [veroordeelde] en [medeveroordeelde] aangehouden. Op basis van het onderzoek in de woning rees het vermoeden dat er sprake was van de vervaardiging van amfetamine.
Bij onderzoek in de woning en bijgebouwen aan de [adres] te [woonplaats] wordt een doos aangetroffen met daarop een sticker van [bedrijf] . Op de door dit bedrijf uitgeleverde pakbon is te zien dat op 9 september 2013 door veroordeelde twintig liter fosforzuur is afgehaald.
Door de politie is een berekening gemaakt over het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is verkregen door de bereiding van amfetamine met twintig liter fosforzuur.
Opbrengst
Mt behulp van twintig liter fosforzuur is het mogelijk om 260 kg amfetamine te produceren. Er is 17 kg nog niet verkochte amfetamine aangetroffen, zodat bij berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van 243 kg.
De verkoopprijs van amfetamine is € 600 per kg.
Opbrengst verkoopt: 243 x € 600 = € 145.800.
Kosten
De kosten voor het produceren van amfetamine bedragen € 180 per 1,6 kg. Per kilo is dit 112,50. De totale kosten zijn dan 243 x € 112,50 = € 27.337,50.
Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het bovenstaande komt het hof tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 145.800 - € 27.337,50 = € 118.462,50.
Veroordeelde en [medeveroordeelde] hebben beiden geen inzicht verschaft over de wijze waarop het verkregen voordeel is berekend. Nu er in het dossier geen anders duidende aanwijzingen voor een verdeling van het voordeel gaat het hof uit van een ponds ponds gewijze verdeling.
Dit houdt in dat de schatting van het wederrechtelijk voordeel wordt gesteld op de helft van
€ 118.462,50 = € 59.231,25.
Betalingsverplichting.
Het hof stelt vast de redelijke termijn van behandeling van deze zaak is overschreden.
Veroordeelde is op 19 oktober 2013 aangehouden. Op 8 maart 2016 heeft de rechtbank in deze zaak uitspraak gedaan. Uitgaande van een behandeling van de zaak binnen 24 maanden is de redelijke termijn van behandeling in eerste aanleg met vijf maanden overschreden.
In hoger beroep doet het hof op 5 december 2018 uitspraak in deze zaak. Ook in de procedure bij het hof is de redelijke termijn overschreden en wel met 8 maanden. Gelet op de overschrijdingen van de redelijke termijn zal het hof de betalingsverplichting met 5% matigen.
Het stelt daarom de verplichting tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgerond naar beneden op € 526.250.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 59.231,50 (negenenvijftigduizend tweehonderd eenendertig euro en vijftig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 56.250 (zesenvijftigduizend tweehonderdvijftig euro).
Aldus gewezen door
mr. R. de Groot, voorzitter,
mr. H. Abbink en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.W. Jansink, griffier,
en op 6 december 2018 ter openbare terechtzitting uitgesprokere terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 december 2018.
Tegenwoordig:
mr. R. de Groot, voorzitter,
mr. J.B.H.M. Simmelink, advocaat-generaal,
mr. G.W. Jansink, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De veroordeelde is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.