Strafrecht overig
Aan verdachte was tenlastegelegd, kort gezegd: het medeplegen van hennepteelt (primair verwijt). Als dit niet…
ECLI:NL:GHARL:2018:5771 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 juni 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2018-5771
Zaakgegevens
Op 22 juni 2018 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 juni 2018
- Datum publicatie
- 22 juni 2018
- Zaaknummer
- 21-004561-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2018:5771
Samenvatting
Aan verdachte was tenlastegelegd, kort gezegd: het medeplegen van hennepteelt (primair verwijt).
Als dit niet bewezen zou kunnen worden dan was het verwijt: medeplichtigheid aan hennepteelt door opzettelijk een pand voor hennepteelt beschikbaar te stellen (subsidiair verwijt).
De eerste rechter heeft verdachte veroordeeld voor het subsidiaire verwijt: medeplichtigheid aan hennepteelt.
Het hof heeft de zaak van verdachte opnieuw behandeld. Het hof komt tot het oordeel dat de eerste rechter een juist vonnis heeft gewezen.
Het hof bevestigt dan ook het eerdere vonnis. Dit betekent dat verdachte schuldig is bevonden aan medeplichtigheid aan hennepteelt. De straf die wordt opgelegd is:
- een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk en
- een proeftijd van 3 jaren.
Deze straf is zwaarder dan de advocaat-generaal had geëist. Het hof is van oordeel dat deze zwaardere straf moet worden opgelegd onder meer omdat verdachte al meerdere malen is veroordeeld voor misdrijven waaronder ook meerdere Opiumwet delicten. Daarvoor heeft verdachte al taakstraffen gehad. Verdachte leert daar kennelijk niets van en nu moet hij naar de gevangenis.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004561-17
Uitspraak d.d.: 22 juni 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 8 augustus 2017 met parketnummer 16-075819-17 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, vrijspraak van hetgeen primair aan verdachte is tenlastegelegd, bewezenverklaring van hetgeen subsidiair aan verdachte is tenlastegelegd en veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 1000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, dient te worden opgelegd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en heeft verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde, te weten medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve ten aanzien van de strafmotivering. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte is medeplichtig geweest aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Verdachte heeft een door hem gehuurd bedrijfspand aan anderen ter beschikking gesteld voor het kweken van – naar is gebleken – 423 hennepplanten. Gezien de hoeveelheid aangetroffen planten kan het niet anders dan dat de hennep voor verdere verspreiding bedoeld was. Blijkens het dossier is verdachte zelf niet betrokken geweest bij de hennepkwekerij. Dit laat onverlet dat verdachte door zijn handelen bijgedragen heeft aan het in stand houden van een crimineel circuit waarin hennep in illegale kwekerijen wordt geproduceerd en waarin winst wordt gemaakt met de handel in die hennep. Het gebruik van deze hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van de gebruikers.
Uit het verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 mei 2018, dat 10 pagina’s beslaat, blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder meermalen ter zake van het overtreden van de Opiumwet. Deze veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Dat werkt strafverzwarend. De voornoemde veroordelingen brengen ook met zich mee dat artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Gelet op de ernst van het feit en de justitiële documentatie van verdachte kan niet worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde straffen. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht, geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan de rechtbank heeft opgelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 48 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van motivering van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door
mr. H.L. Stuiver, voorzitter,
mr. L.J. Hofstra en mr. A. Dijkstra, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.D. de Boer, griffier,
en op 22 juni 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A. Dijkstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.