Belastingrecht

Artikel 8b Wet Vpb. Transfer pricing. Kredietfaciliteiten met ‘headroom’. Variabele rente over verstrekte…

Zaakgegevens

Op 5 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Datum publicatie
27 juli 2026
Zaaknummer
BK-23/836, BK-23/837, BK-23/838, BK-23/839, BK-23/
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2462
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Artikel 8b Wet Vpb. Transfer pricing. Kredietfaciliteiten met ‘headroom’. Variabele rente over verstrekte bedragen en ‘commitment fees’ over totaalbedragen faciliteiten. Bij de toetsing van de vergoedingen aan het ‘at arm’s length-beginsel’ mag de totale-kostenbenadering worden gehanteerd, waarbij het Hof uitgaat van een ex-ante-invulling van de totale-kostenbenadering aan de hand van forward rates. Het Hof heeft in de tussenuitspraak het onderzoek heropend en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld het door hem aangeboden bewijs in te brengen waaruit volgt wat at arm’s length (totale) vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn zouden bedragen in de onderhavige jaren indien de credit ratings van belanghebbende (voor faciliteit 3a: na correctie) worden gevolgd.

Na heropening geeft het Hof een toetsingskader voor de selectie, correctie en eliminatie van door partijen na de tussenuitspraak aangedragen (nieuwe) comparables.

Wat betreft faciliteiten 1, 3a, 5 en 7bn slaagt de Inspecteur voor een belangrijk deel in de op hem rustende bewijslast. Hoewel voor deze faciliteiten de zakelijke opslagen op een hoger percentage uitkomen dan waarvan de Inspecteur uitgaat, liggen deze telkens (ruimschoots) lager dan de door het Hof in het kader van de ex-ante-invulling van de totale-kostenbenadering herrekende kostenopslagen. In zoverre heeft de Inspecteur aan zijn bewijslast voldaan de omvang van de door hem bepleite correcties aannemelijk te maken.

Het Hof acht aannemelijk dat voor ieder van de onderhavige jaren de volgens de aangiften verschuldigde belasting als gevolg van de geaccepteerde correcties verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en dat deze verschillen ook op zichzelf bezien voor ieder jaar zeer aanzienlijk zijn. Tevens is voldaan aan het bewustheidsvereiste. De verrekenprijsdocumentatie (benchmarkanalyse) van belanghebbende vertoonde belangrijke gebreken, die maken dat zij onvoldoende grond bood om ervan uit te gaan dat de rekening gebrachte kosten zakelijk waren. Daar komt nog bij dat niet aannemelijk is dat kredietwaardigheidsanalyses beschikbaar waren op de momenten dat zij aangiften deed. Belanghebbende heeft gelet op het voorgaande op zijn minst lichtvaardig aangifte aangedaan en had zich van de onzakelijkheid van de door haar gehanteerde verrekenprijzen bewust moeten zijn.

Het Hof merkt de primaire en subsidiaire standpunten van de Inspecteur niet aan als een redelijke schatting, omdat zij aansluiten bij de credit rating van de tophoudster, terwijl hij ook beschikte over de credit ratings van de schuldenaar. De thans (na de tussenuitspraak) voorgestelde correcties voldoen wel aan de eisen van een redelijke schatting. Belanghebbende slaagt gedeeltelijk in de op haar rustende verzwaarde bewijslast, in de zin dat de correcties voor faciliteit 3 komen te vervallen en die voor faciliteit 7bn verder worden beperkt.

De Inspecteur beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De correcties die volgens het oordeel van het Hof standhouden berusten telkens op comparables die de Inspecteur pas in hoger beroep bekend zijn geworden en hij kon daar redelijkerwijs niet eerder mee bekend zijn. Verder oordeelt het Hof dat geen sprake is van een situatie waarin de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door primitieve aanslagen op te leggen zonder de uitkomsten af te wachten van een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangifte.

Belanghebbende heeft na de tussenuitspraak wel terecht betoogd dat aan haar te veel belastingrente in rekening is gebracht. De rentebeschikkingen dienen te worden verminderd voor zover vanaf 1 april 2014 een belastingrentepercentage van 8 (of hoger) is toegepast. De over deze periode verschuldigde belastingrente moet worden berekend naar een tarief van 4%, het in de vorenbedoelde periode voor andere belastingplichtigen dan vennootschapsbelastingplichtigen geldende belastingrentepercentage zoals neergelegd in artikel 30hb, lid 1, AWR. Om die reden is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Gelet op al het voorgaande is voorts het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep gegrond, en het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 14 juli 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:12061
  2. Gerechtshof Den Haag · 29 oktober 2025

    ECLI:NL:GHDHA:2025:3019
  3. Gerechtshof Den Haag · 5 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2462

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Inhoudsopgave

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-23/836, BK-23/837, BK-23/838, BK-23/839, BK-23/840, BK-23/845, BK-23/846, BK-23/847, BK-23/848 en BK-23/849

Uitspraak van 5 augustus 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: M. Sanders en T.C. Gerverdinck)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: […] , […] , […] en […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur en het (voorwaardelijke) incidentele hoger beroep van belanghebbende, alsmede het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 14 juli 2023, nummers SGR 21/4016, SGR 21/4422, SGR 21/4423, SGR 21/4424 en SGR 21/4425.

Procesverloop

1.1.

Voor het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 29 oktober 2025 in de onderhavige zaken (de tussenuitspraak) verwijst het Hof naar de tussenuitspraak.

1.2.

In de tussenuitspraak heeft het Hof het onderzoek heropend en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld om het door hem aangeboden bewijs in te brengen waaruit volgt wat at arm’s length (totale) vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn zouden bedragen in de onderhavige jaren indien de credit ratings van belanghebbende (voor faciliteit 3a: na correctie zoals in overweging 5.8.10 van de tussenuitspraak is geoordeeld) worden gevolgd.

1.3.

De Inspecteur heeft op 15 december 2025 een nader stuk ingediend met daarin een aantal vragen en observaties betreffende de door het Hof aan de Inspecteur geboden gelegenheid tot bewijslevering.

1.4.

Op 17 december 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden bij het Hof. Tijdens die zitting is de tussenuitspraak met partijen besproken en zijn termijnen gesteld voor (de reactie op) de nadere bewijslevering. Daarnaast heeft het Hof een reactie geven op een door belanghebbende aangedragen anonimiseringskwestie, alsmede op de door de Inspecteur in het nader stuk van 15 december 2025 opgeworpen vragen. De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan op 2 februari 2026 een afschrift is verzonden aan partijen.

1.5.

De Inspecteur heeft op 27 februari 2026 een reactie op de tussenuitspraak, met elf bijlagen (bijlagen 130 tot en met 140), ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft op 24 april 2026 een reactie, met vijf producties, op de van de Inspecteur afkomstige stukken ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft op 4 juni 2026 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 5 juni 2026 een nader stuk, met zeventien bijlagen (bijlagen 141 tot en met 157), alsmede op 12 juni 2026 een nader stuk, met één bijlage (bijlage 158), ingediend. Belanghebbende heeft op 15 juni 2026 een nader stuk, met twee producties, ingediend.

1.8.

De mondelinge behandeling van de zaken is hervat ter zitting van het Hof van 16 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten en oordeel van de Rechtbank

2.1.

Voor de feiten, de in deze uitspraak gebruikte afkortingen en het oordeel van de Rechtbank verwijst het Hof naar de tussenuitspraak. Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe.

2.2.

De feitelijk jaarlijks in aftrek gebrachte totale-kostenopslagen bedragen voor faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn de volgende percentages:

2012/2013

2013/2014

2014/2015

2015/2016

2016/2017

Faciliteit 1

4,58%

4,26%

4,17%

4,09%

Faciliteit 3

3,92%

3,86%

3,81%

3,67%

Faciliteit 3a

2,30%

1,87%

Faciliteit 7bn

2,78%

2,66%

2,63%

2,60%

2,58%

2.3.

Belanghebbende heeft als productie 3 bij haar nader stuk van 24 april 2026 een econometrische studie ingebracht van Huygens Quantitative Tax Consulting (Huygens) . Daarin worden onder meer de resultaten gepresenteerd van een regressieanalyse op basis van de kleinste-kwadratenmethode, waarmee voor zes determinanten (in het uitgebreide model: acht determinanten) de correlatie met de rentemarges ter zake van 8.393 obligaties uit de [bedrijfstak] uit de jaren 2009-2025 wordt gekwantificeerd. De gebruikte dataset heeft de volgende kenmerken:

Variable

Count

Mean

Std Dev

Min

Q1

Median

Q3

Max

Spread (bps)

8,393

214.06

232.27

-96.32

92.25

141.73

234.22

2461.97

TTM (Years)

8,393

10.50

8.67

0.26

4.04

7.16

16.07

29.95

Coupon (%)

8,393

4.78

2.15

0.12

3.30

4.75

6.25

13.50

Amount (Log)

8,393

19.86

2.07

10.76

19.81

20.58

21.03

23.43

Strength of

Insolv. FW

8,393

81.66

14.59

37.50

68.75

93.75

93.75

93.75

Rating IG

6,659

8.09

1.093

3.00

8.00

8.00

9.00

10.00

Rating HY

1,734

14.10

2.42

11.00

12.00

14.00

16.00

22.00

Rev LQS

8,393

0.24

0.36

0.00

0.00

0.05

0.47

1.00

De resultaten van de regressieanalyse zijn de volgende, waarbij alle cijfermatige waarden zijn uitgedrukt in basispunten (bps):

Basic

Extended

Variable

Coef.

Sig.

SE

95% CI

Coef.

Sig.

SE

95% CI

Region of Domicile

-1.122

***

0.243

[-1.597 ; -0.646]

-1.092

***

0.244

[-1.569 ; -0.614]

Constant

681.753

***

28.954

[625.004 ; 738.502]

664.630

***

29.412

[606.984;722.276]

Amount (Log)

—

—

—

-7.339

***

1.149

[-9.591 ; -5.086]

Coupon

—

—

—

13.175

***

2.356

[8.557 ; 17.792]

TTM (Log)

34.731

***

2.628

[29.581 ; 39.881]

28.438

***

2.620

[23.303 ; 33.573]

Investment Grade

31.291

***

2.243

[26.895 ; 35.686]

28.205

***

2.517

[23.273 ; 33.138]

High Yield

63.187

***

2.492

[58.302 ; 68.072]

59.454

***

2.497

[54.561 ; 64.348]

Region of Operations

75.169

***

10.467

[54.654 ; 95.683]

74.099

***

10.441

[53.634 ; 94.564]

Currency (USD)

41.830

***

5.718

[30.622 ; 53.037]

14.750

*

8.011

[-0.952 ; 30.452]

Observations

8393

8393

R2

0.564

0.576

Adjusted R2

0.563

0.574

De overigens in deze tabellen gebruikte afkortingen staan voor: CI (confidence interval); Coef. (coefficient); HY (high yield); IG (investment grade); Rev LQS (revenue from low quality sovereigns); SE (standard error); Sig. (significance); Std Dev (standard deviation); Strength of Insolv. FW (strength of insolvency framework); TTM (time to maturity). De significantie (p-waarde) wordt in de tweede tabel uitgedrukt met behulp van asterisken: *** staat voor < 0,01, ** voor < 0,05 en * voor < 0,1.

De onafhankelijke variabelen in de tabel zijn als volgt gekwantificeerd:

  • ‘Region of Domicile’ heeft betrekking op de Strength of Insolvency Framework Index-score van het land waar de emittent van de obligatie is gevestigd, waarbij de zestienpuntsschaal die de Wereldbank hanteert bij het toekennen van de scores is omgerekend naar een honderdpuntsschaal.

  • ‘Amount’ betreft de totale hoofdsom van de geëmitteerde obligaties in Amerikaanse dollar ten tijde van de verstrekking. Op deze variabele is een logaritmische transformatie toegepast, waarbij de natuurlijke logaritme is gebruikt.

  • ‘Coupon’ betreft de nominale hoogte van de rentecoupon in procenten.

  • ‘Time to maturity’ betreft de resterende looptijd in dagen. Op deze variabele is een logaritmische transformatie toegepast, waarbij de natuurlijke logaritme is gebruikt.

  • ‘Investment Grade’ ziet op de credit rating van de obligatie, waarbij aan obligaties met een credit rating van Aaa tot Baa3 een waarde is toegekend in het bereik van 1 tot 10; bij obligaties met een slechtere credit rating is deze variabele op nihil gesteld.

  • ‘High Yield’ ziet eveneens op de credit rating van de obligatie, waarbij aan obligaties met een credit rating van Ba1 tot ‘in default’ een waarde is toegekend in het bereik van 11 tot 22; bij obligaties met een betere credit rating is deze variabele op nihil gesteld.

  • ‘Region of Operations’ heeft betrekking op het gedeelte van de geconsolideerde omzet van de schuldenaar dat is behaald in hoogrisicolanden (‘low quality sovereigns’). Dit is uitgedrukt op een schaal van nul tot één. Het onderscheid tussen hoog- en laagrisicolanden is gemaakt aan de hand van de sovereign credit ratings van Trading Economics, waarbij de grens is gelegd bij 77 op de honderdpuntsschaal van Trading Economics.

  • ‘Currency’ betreft het verschil in rentemarge tussen obligaties in Euro en Amerikaanse dollar. Het Hof begrijpt het aldus dat deze variabele op één wordt gesteld voor obligaties in Amerikaanse dollar en op nul voor obligaties in Euro.

Aan de hand van de regressieanalyse heeft Huygens een formule opgesteld waarmee de rentemarge voor obligaties in de [bedrijfstak] kan worden voorspeld. Voor het basismodel luidt die formule als volgt: credit spread = 681.75 + Revenue (LQS) * 75.169 – 1.122 * Insolvency framework score + 34.73 * log(TTM) + Investment Grade * 31.29 + High Yield * 63.19 + USD * 41.83 + year fixed effects.

Om de uitkomsten van de regressieanalyse te valideren heeft Huygens tevens een Matched Pair Analysis uitgevoerd. Daarbij zijn telkens twee obligaties vergeleken die op alle variabelen vrijwel identiek zijn, met uitzondering van Region of Domicile dan wel Region of Operations; op één van de beide laatste variabelen wordt juist gezocht naar een zo groot mogelijk verschil. Op deze wijze poogt Huygens de invloed van deze variabelen op de rentemarge te isoleren van die van de overige variabelen.

Voor de variabele Region of Operations leidt dit tot de volgende resultaten, waarbij N staat voor het aantal gevonden paren van obligaties:

Category

N

Mean

Median

Std Dev

CI Lower

CI Upper

Panel A: Statistics by Year

2009

14

65.25

154.57

215.47

-59.16

189.65

2010

36

33.45

22.86

99.69

-0.28

67.18

2011

23

89.79

79.96

153.85

23.26

156.32

2012

27

235.20

235.59

202.53

155.08

315.32

2013

38

73.05

60.07

91.79

42.88

103.22

2014

39

3.11

8.54

75.63

-21.41

27.62

2015

41

62.03

15.91

101.10

30.12

93.94

2016

29

200.01

46.67

435.15

34.49

365.54

2017

32

34.37

33.74

33.78

22.19

46.55

2018

32

35.86

-1.57

205.11

-38.09

109.81

2019

27

88.72

77.24

88.26

53.80

123.63

2020

12

29.38

1.08

235.52

-120.27

179.02

2021

18

29.23

36.03

78.65

-9.88

68.34

2022

18

165.16

133.45

242.88

44.38

285.94

2023

8

88.35

25.44

125.72

-16.76

193.46

2024

15

84.80

75.98

95.42

31.96

137.64

2025

16

110.79

44.48

191.45

8.78

212.81

Panel B: Total Sample

Total

425

80.05

39.04

—

62.37

97.73

Voor de variabele Region of Domicile leidt dit tot de volgende resultaten:

Category

N

Mean

Median

Std Dev

CI Lower

CI Upper

Panel A: Statistics by Year

2009

6

-9.12

0.31

53.95

-65.75

47.50

2010

9

-40.75

-10.86

63.29

-89.40

7.90

2011

12

29.25

36.24

38.22

4.97

53.53

2012

6

41.24

111.53

224.57

-194.43

276.91

2013

2

111.23

111.23

0.00

111.23

111.23

2014

19

-16.96

-3.48

40.03

-36.26

2.33

2015

19

-17.59

-13.24

69.98

-51.32

16.14

2016

35

-24.55

0.53

78.46

-51.50

2.40

2017

42

2.09

10.05

42.12

-11.03

15.22

2018

49

22.45

28.46

43.49

9.95

34.94

2019

25

11.03

7.23

27.40

-0.28

22.35

2020

29

-18.48

-15.11

38.14

-32.98

-3.97

2021

55

-29.60

-15.95

63.82

-46.85

-12.35

2022

39

-37.46

-32.32

155.23

-87.78

12.86

2023

54

-194.34

-38.20

314.80

-280.26

-108.41

2024

43

-6.63

-9.25

26.93

-14.92

1.65

2025

55

-11.97

-14.30

12.62

-15.38

-8.55

Panel B: Total Sample

Total

499

-29.49

-9.63

135.47

-41.40

-17.57

2.4.

In het nader stuk van 15 juni 2026 heeft belanghebbende een overzicht opgenomen van de ‘variance inflation factors’ voor de onafhankelijke variabelen in het model:

TTM (Log) 1.228503

Rating IG 1.488910

Rating HY 1.584384

Amount (Log) 1.133195

Coupon 1.496144

Revenue LQS 1.992998

Strength of Insolv. FW 2.114579

US Dollar 1.422985

2.5.

Het Hof merkt ten slotte op dat in overweging 2.4.6 van de tussenuitspraak voor de bedragen van de door belanghebbende in het jaar 2015/2016 in aftrek gebrachte commitment fees en rente per abuis is aangeknoopt bij bijlage 34 bij het verweerschrift voor de Rechtbank (€ 4.829.308 aan rente, € 2.291.667 aan commitment fees en € 7.120.974 in totaal) in plaats van de bedragen van € 4.884.244 (rente), € 2.291.667 (commitment fees) en € 7.175.910 (totaal) die volgen uit de in hoger beroep bij het nader stuk van de Inspecteur van 8 maart 2024 overgelegde bijlagen 116 en 117 (zie ook bijlage 158 bij het nader stuk van 12 juni 2026, blad ‘Overzicht correcties’). In deze uitspraak zal het Hof deze kennelijke misslag rechtzetten en uitgaan van de laatstgenoemde bedragen.

Geschil in de principale hoger beroepen en in het (voorwaardelijke) incidentele hoger

beroep en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de onderhavige navorderingsaanslagen (jaren 2012/2013 en

2013/2014) en de daarbij gegeven beschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn

vastgesteld. Met betrekking tot de aanslagen (jaren 2014/2015, 2015/2016 en 2016/2017) en

de daarbij gegeven beschikkingen is in geschil of ze naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.

3.2.

In het principale hoger beroep van de Inspecteur zijn meer in het bijzonder de

volgende vragen in geschil:

  1. Is de Inspecteur ter zake van de correctie van de commitment fees op faciliteit 7bn bevoegd om na te vorderen over de jaren 2012/2013 en 2013/2014, primair omdat sprake is kwade trouw van belanghebbende, subsidiair omdat de Inspecteur beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR?

  2. Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard ten aanzien van de correcties?

  3. Zijn de ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn gehanteerde rentepercentages at arm’s length?

  4. Beroept de Inspecteur zich terecht op interne compensatie?

3.3.

In het principale hoger beroep van belanghebbende zijn meer in het bijzonder de volgende vragen in geschil:

  1. Beschikt de Inspecteur ter zake van de correctie van de commitment fees op de faciliteiten 1 en 3 over een nieuw feit? Hierbij is tevens in geschil of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb in het geding heeft gebracht.

  2. Commitment fees op faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn: of de commitment fees zakelijk zijn, waarbij in geschil is of deze een onlosmakelijk onderdeel vormen van de totale kosten van de faciliteiten, alsmede of de vormgeving van de faciliteiten ongebruikelijk is en of de commitment fees op zichzelf beoordeeld at arm’s length zijn (en de headroom realistisch). Tevens is in geschil of voldaan is aan het bewustheidsvereiste, alsmede of sprake is van fraus legis, dan wel van een relatieve schijnhandeling.

  3. Commitment fees (en de rente op de reeds vervallen commitment fees) op faciliteit 5: of de met de headroom samenhangende commitment fees (en rente) zakelijk zijn. Tevens is in geschil of sprake is van fraus legis, dan wel van een relatieve schijnhandeling.

  4. Beroept belanghebbende zich ter zake van de aftrekbaarheid van de rente en commitment fees op faciliteit 1, 3, 3a en 7bn terecht op het vertrouwensbeginsel?

3.4.

In het (voorwaardelijke) incidentele hoger beroep van belanghebbende is meer in het bijzonder de volgende vraag in geschil:

a. Beschikt de Inspecteur ter zake van de correctie van de rente op de faciliteiten 1, 3 en 7bn over een nieuw feit?

3.5.

In het nader stuk van 24 april 2026 heeft belanghebbende onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 10 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:430, verder aangevoerd dat aan belanghebbende in strijd met het eigendomsrecht (artikel 1 EP EVRM) en het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel (artikel 14 EVRM) te veel belastingrente in rekening is gebracht.

3.6.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en tot vermindering van de (navorderings)aanslagen zoals berekend in bijlage 130 bij zijn nader stuk van 27 februari 2026, alsmede bijlage 158 bij zijn nader stuk van 12 juni 2026 (aanpassingen inzake faciliteit 3 (subsidiair standpunt) en faciliteit 5). Verder concludeert de Inspecteur – naar het Hof begrijpt – in dat nader stuk tot vermindering van de in 1.1.2 van de tussenuitspraak vermelde herziene verliesvaststellingsbeschikking.

3.7.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en tot vernietiging dan wel vermindering van de onderhavige (navorderings)aanslagen naar de bedragen die zijn vermeld in overweging 4.6 van de tussenuitspraak. Belanghebbende concludeert verder tot vernietiging dan wel vermindering van de onderhavige beschikkingen belastingrente, alsmede tot veroordeling van de Inspecteur in de door haar gemaakte proceskosten.

De tussenuitspraak; recapitulatie

4.1.

Het Hof heeft in de tussenuitspraak – onder meer – reeds zonder voorbehoud geoordeeld dat:

  • de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb heeft overgelegd (zie onderdeel 5.1);

  • de onderhavige faciliteiten niet als schijnhandelingen kunnen worden aangemerkt (zie onderdeel 5.2);

  • de onderhavige faciliteiten op zichzelf beschouwd niet onzakelijk zijn (zie onderdelen 5.3 en 5.4);

  • bij de toetsing van de vergoedingen de totale-kostenbenadering mag worden gehanteerd (zie onderdeel 5.3);

  • het aangaan van de faciliteiten (voor zover dat ter beoordeling voorligt) geen wetsontduiking oplevert (zie onderdeel 5.5);

  • bij de beoordeling van de verrekenprijscorrecties, behoudens voor faciliteit 3a, moet worden uitgegaan van de door belanghebbende bepaalde credit ratings van [bedrijf 1] (zie overweging 5.8.13);

  • belanghebbende zich niet met vrucht kan beroepen op het vertrouwensbeginsel (zie onderdeel 5.10); alsmede dat

  • het beroep op interne compensatie uitsluitend nog betrekking kan hebben op faciliteit 3a en de [A-lening] , dat er in alle jaren hoe dan ook ruimte bestaat voor interne compensatie en dat de Inspecteur dient te worden gevolgd in de door hem (met een beroep op interne compensatie) bepleite correcties ter zake van de [A-lening] (zie onderdeel 5.11).

4.2.

In de tussenuitspraak is verder voorshands aannemelijk geacht dat de door belanghebbende vastgestelde vergoedingen ter zake van de onderhavige faciliteiten niet at arm’s length zijn, omdat de onderbouwing daarvan door belanghebbende belangrijke gebreken kent en de all-in rates die belanghebbende uit haar documentatie afleidt voor faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn lager zijn dan de herrekende opslagen die zijn vermeld in overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak (zie overwegingen 5.8.24, 5.8.25 en 5.8.31 van de tussenuitspraak), en is het onderzoek heropend om de Inspecteur in de gelegenheid te stellen een door hem gedaan bewijsaanbod met betrekking tot de hoogte van de zakelijke rentes (zie overwegingen 5.8.26 en 5.8.32 van de tussenuitspraak), gestand te doen. De daarbij aan de Inspecteur gegeven aanwijzingen luiden als volgt:

“5.12.1. Het Hof stelt de Inspecteur in de gelegenheid om het door hem aangeboden bewijs in te brengen waaruit volgt wat at arm’s length (totale) vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn zouden bedragen in de onderhavige jaren indien de credit ratings van belanghebbende (voor faciliteit 3a: na correctie zoals hiervoor in 5.8.10 geoordeeld) worden gevolgd. Het Hof geeft de Inspecteur daarbij in overweging voor elke faciliteit en elk jaar cijfermatige conclusies te verbinden aan het door hem aangeboden bewijs, en daarbij ook de gevolgen voor de vastgestelde belastbare bedragen en verliezen in de voorliggende belastingaanslagen en daarbij gegeven verlies(verrekenings)beschikkingen in kaart te brengen. Het spreekt voor zich dat belanghebbende vervolgens de gelegenheid zal krijgen om schriftelijk te reageren op hetgeen de Inspecteur heeft ingebracht, al dan niet onder overlegging van bewijsstukken. Zo nodig zal nog een nadere zitting worden gehouden.

5.12.2.

Het Hof zal echter eerst met partijen een zittingsdatum voor een regiezitting afstemmen waarop deze tussenuitspraak met partijen zal worden besproken. Op die zitting zullen ook de termijnen worden gesteld voor de bewijslevering door de Inspecteur en de reactie daarop van belanghebbende.

5.12.3.

Voor de goede orde merkt het Hof nu reeds op dat behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan worden teruggekomen van oordelen die in deze tussenuitspraak zonder voorbehoud zijn gegeven.

5.12.4.

Daarbij dient de volgende kanttekening te worden geplaatst. Ter zitting hebben partijen verzocht om gelegenheid voor een nadere schriftelijke reactie. Het verzoek van de Inspecteur had betrekking op het nadere stuk van belanghebbende van 31 januari 2025, en met name op de bij productie 2 bij dat nadere stuk gevoegde berekeningen. Het verzoek van belanghebbende had betrekking op de bijlage bij de pleitnota van de Inspecteur, waarin wordt gereageerd op het nadere stuk van belanghebbende van 31 januari 2025. In deze bijlage wordt ingegaan op productie 1 bij dat nadere stuk over de kredietwaardigheidsanalyse van belanghebbende en productie 2 bij dat nadere stuk over de bepaling van de vaste rente op een variabele-naar-vaste Euribor swap en over de berekening van de huidige marktverwachting over toekomstige Euribor tarieven op basis daarvan. Het Hof heeft beide verzoeken ter zitting afgewezen. Nu het onderzoek wordt heropend, bestaat aanleiding die beslissing te herzien. Het Hof staat alsnog toe dat de Inspecteur bij de hiervoor onder 5.12.1 bedoelde bewijslevering ook ingaat op de berekeningen in productie 2 bij het nadere stuk van belanghebbende van 31 januari 2025 (die mede ten grondslag hebben gelegen aan de hiervoor onder 5.8.16 cijfers) en dat belanghebbende in haar reactie op de bewijslevering door de Inspecteur mede de bijlage bij de pleitnota van de Inspecteur betrekt. Het Hof merkt daarbij op dat de discussie over de kredietwaardigheidsanalyse van belanghebbende reeds zonder voorbehoud in haar voordeel is beslecht (behoudens het punt over de weak asset coverage bij faciliteit 3a waarover niet wordt gesproken in de bijlage bij de pleitnota). Voor zover het Hof partijen gelegenheid biedt om hun zienswijze omtrent de onderbouwing van de hiervoor onder 5.8.16 opgenomen cijfers nader uit te werken, plaatst het Hof bij de vaststelling van die cijfers een voorbehoud. Dat betekent dat die cijfers zo nodig nog kunnen worden bijgesteld in de einduitspraak, indien het partijdebat na heropening daartoe aanleiding geeft.”

4.3.

Het Hof heeft in onderdeel 5.7 van de tussenuitspraak verder geoordeeld dat het de bewijslast vooralsnog niet zal omkeren en verzwaren, alsmede dat het over de aanwezigheid van een nieuw feit of kwade trouw nog geen definitief oordeel kan geven omdat dat pas mogelijk is indien vaststaat welke correcties in stand blijven en wat daarvan de feitelijke grondslag is. Over die geschilpunten zal een definitief oordeel worden gegeven in onderdelen 5.5 en 5.6 van deze uitspraak.

Verdere beoordeling van het geschil

5.1.

Uitwerking totale-kostenbenadering: ex-ante-invulling, gebruik van forward rates, tweestappenproces (faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn)

5.1.1.

Het Hof heeft reeds zonder voorbehoud geoordeeld dat het voor de faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn de totale hoogte van de contractueel verschuldigde vergoedingen ter zake van de afzonderlijke faciliteiten zal beoordelen, en dat – om die vergoedingen te kunnen vergelijken met rentes die zijn overeengekomen tussen onafhankelijke derden – deze zullen moeten worden herrekend naar één opslag op een variabele rente. In overweging 5.8.15 van de tussenuitspraak is overwogen dat daartoe aan de hand van de contracten voor de afzonderlijke faciliteiten en de verwachte, toekomstige Euribor-tarieven (forward rates) het totale aflossingsbedrag dient te worden geprognosticeerd, en vervolgens – mede aan de hand van dezelfde Euribor forward rates – dient te worden teruggerekend naar één opslag op een variabele rente:

“Hiervoor onder 5.3.9 en 5.3.10 is geoordeeld dat het Hof voor faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn de totale hoogte van de contractueel verschuldigde vergoedingen ter zake van de afzonderlijke faciliteiten zal beoordelen. Om die vergoedingen te kunnen vergelijken met rentes die zijn overeengekomen tussen onafhankelijke derden, zullen ze moeten worden herrekend naar één opslag op een variabele rente. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat de rentecomponent in de vergoeding wordt berekend aan de hand van een vaste opslag op Euribor over het getrokken deel van de faciliteit, terwijl de commitment fee wordt berekend als een vast percentage over het gehele bedrag van de faciliteit. Belanghebbende heeft daarvoor diverse rekenmethoden voorgesteld. Naar het oordeel van het Hof leidt de volgende methode tot de meest zuivere resultaten. In de eerste stap worden de verwachte bijschrijvingen van rente en commitment fees over de looptijd van een faciliteit opgeteld bij de opgenomen hoofdsom, zodat het verwachte totale aflossingsbedrag wordt bepaald. Daarbij moet een inschatting worden gemaakt van het verloop van de variabele rente. Dat gebeurt aan de hand van Euribor forward rates. Vervolgens wordt de rentevoet afgeleid waartegen de opgenomen hoofdsom over de gehele looptijd van de faciliteit oprent naar het af te lossen bedrag. Op die rentevoet moet de variabele basisrente in mindering worden gebracht. Die basisrente wordt gereduceerd tot een enkelvoudig percentage door de vaste rente te herleiden die over de gehele looptijd van de faciliteit leidt tot eenzelfde totale rente als waarin de hiervoor vermelde variabele forward rates hadden geresulteerd.”

5.1.2.

Deze methode leidt tot de volgende relevante gegevens (zie de tussenuitspraak, overweging 5.8.16):

Faciliteit

1

3

3a

7bn

Ingangsdatum

17 juli 2013

1 mei 2009

1 mei 2015

8 mei 2012

Looptijd

7 jaar

6 jaar

5 jaar

7 jaar

Valuta

EUR

EUR

EUR

EUR

Credit rating

BB+

BBB

BBB

BBB

Vergoeding

5,26%

6,73%

2,60%

3,96%

Euribor

1,14%

2,62%

0,13%

1,31%

Opslag

4,12%

4,11%

2,47%

2,65%

5.1.3.

Het Hof heeft bij de vaststelling van deze cijfers in overweging 5.12.4 van de tussenuitspraak een voorbehoud gemaakt. De Inspecteur heeft in bijlage 132 bij het nader stuk van 27 februari 2026 laten weten dat de in de tabel opgenomen cijfers niet onjuist zijn berekend. Het Hof ziet in het partijdebat na de heropening van het onderzoek dan ook geen aanleiding om de gegevens in de tabel bij te stellen.

5.1.4.

De Inspecteur heeft na de tussenuitspraak wel in meer algemene zin kritiek geuit op de door de Hof voorgestane methode waarmee de verwachte totale kosten op de faciliteiten zijn berekend. Uitgaande van de juistheid van de totale-kostenbenadering (die hij bestrijdt), is hij van mening dat de daaraan door het Hof gegeven invulling onlogisch en onjuist is. Hij meent dat de totale vergoeding en de zakelijkheid daarvan slechts achteraf kunnen worden vastgesteld aan de hand van de daadwerkelijk verschuldigde bedragen, door de daadwerkelijke Euribor uit de in aftrek gebrachte bedragen te elimineren. Volgens de Inspecteur zijn derhalve de opslagen uit de tabel in 5.1.2 niet relevant voor de toets of zakelijk is gehandeld. Zijn betoog komt erop neer dat de ex-antebenadering onjuist is, omdat de volledige looptijd in aanmerking wordt genomen, terwijl de leningen eerder zijn afgelost, de toekomstige rente niet valt in te schatten en de forward rates een ‘verzekeringspremie’ bevatten waarmee de leningnemer het risico van rentestijging afdekt en ten onrechte wordt uitgegaan van gemiddelde rentepercentages. Volgens de Inspecteur kan een vergelijking met een fictieve situatie die niet contractueel is overeengekomen niet dienen om de zakelijkheid van de opslag te bepalen.

5.1.5.

Het Hof ziet in hetgeen de Inspecteur naar voren heeft gebracht geen aanleiding om terug te komen van de in de tussenuitspraak en tijdens de regiezitting van 17 december 2025 – deels voorlopig – gegeven oordelen betreffende de ex-ante-invulling van de totale-kostenbenadering aan de hand van forward rates.

5.1.6.

Het in artikel 8b Wet Vpb neergelegde at arm’s-length-beginsel houdt in dat de voorwaarden waaronder gelieerde lichamen transacties met elkaar sluiten, worden vergeleken met de voorwaarden die onafhankelijke derden in vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden met elkaar zouden overeenkomen. Prijsbepaling vindt plaats op het moment van het aangaan van de afzonderlijke faciliteiten en op dat moment is de werkelijke Euribor-ontwikkeling nog niet bekend. Het ontbreken van zekerheid daaromtrent noopt naar het oordeel van het Hof niet tot een ex-post-invulling. Uit de paragrafen 3.73 en 3.74 van de TP Guidelines 2010, alsmede uit de aldaar aangehaalde paragraaf 6.32, leidt het Hof af dat in zodanige gevallen eerst onderzoek moet worden gedaan naar de inschattingen die onafhankelijke partijen hadden gemaakt aan de hand van ontwikkelingen die redelijkerwijs voorzienbaar waren, zonder gebruik te maken van kennis achteraf (hindsight). Het is dus, anders dan de Inspecteur betoogt, in zulke gevallen niet nodig dat die toekomstige ontwikkelingen met zekerheid hadden kunnen worden voorspeld. Voor het onderhavige geval brengt dit mee dat van de toekomstige Euribor-ontwikkeling zo mogelijk een inschatting moet worden gemaakt op basis van de op dat moment redelijkerwijs voorzienbare ontwikkelingen, zoals onafhankelijke derden dat ook zouden doen. De in de tussenuitspraak gebruikte forward rates bevatten daarvoor naar het oordeel van het Hof een goed aanknopingspunt. Die forward rates zijn de rente die een marktpartij nu zou vaststellen als hij een offerte moest opstellen voor een kortlopende lening die op een toekomstig tijdstip (t) zal worden verstrekt. Die rente wordt afgeleid uit een yield curve voor zero coupon obligaties, waarbij de rente wordt herleid die nodig is om de totale rente voor een lening met looptijd tot t te laten aangroeien tot de totale rente voor een lening met looptijd tot t+1. Hiermee wordt naar het oordeel van het Hof op adequate wijze rekening gehouden met de op het tijdstip van verstrekking bestaande redelijke verwachtingen omtrent de toekomstige ontwikkeling van de basisrente. De duiding van (futures en) forward rentes door de Inspecteur als het gewogen gemiddelde van meerdere (positieve en negatieve) toekomstscenario’s bevestigt dat overigens. De door de Inspecteur bepleite ex-postbenadering berust daarom op een onwenselijk en in dit geval ook onnodig gebruik van kennis achteraf.

5.1.7.

De overige door de Inspecteur naar voren gebrachte bezwaren kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Anders dan hij lijkt te stellen, wordt bij een ex-ante-uitwerking van de totale-kostenbenadering niet van de contractueel overeengekomen vergoeding afgeweken omdat de verwachte opslag wordt bepaald op basis van de contracten; aan de hand daarvan wordt immers – met behulp van de forward rates – het totale aflossingsbedrag geprognosticeerd en teruggerekend naar één opslag op een variabele rente. De stelling van de Inspecteur dat de forward rates niet de verwachting van toekomstige Euribor-tarieven weerspiegelen, acht het Hof gelet op hetgeen hiervoor onder 5.1.6 is overwogen niet aannemelijk, zodat ook die kritiek niet ertoe kan leiden dat de door hem voorgestane ex-postbenadering moet worden toegepast. Dat de forward rates een vergoeding bevatten om het risico van rentestijging of -daling af te dekken acht het Hof, uitgaande van de hiervoor gegeven invulling van het begrip forward rate, evenmin aannemelijk. Voorts is inherent aan een ex-antebenadering dat moet worden uitgegaan van de volledige looptijd van een lening, tenzij voortijdige aflossing redelijkerwijs voorzienbaar is, hetgeen niet door de Inspecteur is gesteld. Vanuit een ex-antebenadering is voorts logisch en onvermijdelijk dat er fictieve, nooit betaalde variabele rentes worden meegenomen bij de bepaling van de gemiddelde rente. Op dat moment is de werkelijke Euribor-ontwikkeling immers nog niet bekend en zal die moeten worden ingeschat.

5.1.8.

Voorts wijst het Hof erop dat de forward rates slechts in beperkte mate doorwerken in de opslag, zodat het praktische belang van de stelling van de Inspecteur gering is. Immers, het gemiddelde van de forward rates wordt na berekening van de totale cash-out (aan de hand van de forward rates) en de herrekening daarvan naar een rentepercentage, ook weer van dat rentepercentage afgetrokken om de opslag te bepalen. De hoogte van de forward rates werkt daardoor wel door in de opslag, maar slechts in zeer beperkte mate. Dit blijkt ook uit het feit dat de hiervoor onder 2.2 vermelde door de Inspecteur ex post berekende opslagen niet systematisch hoger liggen dan de in overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak opgenomen ex ante berekende opslagen (zie ook 5.1.2 hiervoor); voor de meeste faciliteiten en jaren liggen ze zelfs lager, hetgeen in het nadeel van de Inspecteur zou uitwerken. Ten slotte merkt het Hof op dat de forward rates geen invloed hebben op de omvang van een eventuele correctie, die plaatsvindt aan de hand van de werkelijke Euribor (zie ook ‘stap 2’ hierna).

5.1.9.

Een ex-ante-uitwerking van de totale-kostenbenadering brengt naar het oordeel van het Hof mee dat bij de beoordeling van het geschil een tweestappenproces moet worden doorlopen, zoals reeds toegelicht tijdens de regiezitting van 17 december 2025. De opslagen in de tabel zijn gemiddelde en ex ante bepaalde opslagen, die los staan van de werkelijk door belanghebbende afgetrokken (en deels door de Inspecteur in aftrek toegelaten) bedragen. De eerste stap betreft de toetsing van de overeengekomen vergoeding (stap 1). In deze stap wordt aan de hand van comparables bepaald wat een zakelijke opslag zou zijn. Als deze opslag – bij gebruikmaking van een bandbreedte: de bovenkant daarvan – lager ligt dan de gemiddelde ex-ante-opslag uit de tabel, bestaat aanleiding voor een correctie. Bij het maken daarvan dient de Inspecteur per faciliteit aan de hand van de zakelijke renteopslag de jaarlijkse vergoeding te bepalen door een samengestelde rente te berekenen over de verstrekte hoofdsom (zonder aanvullende commitment fees in aanmerking te nemen) (stap 2). De opslagen uit de tabel zijn derhalve uitsluitend relevant ter bepaling of onzakelijk is gehandeld (stap 1), maar daarna niet meer voor de – eventuele – berekening van de correcties als zodanig (stap 2). Het Hof verwijst in dit verband ook naar onderdeel 5.3 van deze uitspraak.

5.2.

Vergoedingen faciliteiten 1, 3, 3a, 5 en 7bn at arm’s length?

Vooraf

5.2.1.

In de tussenuitspraak is geoordeeld dat bij de beoordeling van de verrekenprijscorrecties het volgende juridische kader zal worden gehanteerd:

“5.8.2. Voor de heffing van vennootschapsbelasting worden op grond van artikel 8b, lid 1, Wet Vpb tussen gelieerde lichamen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen overeengekomen of opgelegde voorwaarden (verrekenprijzen) gecorrigeerd indien ze afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. Uit de parlementaire behandeling van artikel 8b Wet Vpb kan worden afgeleid dat voor een zodanige correctie ook de aanwezigheid van een bevoordelingsbedoeling is benodigd. Dit vereiste is echter in hoge mate geobjectiveerd. De wetgever is ervan uitgegaan dat indien in gelieerde verhoudingen een prijs wordt overeengekomen die buiten de at arm’s length bandbreedte valt, de betrokken gelieerde partijen zich ervan bewust hadden moeten zijn dat de prijsstelling niet als zakelijk is aan te merken, zodat in objectieve zin een bevoordelingsbedoeling aanwezig is (Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 21).

5.8.3.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat een partij die zich erop beroept dat tussen gelieerde partijen overeengekomen of opgelegde verrekenprijzen onzakelijk zijn en op die grond bij de bepaling van de fiscale winst correctie behoeven, feiten en omstandigheden dient te stellen en, bij gemotiveerde betwisting daarvan, aannemelijk dient te maken waaruit volgt dat aan de voorwaarden voor een zodanige correctie is voldaan en, zo ja, tot welk bedrag (vgl. HR 15 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3112, BNB 1996/51, r.o. 3.3, HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4718, BNB 2002/343, r.o. 3.1, HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355, BNB 2019/113, r.o. 3.7, en HR 17 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:552, BNB 2025/74, r.o. 5.1.1). In dit geval dient de Inspecteur dus feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat en in hoeverre onafhankelijk handelende partijen ter zake van de onderhavige faciliteiten lagere prijzen overeengekomen waren in overigens gelijke omstandigheden. Indien hij daarin slaagt, vloeit uit dat bewijs het vermoeden voort dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig is geweest.

5.8.4.

Bij de toepassing van artikel 8b, lid 1, Wet Vpb zal in het algemeen een vergelijking worden gemaakt tussen de voorwaarden van een concerntransactie en de voorwaarden van een of meer transacties tussen onafhankelijke ondernemingen (comparables) (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 22). Voor de beoordeling van de vergelijkbaarheid geldt daarbij dat in geval van financieringstransacties onder meer rekening dient te worden gehouden met de kredietwaardigheid van de betrokken schuldenaren, de looptijd van de geldverstrekkingen, de valuta waarin zij zijn genoteerd en de zekerheden die zijn verstrekt (zie HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2036, BNB 2016/214, r.o. 2.6.2).

5.8.5.

Het zal niet dikwijls voorkomen dat een zoektocht naar comparables een volmaakt vergelijkbare transactie tussen onafhankelijke partijen oplevert. Dit kan soms worden ondervangen door een deugdelijk onderbouwde prijsaanpassing. In de meeste gevallen zal echter worden gebruikgemaakt van een groter aantal comparables waaruit een zakelijke bandbreedte kan worden afgeleid (vgl. Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 21). Indien een relatief grote verzameling comparables is aangetroffen met gebreken op het gebied van de vergelijkbaarheid, verdient het aanbeveling de betrouwbaarheid van het vergelijkingsmateriaal te vergroten met behulp van statistische methoden, bijvoorbeeld door bij de vaststelling van de at arm’s length bandbreedte de hoogste en de laagste 25% van de gevonden prijzen te elimineren (interquartile range) (zie ook paragraaf 3.57 van de TP Guidelines 2010). Aangezien de gehele bandbreedte als zakelijk heeft te gelden, kan de Inspecteur bij gebruikmaking van een bandbreedte in aftrek gebrachte bedragen niet verder corrigeren dan tot de bovenkant van de bandbreedte. Een correctie tot de mediaan zoals voorgesteld door de Inspecteur in het kader van zijn (meer) subsidiaire standpunten gaat dus verder dan nodig om de winst van de belastingplichtige tot een at arm’s length niveau te corrigeren. Het Hof verwijst in dit verband naar de parlementaire behandeling van artikel 8b Wet Vpb, waaruit volgt dat in dit soort gevallen iedere prijs die zich binnen de zakelijke bandbreedte bevindt als een acceptabele verrekenprijs wordt aangemerkt (Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 21).”

5.2.2.

In de tussenuitspraak is reeds vastgesteld dat [bedrijf 1] bij de overeenkomsten die aan de onderhavige faciliteiten ten grondslag lagen geen zekerheden heeft gesteld aan haar schuldeisers.

5.2.3.

Voor de kredietwaardigheid van [bedrijf 1] , de looptijd van de geldverstrekkingen en de valuta waarin zij zijn genoteerd, verwijst het Hof naar de tabel in 5.1.2 hiervoor en naar onderdeel ‘a. Kredietwaardigheid [bedrijf 1] ’ hierna. Ter zake van faciliteit 5 voegt het Hof daaraan de volgende gegevens toe:

Faciliteit

5

Ingangsdatum

5 juli 2012

Looptijd

3 jaar

Valuta

EUR

Credit rating

BB+

a. Kredietwaardigheid [bedrijf 1]

5.2.4.

De discussie over de kredietwaardigheidsanalyse is reeds zonder voorbehoud beslecht, bijna geheel in het voordeel van belanghebbende (zie overwegingen 5.8.6 tot en met 5.8.13 van de tussenuitspraak). Ten aanzien van het punt over de weak asset coverage bij faciliteit 3a heeft de Inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat geen grond bestaat voor een vermindering met twee notches (zie overweging 5.8.10 van de tussenuitspraak). Dit een en ander betekent dat in beginsel van credit ratings moet worden uitgegaan (na correctie van de credit rating ten behoeve van faciliteit 3a) van respectievelijk BB+ (faciliteiten 1 en 5) dan wel BBB (faciliteiten 3, 3a en 7bn).

5.2.5.

Belanghebbende is evenwel van mening dat de credit rating voor faciliteit 3a op BBB- moet worden vastgesteld en niet op BBB, zoals het Hof in de tussenuitspraak heeft geoordeeld. Daartoe voert zij aan dat het Hof ten onrechte een opwaartse correctie van één notch wegens een expliciete garantie van [belanghebbende] in stand heeft gelaten. Gelet op de credit rating van de garantsteller (BB+) voegt die garantie volgens belanghebbende geen substantiële waarde meer toe, nadat de credit rating van [bedrijf 1] door het Hof in verband met de factor weak asset coverage met twee notches is verhoogd tot BBB-.

5.2.6.

De Inspecteur stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de door het Hof in de tussenuitspraak vastgestelde credit ratings niet meer ter discussie kunnen worden gesteld. Bovendien acht hij belanghebbendes standpunt onjuist. Uit de documentatie van belanghebbende blijkt dat de credit rating van [bedrijf 1] zonder rekening te houden met implicit (en, naar het Hof begrijpt, explicit) support BB- is, zodat de credit rating van [bedrijf 1] lager is dan die van de garantsteller (BB+) en de expliciete garantie wel degelijk iets toevoegt aan de kredietwaardigheid van [bedrijf 1] .

5.2.7.

Het Hof ziet geen aanleiding om terug te komen van de in de tussenuitspraak zonder voorbehoud vastgestelde credit rating van [bedrijf 1] ten tijde van de verstrekking van faciliteit 3a (BBB). Van zeer bijzondere omstandigheden die afwijking daarvan zouden rechtvaardigen is geen sprake. De Inspecteur gaat kennelijk ervan uit dat de correctie voor de garantie moet worden uitgevoerd vóór de correctie voor implicit support. Het Hof volgt dat uitgangspunt. Tussen partijen is niet in geschil dat beide vormen van garantie zelfstandige betekenis kunnen hebben voor [bedrijf 1] en naast elkaar in aanmerking kunnen worden genomen, zoals ook blijkt uit de onderbouwing van de credit rating in de documentatie van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof ligt het voor de hand om aan te nemen dat in ieder geval de implicit support iets toevoegt aan de expliciete garantie. Een schuldeiser zal immers ervan uitgaan dat indien de schuldenaar zelf in verzuim geraakt, hij zich in ieder geval eerst op de garantsteller kan verhalen en een inschatting maken in hoeverre hij vervolgens nog iets op onverplichte basis kan verwachten van de rest van het concern. Dat de credit rating van een dochter onder omstandigheden hoger kan zijn dan die van haar moeder, heeft het Hof overigens reeds geoordeeld in overweging 5.8.12 van de tussenuitspraak.

b. Comparables faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn

Standpunt Inspecteur

5.2.8.

In zijn reactie van 27 februari 2026 heeft de Inspecteur een nieuwe vergelijkbaarheidsanalyse en nadere bewijsstukken overgelegd. Op grond daarvan heeft hij de volgende (in zijn visie: zakelijke) totale-kostenopslagen vastgesteld, waarop hij de in bijlage 131 bij het nader stuk van 27 februari 2026 verstrekte herziene berekening van de correcties ter zake van de onderhavige faciliteiten heeft gebaseerd:

Faciliteit 1: 2,38%

Faciliteit 3: 3,16%

Faciliteit 3a: 0,691%

Faciliteit 7bn: 1,705%

5.2.9.

Ter onderbouwing van de thans door hem verdedigde at arm’s length opslagen heeft de Inspecteur nieuwe comparables aangedragen afkomstig van de volgende vier ondernemingen: [bedrijf 15] N.V. ( [bedrijf 15] ), [bedrijf 19] S.A. ( [bedrijf 19] ), [bedrijf 20] AG ( [bedrijf 20] ) en [bedrijf 21] S.A. ( [bedrijf 21] ).

5.2.10.

Gelet op overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak heeft de Inspecteur zijn nadere zoektocht naar comparables gericht op ondernemingen (i) met een vergelijkbare omvang als die van belanghebbende, (ii) die gevestigd zijn Nederland, dan wel West-Europa (te weten: België, Duitsland, Oostenrijk, het VK, Frankrijk en Luxemburg) en (iii) die behoren tot dezelfde bedrijfstak als waarin belanghebbende zich begeeft. Vervolgens heeft hij een vergelijking gemaakt inzake marktrentes welke in rekening worden gebracht aan ondernemingen in de sector [bedrijfstak] van Bloomberg, gevestigd in Nederland dan wel West-Europa, met credit ratings zoals hiervoor in 5.1.2 vermeld, van leningen luidende in Euro en met vergelijkbare looptijden.

5.2.11.

De Inspecteur heeft vastgesteld dat het aantal ondernemingen die voldoen aan vorenbedoelde selectiecriteria bijzonder klein is. Het is hem dan ook niet altijd gelukt om comparables aan te dragen van ondernemingen met dezelfde credit rating die het Hof in de tussenuitspraak voor de onderhavige faciliteiten heeft vastgesteld. Ter ondervanging van dit probleem stelt hij zich op het standpunt dat de mediane waarneming van de marktrente per credit rating op ieder moment in de tijd meebeweegt met de algemene trend in de markt, zodat kan worden aangenomen dat zich in het jaar 2012 en in latere jaren een trendmatige ontwikkeling in spreads heeft voorgedaan. Volgens de Inspecteur is inter- of extrapolatie op basis van een bekende spread bij een bepaalde credit rating in een bepaald jaar om te komen tot een waarschijnlijke uitkomst van een onbekende spread van een naastliggende credit rating in datzelfde jaar (waarvan geen data voorhanden zijn), daarom logisch en gepast. Hij acht om deze reden de vergelijkbaarheidsanalyses die hij eerder in deze procedure heeft ingebracht (gericht op rentes voor ondernemingen in de [bedrijfstak] met een credit rating van A- en BBB+) nog steeds van belang als referentiepunt. Verder heeft hij, indien de kredietbeoordeling van de verschillende kredietbeoordelaars niet eensluidend is, slechts gebruikgemaakt van comparables waarbij sprake is van (i) een credit rating die overeenkomt met de door het Hof vastgestelde credit rating en (ii) een tweede credit rating die in de naastliggende categorie valt (dus: indien sprake is van niet meer dan één notch verschil). In een dergelijk geval heeft hij een beredeneerde keuze gemaakt tussen de twee verschillende credit ratings.

5.2.12.

Ter onderbouwing van de correcties heeft de Inspecteur meer concreet voor iedere faciliteit afzonderlijk de hierna in 5.2.53 e.v. weergegeven gegevens naar voren gebracht.

Standpunt belanghebbende

5.2.13.

Belanghebbende heeft in de eerste plaats in algemene zin kritiek geleverd op de werkwijze van de Inspecteur. Samengevat weergegeven voert zij het volgende aan. De belangrijkste tekortkoming in de aanpak van de Inspecteur is dat hij heeft verzuimd een zakelijke bandbreedte vast te stellen. De door de Inspecteur vastgestelde zakelijke prijs per faciliteit zegt zodoende nog niets over de zakelijkheid van mogelijke andere prijzen. De aanpak van de Inspecteur schiet bovendien tekort omdat hij slechts enkele comparables heeft aangedragen. Hij had zich niet mogen beperken tot comparables uit slechts zes landen uit West-Europa, maar had Italië – evenals vele andere landen – niet mogen uitsluiten bij zijn zoektocht naar geschikte comparables. Wat betreft de bedrijfstak is [bedrijf 19] onvoldoende vergelijkbaar omdat deze onderneming [diensten] exploiteert, hetgeen verschillen in de stabiliteit van geldstromen, de bedrijfsmiddelen en het risicoprofiel oplevert. Belanghebbende werpt verder tegen dat de gekozen comparables afwijken qua vestigingsland (behalve [bedrijf 15] ), land van de activiteiten, valuta ( [bedrijf 21] ) en verhandelbaarheid. De Inspecteur had derhalve daarvoor correcties moeten doorvoeren op de door hem aangedragen comparables. Verder had hij in de situatie waarin de kredietbeoordelaars de credit rating voor de schuldenaar van een comparable niet eenduidig vaststellen, niet mogen uitgaan van een beredeneerde keuze, maar van het voor belanghebbende meest gunstige scenario omdat goed geïnformeerde marktpartijen ook daarvan hebben kunnen uitgaan.

5.2.14.

Belanghebbende heeft zich na de tussenuitspraak op het standpunt gesteld dat de door haar gebruikte Bloomberg yield curves voor [bedrijf 14] gebruikt kunnen worden als comparables ten aanzien van de totale vergoedingen ter zake van de onderhavige faciliteiten (met uitzondering van faciliteit 3, waarvoor zij evenals de Inspecteur [bedrijf 15] als comparable gebruikt). Zij heeft op de comparables afkomstig van [bedrijf 14] nieuwe, cijfermatig onderbouwde aanpassingen toegepast en stelt op basis daarvan dat de bovenkant van de respectievelijke bandbreedten ruim boven de door het Hof in overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak vastgestelde opslagen liggen, zodat de totale kosten van de onderhavige faciliteiten als zakelijk moeten worden aanvaard.

5.2.15.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de zakelijkheid van de vergoedingen voorts enkele nieuwe comparables aangedragen, te weten obligaties van [bedrijf 22] Corp ( [bedrijf 22] ), [bedrijf 23] Plc ( [bedrijf 23] ), [bedrijf 24] , [bedrijf 25] B.V. ( [bedrijf 25] ), [bedrijf 16] B.V. ( [bedrijf 16] ) en [bedrijf 26] Plc ( [bedrijf 26] ).

Beoordeling

5.2.16.

Alvorens aan de hand van de door partijen voor de verschillende faciliteiten aangedragen comparables te beoordelen in hoeverre de Inspecteur de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de door hem bepleite correcties kunnen dragen, zal het Hof eerst ingaan op de meer algemene kritiek van belanghebbende op de werkwijze van de Inspecteur.

Heeft de Inspecteur op de juiste wijze comparables geselecteerd?

5.2.17.

Om tot een bruikbare verzameling vergelijkingsmaatstaf te komen zullen in essentie drie technieken moeten worden toegepast: het selecteren, corrigeren en elimineren van comparables. Het ligt in de rede om te beginnen met selecteren. De Inspecteur heeft zijn selectiecriteria als volgt toegelicht (bijlage 133 bij het nader stuk van 27 februari 2026, p. 4):

“De inspecteur heeft een vergelijking gemaakt inzake marktrentes welke in rekening worden gebracht aan ondernemingen in de sector [bedrijfstak] van Bloomberg, gevestigd in Nederland dan wel West-Europa, met credit ratings zoals hierboven vermeld, leningen luidende in Euro’s en met vergelijkbare looptijden. De inspecteur heeft bij zijn onderzoek gebruik gemaakt van alle mogelijke aan hem beschikbare bronnen, te weten: databases, internet, website data en industrie rapporten. Inzake de gevonden comparables is gebruik gemaakt van de bonds welke de betreffende ondernemingen hebben uitgegeven en is met behulp van de Bloomberg database de Yield to Maturity (YTM) van de vergelijkbare leningen van de comparables vastgesteld per de datum van het aangaan van de leningen door belanghebbende”.

Ter zitting van het Hof van 16 juni 2026 heeft de Inspecteur daaraan toegevoegd dat hij bij zijn zoektocht naar comparables in de eerste plaats heeft gezocht in de databases van Orbis en Bloomberg, alsmede dat hij is uitgegaan van bepaalde lijsten van Fitch – naar het Hof begrijpt heeft de Inspecteur hier bedoeld: Moody’s (gelet op de door hem in eerste instantie in bijlage 108 bij de motivering van zijn hogerberoepschrift vermelde lijst uit Moody’s Industry report ‘Global [bedrijfstak] Industry 2010’).

5.2.18.

De door de Inspecteur gehanteerde methode van selectie is naar het oordeel van het Hof in overeenstemming met de tussenuitspraak. In het bijzonder geldt dat voor het feit dat de Inspecteur zich bij de selectie heeft beperkt tot comparables uit West-Europa. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur te weinig comparables heeft gebruikt en voert aan dat de Inspecteur veel meer comparables had gehad indien hij zich niet had beperkt tot West-Europa. Dit betoog kan niet worden aanvaard. In overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak is zonder voorbehoud geoordeeld dat, naast de credit rating, vestigingsplaats een relevante factor is en dat comparables uit West-Europa (bij voorkeur Nederland) om die reden de voorkeur genieten:

“Als het gaat om het landenrisico acht het Hof aannemelijk dat niet alleen het land waar de activiteiten van de schuldenaar en haar dochtermaatschappijen worden uitgevoerd, maar ook het land waar de schuldenaar zelf is gevestigd van invloed kan zijn op de hoogte van de rente. Een aanwijzing daarvoor is te vinden in het overzicht van comparables dat de Inspecteur heeft aangeleverd. Verder verwijst het Hof naar paragraaf 3.35 van de TP Guidelines 2010, waaruit volgt dat bij het gebruik van non-domestic comparables bijzondere zorg moet worden betracht. De factor vestigingsland heeft belanghebbende niet meegenomen bij de bepaling van de credit rating van [bedrijf 1] , zodat daarmee op andere wijze rekening dient te worden gehouden. De meest voor de hand liggende wijze om dat te doen zou het gebruik van comparables afkomstig van in West-Europa (bij voorkeur Nederland) gevestigde schuldenaren zijn geweest.”

5.2.19.

De Inspecteur heeft uit deze overweging afgeleid dat de staat van de economie en de credit rating van de centrale overheid in een land vergelijkbaar dienen te zijn met die van Nederland op het moment dat de faciliteiten voor [bedrijf 1] werden afgesloten. Hij heeft om die reden zijn zoektocht gericht op comparables afkomstig van schuldenaren die zijn gevestigd in België, Duitsland, Oostenrijk, het VK, Frankrijk en Luxemburg. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur in redelijkheid deze invulling kunnen geven aan de hiervoor aangehaalde overweging uit de tussenuitspraak en kan hem gelet daarop niet worden tegengeworpen dat hij geen comparables van buiten West-Europa heeft aangedragen (zie ook 5.2.23 hierna).

5.2.20.

De vraag die zich vervolgens aandient is hoe de Inspecteur een aantal door belanghebbende aangedragen comparables heeft kunnen missen, zoals de obligaties van [bedrijf 23] , [bedrijf 26] , [bedrijf 16] en [bedrijf 25] , waarvan belanghebbende de kenmerken heeft geconcretiseerd en die op het eerste gezicht lijken te voldoen aan de zoekcriteria van de Inspecteur. De Inspecteur heeft op de zitting van 16 juni 2026 verklaard dat uit zijn zoektocht geen comparables van de door belanghebbende genoemde ondernemingen naar voren zijn gekomen en verder dat hij – afgezien van comparables van [bedrijf 16] , die hij in een eerder stadium van deze procedure reeds had geschrapt uit zijn zoekresultaat – niet handmatig comparables heeft geëlimineerd. Het Hof ziet geen aanleiding om aan die verklaringen te twijfelen. Als belanghebbende meende dat de Inspecteur ten onrechte relevante comparables heeft gemist of geëlimineerd die in haar voordeel zouden uitwerken, had het op haar weg gelegen concrete gegevens daarover in te brengen. In een klein aantal gevallen heeft zij dat ook gedaan. Het Hof zal die gegevens in de beschouwing betrekken bij de beantwoording van de vraag of de Inspecteur voor de afzonderlijke faciliteiten aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan (zie vanaf 5.2.53 hierna).

5.2.21.

De Inspecteur heeft zich voorts bij zijn selectie beperkt tot de sector ‘ [bedrijfstak] ’ van Bloomberg. Dat beperking tot een specifieke bedrijfstak nodig is volgt niet expliciet uit de tussenuitspraak, maar het Hof acht het een logische keuze, die steun vindt in de TP Guidelines 2010 (zie bijvoorbeeld paragraaf 3.42), in het verlengde ligt van overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak, en ook door belanghebbende is bepleit tijdens de regiezitting van 17 december 2025. Wel heeft belanghebbende aangevoerd dat één van de door de Inspecteur aangedragen comparables (te weten: [bedrijf 19] ) geen [branche] betreft, en daarom hoe dan ook onvoldoende vergelijkbaar is met [bedrijf 1] , ook al behoren beide ondernemingen in de definitie die Bloomberg hanteert tot de [sector] . Belanghebbende wijst erop dat [bedrijf 19] zich richt op [diensten] levert aan een betrekkelijk klein aantal klanten. De rentes en de spreads die bij [bedrijf 19] in de markt worden waargenomen, worden volgens haar vooral beïnvloed door [dienst] -specifieke factoren. Wat betreft de bedrijfstak acht belanghebbende [bedrijf 19] dus onvoldoende vergelijkbaar.

5.2.22.

Het Hof ziet geen aanleiding om de comparables van [bedrijf 19] buiten de vergelijking te houden. De definitie van de bedrijfstak aan de hand van de Bloomberg-database levert een objectief afbakeningscriterium op. Het spreekt voor zich dat ook binnen die bedrijfstak verschillen tussen ondernemingen bestaan, maar mede gelet op het feit dat die verschillen (belanghebbende wijst op de stabiliteit van geldstromen, de bedrijfsmiddelen en het risicoprofiel) normaliter ten minste deels tot uitdrukking komen in de credit rating, bestaat geen reden om uit de door Bloomberg gedefinieerde groep comparables te elimineren op grond van de aard van de betrokken onderneming.

5.2.23.

Belanghebbende werpt verder tegen dat de door de Inspecteur aangedragen comparables afwijken qua vestigingsland, land van activiteiten en valuta. Zij beroept zich voor die eerste twee factoren op het hiervoor onder 2.3 aangehaalde econometrische onderzoek van Huygens . Belanghebbende betoogt in wezen a) dat vestigingsland als selectiecriterium moet worden losgelaten en b) dat op alle comparables moet worden gecorrigeerd voor vestigingsland en voor locatie van de operaties aan de hand van de coëfficiënten die volgen uit het model van Huygens . Het Hof volstaat op deze plaats – waar de selectie van comparables aan de orde is – met het oordeel dat het loslaten van het vestigingsland als selectiecriterium een gepasseerd station is, gelet op overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak (zie ook 5.2.18 hiervoor). Belanghebbende voert nog wel aan dat dit oordeel in overweging 5.8.22 mede is gebaseerd op het overzicht van comparables dat de Inspecteur heeft aangeleverd (bijlage 108 bij de motivering van zijn hogerberoepschrift), dat de daarin gehanteerde credit ratings voor een groot deel onjuist zijn, zoals zij na heropening van het onderzoek in productie 4 (hoofdstuk 3) bij haar nader stuk van 24 april 2026 heeft onderbouwd. Dat is echter geen reden om op de tussenuitspraak terug te komen, reeds omdat het overzicht van de comparables niet de enige dragende grond, doch slechts een ondersteunend argument vormt voor het oordeel dat hier aan de orde is, zodat zelfs indien de kritiek van belanghebbende daarop doel zou treffen, geen sprake kan zijn van zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de tussenuitspraak zouden rechtvaardigen. Daarbij komt nog dat het Hof niet vermag in te zien waarom belanghebbende haar kritiek op deze credit ratings niet reeds vóór de tussenuitspraak had kunnen voorleggen.

5.2.24.

Belanghebbende heeft voorts erop gewezen dat de door de Inspecteur aangedragen obligaties van [bedrijf 21] in Zweedse kroon luiden en niet in Euro, terwijl volgens haar uit overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak volgt dat alleen obligaties in Euro vergelijkbaar zijn. De Inspecteur stelt zich daartegenover op het standpunt dat hij bij de correctie voor valuta heeft gebruikgemaakt van een tool die ook belanghebbende veelvuldig heeft gebruikt, te weten: de Bloomberg swap calculator. Hij rekent slechts om wat de yield to maturity en spread in Zweedse kroon zouden zijn voor diezelfde onderneming. Volgens de Inspecteur is dat een betrouwbare en door belanghebbende niet betwiste techniek.

5.2.25.

Uit rechtsoverweging 2.6.2 van het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2036 (zie de tussenuitspraak, overweging 5.8.4), alsmede uit overwegingen 5.8.22 en 5.8.24 van de tussenuitspraak blijkt dat valuta een factor is waarmee rekening moet worden gehouden bij de herleiding van at arm’s length prijzen uit comparables. Het Hof heeft in overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak onder meer geoordeeld:

“Voor zover belanghebbende yield curves gebruikt die uitgaan van een andere credit rating dan die van [bedrijf 1] of van een ruimer spectrum aan credit ratings, doet dat af aan de vergelijkbaarheid van de gebruikte comparables. Dat geldt ook voor yield curves die zijn opgebouwd op basis van gegevens over leningen die zijn gedenomineerd in een andere valuta dan de door [bedrijf 1] afgenomen faciliteiten, met name nu uit de stukken blijkt dat curves in EUR wel degelijk beschikbaar waren.”

5.2.26.

Naar het oordeel van het Hof kan voor valuta voldoende betrouwbaar worden gecorrigeerd met behulp van valutaswaps. Zodanige herrekeningen zijn gebruikelijk in de markt en niet wezenlijk anders dan de correcties die partijen hebben toegepast om een vaste rente om te rekenen naar een opslag op een variabele rente. Uit de tussenuitspraak volgt ook niet dat een verschil in valuta bij voorbaat vergelijking tussen comparables onmogelijk maakt, maar slechts dat met een verschil in valuta op verantwoorde wijze rekening moet worden gehouden (zie overweging 5.8.4 en in dat licht ook overweging 5.8.24 van de tussenuitspraak) en dat geen USD-curves moeten worden gebruikt om een correctie voor credit rating te onderbouwen indien daarvoor even goed EUR-curves hadden kunnen worden gebruikt (zie overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak). Indien een deugdelijke valutaswap wordt uitgevoerd, kan derhalve voor een verschil in valuta worden gecorrigeerd en is eliminatie niet nodig. Het Hof is derhalve van oordeel dat een verschil in valuta geen reden vormt om de comparables van [bedrijf 21] te verwerpen, en merkt alvast op dat mutatis mutandis hetzelfde geldt voor de door belanghebbende voor faciliteit 3a aangedragen comparable van [bedrijf 25] , die in Amerikaanse dollar luidt.

5.2.27.

Het Hof komt tot de tussenconclusie dat de Inspecteur zich tot de onderhavige comparables heeft mogen beperken en dat deze in beginsel geschikt zijn om het van hem gevraagde bewijs te leveren. Dit laat overigens onverlet dat het belanghebbende vrijstaat om ook zelf geschikte comparables aan te dragen. Zij heeft dat ook gedaan. De bruikbaarheid van die comparables wordt besproken onder de afzonderlijke faciliteiten (zie vanaf 5.2.53 hierna).

Had de Inspecteur een bandbreedte moeten vaststellen?

5.2.28.

Belanghebbende heeft erop gewezen dat de Inspecteur geen bandbreedte heeft vastgesteld, terwijl dat volgens haar wel had gemoeten. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

5.2.29.

In overweging 5.8.5 van de tussenuitspraak wordt onderscheid gemaakt tussen één volmaakte comparable, een groter aantal comparables waaruit een zakelijke bandbreedte kan worden afgeleid en een relatief grote verzameling comparables met gebreken op het gebied van de vergelijkbaarheid:

“Het zal niet dikwijls voorkomen dat een zoektocht naar comparables een volmaakt vergelijkbare transactie tussen onafhankelijke partijen oplevert. Dit kan soms worden ondervangen door een deugdelijk onderbouwde prijsaanpassing. In de meeste gevallen zal echter worden gebruikgemaakt van een groter aantal comparables waaruit een zakelijke bandbreedte kan worden afgeleid (vgl. Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 21). Indien een relatief grote verzameling comparables is aangetroffen met gebreken op het gebied van de vergelijkbaarheid, verdient het aanbeveling de betrouwbaarheid van het vergelijkingsmateriaal te vergroten met behulp van statistische methoden, bijvoorbeeld door bij de vaststelling van de at arm’s length bandbreedte de hoogste en de laagste 25% van de gevonden prijzen te elimineren (interquartile range) (zie ook paragraaf 3.57 van de TP Guidelines 2010). Aangezien de gehele bandbreedte als zakelijk heeft te gelden, kan de Inspecteur bij gebruikmaking van een bandbreedte in aftrek gebrachte bedragen niet verder corrigeren dan tot de bovenkant van de bandbreedte. Een correctie tot de mediaan zoals voorgesteld door de Inspecteur in het kader van zijn (meer) subsidiaire standpunten gaat dus verder dan nodig om de winst van de belastingplichtige tot een at arm’s length niveau te corrigeren. Het Hof verwijst in dit verband naar de parlementaire behandeling van artikel 8b Wet Vpb, waaruit volgt dat in dit soort gevallen iedere prijs die zich binnen de zakelijke bandbreedte bevindt als een acceptabele verrekenprijs wordt aangemerkt (Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 21).”

5.2.30.

Het Hof vat het voorgaande als volgt samen:

  1. Bij één volmaakte comparable kan de daarbij behorende prijs simpelweg worden gebruikt om een zakelijke prijs te bepalen, eventueel na toepassing van beperkte correcties ingeval van een nagenoeg volmaakte comparable.

  2. Bij een klein aantal goede comparables wordt aan de hand daarvan een bandbreedte bepaald. Daarvan wordt de meest gunstige prijs voor de belastingplichtige gehanteerd bij een eventuele correctie van de winst.

  3. Bij een groot aantal comparables met gebreken op het gebied van de vergelijkbaarheid wordt een bandbreedte bepaald, waarbij het nut kan hebben om de betrouwbaarheid van de dataset te verbeteren door een interkwartiele bandbreedte aan te houden.

5.2.31.

De Inspecteur heeft voor ieder van de faciliteiten één, twee of drie geschikte comparables gevonden. Belanghebbende voegt daaraan soms een enkele comparable toe. Sommige comparables zullen nog moeten worden geëlimineerd omdat deze naar het oordeel van het Hof duidelijk minder vergelijkbaar zijn. Het Hof verwijst in dit verband ook naar de TP Guidelines 2010, paragrafen 3.55 tot en met 3.57. Het gaat ten aanzien van de onderhavige faciliteiten derhalve telkens om een kleine verzameling van relatief goed vergelijkbare comparables, als gevolg van de strenge selectiecriteria die de Inspecteur in aansluiting bij de tussenuitspraak heeft toegepast (derhalve: om de in 5.2.30 vermelde gevallen a en b). Naar het oordeel van het Hof zal in de hiervoor in 5.2.30 onder b bedoelde gevallen telkens moeten worden gekozen voor de meest voordelige comparable voor belanghebbende (de bovenkant van de bandbreedte). Dit een en ander brengt mee dat middeling van comparables in ieder geval niet aan de orde is. Voor de eliminatie van comparables buiten een interkwartiele bandbreedte bestaat bij de beschikbaarheid van schaarse, maar goed vergelijkbare comparables evenmin aanleiding.

Hoe beoordeelt het Hof de comparables?

5.2.32.

Bij de beoordeling van de comparables en de correcties moet worden vooropgesteld dat transfer pricing geen exacte wetenschap is. Het Hof verwijst in dit verband naar paragraaf 1.13 van de TP Guidelines 2010:

“It is important not to lose sight of the objective to find a reasonable estimate of an arm’s length outcome based on reliable information. It should also be recalled at this point that transfer pricing is not an exact science but does require the exercise of judgment on the part of both the tax administration and taxpayer”.

Het doel is derhalve om te komen tot een schatting die voldoet aan de eis der redelijkheid. Verder heeft het niet-exacte karakter van verrekenprijsbepaling tot gevolg dat de vergelijkbaarheid van comparables niet volmaakt behoeft te zijn: het volstaat dat de verschillen geen materieel effect op de prijs hebben of dat daarvoor op voldoende betrouwbare wijze gecorrigeerd kan worden. Verder volgt daaruit dat correcties slechts een redelijke mate van nauwkeurigheid behoeven te hebben. Het Hof verwijst in dit verband naar paragraaf 1.33 van de TP Guidelines 2010:

“To be comparable means that none of the differences (if any) between the situations being compared could materially affect the condition being examined in the methodology (e.g. price or margin), or that reasonably accurate adjustments can be made to eliminate the effect of any such differences.”

In paragraaf 3.47 van de TP Guidelines wordt daaraan toegevoegd dat ook de vraag of zulke correcties aangebracht moeten worden en, zo ja, welke, van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld. Het Hof merkt daarbij op dat de partij die de bewijslast draagt van (de omvang van) een correctie niet beperkt is in de keuze van de bewijsmiddelen die zij nuttig acht om aan die bewijslast te voldoen. Het staat haar dus vrij zich te bedienen van een econometrische analyse (bijvoorbeeld het hiervoor onder 2.3 aangehaalde onderzoek van Huygens dat is ingebracht door belanghebbende), maar zoals de Inspecteur terecht heeft benadrukt is een zodanige analyse verre van noodzakelijk om te voldoen aan de eis van een redelijke mate van nauwkeurigheid.

Zijn de inter- en extrapolaties van de Inspecteur voldoende onderbouwd?

5.2.33.

De Inspecteur heeft correcties doorgevoerd voor verschillen in looptijd en verschillen in credit rating. Hij heeft dat gedaan aan de hand van diverse formules in Excel, waarmee een lijn wordt gemodelleerd door de gevonden datapunten op basis waarvan kan worden geïnter- en geëxtrapoleerd. Belanghebbende heeft de door de Inspecteur gehanteerde methodes en formulaire benadering bekritiseerd, onder meer omdat de curves in sommige gevallen worden gedwongen om te beginnen op het snijpunt van de x-as en y-as, en de Inspecteur soms ervan is uitgegaan dat een lineair verband bestaat tussen de marge boven de Euribor en de looptijd.

5.2.34.

Bij de beoordeling van de door de Inspecteur doorgevoerde correcties benadrukt het Hof dat transfer pricing, zoals hiervoor in overweging 5.2.32 vooropgesteld, geen exacte wetenschap is. De door de Inspecteur gehanteerde wijze om op zichzelf geschikte datapunten te corrigeren resulteert naar het oordeel van het Hof niet in schattingen die niet voldoen aan de eis van een redelijke mate van nauwkeurigheid, zolang het gaat om interpolaties en beperkte extrapolaties aan de hand van datapunten die relatief dicht bij elkaar liggen. Dat de modellering ook anders had kunnen worden vormgegeven, maakt dat niet anders. De mate van exactheid die belanghebbende met de door haar vermelde meer geavanceerde methoden nastreeft, acht het Hof niet noodzakelijk gelet op het niet-exacte karakter van verrekenprijsbepaling en het hier nagestreefde doel van ‘reasonably accurate adjustments’, en zou bovendien – uitgaande van een klein aantal comparables – resulteren in schijnnauwkeurigheid.

Moet correctie plaatsvinden voor onderhandse verstrekking?

5.2.35.

Belanghebbende betoogt dat correctie moet plaatsvinden voor het feit dat de onderhavige faciliteiten onderhands zijn verstrekt, terwijl de comparables verhandelbare obligaties betreffen. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst belanghebbende naar een deskundigenverklaring van [naam professor] , hoogleraar Finance aan de [universiteit] en [school] (productie 2 bij het nader stuk van 24 april 2026; de opinie van [naam professor] ), waarin de impact van liquiditeit en verhandelbaarheid aan bod komt. [naam professor] komt op basis van literatuur tot ruwe schattingen die variëren van 42 tot 95 bps voor het verwachte verschil in rente tussen bedrijfsobligaties en onderhandse leningen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, nu de schatting waarschijnlijk nog aan de conservatieve kant is, in alle gevallen redelijkerwijs een correctie van 95 bps moet worden aangebracht, voordat op basis van gegevens over de obligatiemarkt zou kunnen worden geconcludeerd dat de rente op de onderhavige onderhandse leningen van [bedrijf 1] buiten de zakelijke bandbreedte valt.

5.2.36.

De Inspecteur meent dat dit punt buiten de rechtsstrijd na heropening valt. Bovendien is onduidelijk op welke onderzoeken [naam professor] zijn schattingen baseert, zodat sprake lijkt te zijn van subjectieve schattingen. Verder wijst de Inspecteur erop dat [naam professor] ten onrechte het gehele verschil in spread tussen obligaties en leningen toeschrijft aan de liquiditeitsfactor, dat bankleningen niet alleen een hogere renteopslag kennen vanwege een lagere liquiditeit, maar ook door aanvullende diensten van de bank en dat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met kosten van obligaties (maar wel met die van leningen). Voorts wijst de Inspecteur erop dat belanghebbende zelf in haar eerdere verrekenprijsdocumentatie niet of nauwelijks heeft gecorrigeerd voor liquiditeit en dat ook de banken die belanghebbende raadpleegde om de door haar vastgestelde totale opslagen te beoordelen (gebaseerd op benchmarks aangaande obligaties), nooit hebben aangegeven dat rekening dient te worden gehouden met een opslag daarvoor.

5.2.37.

Naar het oordeel van het Hof valt dit punt over de correctie van obligatiegegevens in verband met de lagere liquiditeit van onderhandse leningen, niet buiten de rechtsstrijd. Deze factor zou immers van invloed kunnen zijn op de at arm’s length rente, waarvoor het Hof het onderzoek heeft heropend.

5.2.38.

In de praktijk worden verrekenprijzen ter zake van onderhandse groepsleningen dikwijls vastgesteld aan de hand van rentes voor op de beurs verhandelbare obligaties, zoals ook beide partijen in het onderhavige geschil hebben gedaan. Naar het oordeel van het Hof is goed voorstelbaar dat het voor een financier aantrekkelijker is om een eenvoudig verhandelbare obligatie te nemen dan om een moeilijker overdraagbare onderhandse lening te verstrekken en dat dit kan resulteren in een verhoudingsgewijs hoge renteopslag voor onderhandse leningen. Ter illustratie kan in dit verband ook worden gewezen op de TP Guidelines 2022, paragraaf 10.93, waar wordt uiteengezet dat bij de vaststelling van at arm’s length rentes onder omstandigheden voor verschillen in liquiditeit zal moeten worden gecorrigeerd:

“Arm’s length interest rates can also be based on the return of realistic alternative transactions with comparable economic characteristics. Depending on the facts and circumstances, realistic alternatives to intra-group loans could be, for instance, bond issuances, loans which are uncontrolled transactions, deposits, convertible debentures, commercial papers, etc. In the evaluation of those alternatives as potential comparables it is important to bear in mind that, based on facts and circumstances, comparability adjustments may be required to eliminate the material effects of differences between the controlled intra-group loan and the selected alternative in terms of, for instance, liquidity, maturity, existence of collateral or currency.”

5.2.39.

Dat neemt evenwel niet weg dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten verschaft om de omvang van het effect voor de onderhavige faciliteiten met enige mate van betrouwbaarheid in te schatten en evenmin om ervan uit te gaan dat die omvang meer dan verwaarloosbaar is. Een gangbare methode om voor het eventuele effect te corrigeren heeft het Hof in de jurisprudentie en literatuur niet aangetroffen. Het Hof neemt voorts in overweging dat niet ervan kan worden uitgegaan dat de liquiditeit van alle obligaties gelijk is. Zo blijkt uit de opinie van [naam professor] en diens toelichting ter zitting van 16 juni 2026 bijvoorbeeld dat de liquiditeit van obligaties aan de onderkant van het investment grade-segment en daaronder (credit ratings BBB- en lager) relatief laag. Bovendien gaat het bij onderhandse leningen om een niet-transparante markt en doet zich met betrekking tot die leningen een gebrek aan data voor, zoals [naam professor] eveneens heeft verklaard op de zitting van 16 juni 2026. De opinie van [naam professor] vermeldt voorts geen studies waarin verschillen in liquiditeit direct worden gerelateerd aan het renteverschil tussen obligaties en leningen. [naam professor] komt dan ook op basis van een zeer algemene schatting tot een bandbreedte van 42 bps tot 95 bps voor een correctie. Bij deze schatting moeten kanttekeningen worden geplaatst. De belangrijkste daarvan acht het Hof dat de opslag door de tijd heen verschilt (er wordt gebruikgemaakt van cijfers uit 2005, 2017 en 2019) en dat niets duidelijk wordt over de spreiding en het verband tussen de hoogte van de opslag met factoren zoals credit rating en jaar van verstrekking.

5.2.40.

Het Hof wijst verder erop dat belanghebbende zelf in haar documentatie voor de [A-lening] de opslag heeft geschat op minder dan 20 bps en dat zij daarin voor de andere faciliteiten in het geheel geen opslag voor beperkte liquiditeit in aanmerking heeft genomen, dat [naam professor] de opslag heeft geschat op 42-95 bps (zie 5.2.39 hiervoor) en dat belanghebbende op de zitting van 16 juni 2026 heeft opgeworpen dat de opslag ook heel goed 140-170 bps zou kunnen bedragen. Het betreft met andere woorden zeer ruwe schattingen die sterk uiteenlopen en die niet worden gedifferentieerd naar de factoren die relevant zijn voor het individuele geval, terwijl uit de opinie van [naam professor] en diens toelichting ter zitting moet worden afgeleid dat in ieder geval rekening zal moeten worden gehouden met het jaar waarin de lening is verstrekt en de credit rating van de obligatie die als comparable dient. Ten slotte heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht aangevoerd dat voor zover een vergelijking wordt getrokken tussen bankleningen en obligaties, een verschil in rente niet alleen met liquiditeit, maar ook met door de bank verleende diensten verband kan houden. Het Hof komt dan ook tot de slotsom dat de noodzaak en mogelijkheid van een op het individuele geval toegesneden correctie voor liquiditeit voor de voorliggende faciliteiten niet is komen vast te staan. Het Hof zal derhalve de aangedragen comparables zonder correctie op dit punt gebruiken voor de vergelijking.

Moet correctie plaatsvinden voor vestigingsland en locatie van operaties?

5.2.41.

Belanghebbende corrigeert comparables voor vestigingsland en locatie van de operaties van de schuldenaar. Zij doet dat aan de hand van de coëfficiënten die volgen uit de hiervoor onder 2.3 aangehaalde regressieanalyse van Huygens .

5.2.42.

Volgens belanghebbende is de meest waarschijnlijke verklaring voor een verband tussen het vestigingsland van de debiteur en rentetarieven dat verschillen bestaan tussen de wijze waarop de bescherming van crediteursrechten in verschillende rechtsstelsels is geregeld. Volgens haar is een goede maatstaf daarvoor de Strength of Insolvency Framework Index (SIFI) die wordt gepubliceerd door de Wereldbank en verschillen tussen landen in de juridische afhandeling bij faillissement meet. In het hiervoor onder 2.3 aangehaalde econometrische onderzoek van Huygens wordt onder meer de mate waarin SIFI-scores samenhangen met margeverschillen onderzocht. De regressieanalyse suggereert dat een verbetering van één punt (op een schaal van 0 tot 100) correleert met een daling van de rente van 1,122 bps. Volgens belanghebbende kunnen leningen aan of obligaties uitgegeven door debiteuren of emittenten gevestigd in jurisdicties met een met Nederland vergelijkbare SIFI-score als geldig vergelijkingsmateriaal worden beschouwd (mits overigens vergelijkbaar), met (eventueel) een correctie voor verschillen in SIFI-score aan de hand van het model van Huygens . Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij voorts naar de opinie van [naam professor] .

5.2.43.

De hiervoor onder 2.3 aangehaalde analyse van Huygens suggereert volgens belanghebbende voorts dat het land waar de operationele activiteiten zich bevinden een belangrijke rol speelt naast de credit rating. In het onderzoek is de locatie van de activiteiten gemeten als het percentage van de activiteiten dat zich bevindt in hoogrisicolanden (‘low quality sovereigns’), gemeten naar het percentage van de omzet dat in deze landen wordt gegenereerd. Volgens de overgelegde regressieanalyse bedraagt het verschil in rente tussen een onderneming die haar (geconsolideerde) activiteiten voor 100% in hoogrisicolanden verricht en een onderneming die daar in het geheel niet actief is 75,169 bps. Zij wijst erop dat circa 90% van de (geconsolideerde) activiteiten van [bedrijf 1] zich bevinden in opkomende markten zoals [buitenland 2] , [buitenland 5] en [buitenland 4] . In elk geval drie van de vier door de Inspecteur aangedragen comparables (te weten: [bedrijf 15] , [bedrijf 19] en [bedrijf 20] ) kunnen volgens belanghebbende niet zonder meer als vergelijkbaar worden beschouwd omdat de geografische locatie van hun (geconsolideerde) activiteiten niet vergelijkbaar is met die van [bedrijf 1] . Om een reële vergelijking te maken, zouden daarop correcties moeten worden doorgevoerd aan de hand van het model van Huygens , aldus belanghebbende.

5.2.44.

Het Hof oordeelt hierover als volgt. Zowel het land waar de activiteiten van de schuldenaar en haar dochtermaatschappijen worden uitgevoerd (de locatie van de operaties) als het vestigingsland van de schuldenaar (het vestigingsland) kan van invloed zijn op de hoogte van de rente, zoals reeds is geoordeeld in overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak. Het Hof gaat evenwel niet mee in de thans door belanghebbende voor deze factoren voorgestelde correcties. Dit volgt reeds uit de tussenuitspraak; de daarin gemaakte keuzes gaan immers ervan uit dat rekening wordt gehouden met verschillen in vestigingsland door comparables van in West-Europa, bij voorkeur Nederland, gevestigde schuldenaars te kiezen (zie overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak en 5.2.18 hiervoor). Voor verschillen in de locatie van de operaties volgt uit overweging 5.8.8 van de tussenuitspraak dat deze al zijn meegenomen in (de beoordeling van) de credit rating (meer in het bijzonder de factor business profile en de factor operating environment). Uit de door belanghebbende gebruikte scorecard van Moody’s blijkt dat onder business profile en operating environment in ieder geval vallen: de geografische diversificatie van de activiteiten, de voorspelbaarheid van de regelgeving, de toegankelijkheid van de markt, marktpositie, politiek klimaat en risico op nationalisatie. In de uitwerking van belanghebbende wordt dit alles betrokken op het land van de activiteiten. De factoren die samenhangen met business profile en operating environment wegen tezamen voor 31% mee bij de bepaling van de credit rating.

5.2.45.

Nu uit het voorgaande volgt dat met het vestigingsland en de locatie van de operaties reeds rekening wordt gehouden, is naar het oordeel van het Hof een correctie voor deze factoren niet nodig om tot een redelijke inschatting van zakelijke renteopslagen voor de onderhavige faciliteiten te komen.

5.2.46.

Het Hof is overigens ook niet overtuigd dat de coëfficiënten uit de regressieanalyse van Huygens geschikt zijn om tot een nauwkeuriger inschatting van de zakelijke renteopslagen te komen, met name niet als daarvoor slechts een deel van de gevonden coëfficiënten gebruikt wordt. In de eerste plaats zijn de grondslagen en de werking van het model op diverse punten onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Zo is de dataset waarop het model is gebaseerd niet beschikbaar gemaakt en is de correlatiematrix waaruit de samenhang tussen de individuele variabelen blijkt evenmin ingebracht. Verder is de omvang van de in aanmerking genomen ‘year fixed effects’, die blijkens het verschil tussen de gemiddelde spread in de dataset (232,27 bps), de constante (intercept) in de regressieanalyse (681,75 bps) en de richting en omvang van de berekende coëfficiënten in de honderden basispunten moet lopen, niet beschreven. Dit betekent ook dat het Hof de door Huygens aan de hand van de coëfficiënten uit de regressieanalyse opgestelde formule die weergeeft hoe de verschillende variabelen bijdragen aan de totale credit spread en die ook als predictiemodel kan worden gebruikt, niet kan testen tegen de in het dossier aanwezige obligatiegegevens en evenmin kan toepassen op de onderhavige faciliteiten. Ten slotte blijkt uit de overgelegde ‘variance inflation factors’ (zie hiervoor onder 2.4) voor de verschillende onafhankelijke variabelen dat onderlinge samenhang niet afwezig is. Dat geldt in het bijzonder voor de variabelen die worden gebruikt om de vestigingsplaats en de locatie van de operaties te kwantificeren, zodat het Hof niet overtuigd is geraakt dat het verantwoord is om die variabelen uit het regressiemodel te lichten om correcties aan te brengen op comparables uit de markt. De twijfel wordt versterkt door het feit dat belanghebbende de coëfficiënten voor vestigingsland en locatie van operaties wel gebruikt voor de correctie van comparables, terwijl zij daarbij de coëfficiënten voor credit rating, looptijd en valuta links laat liggen. Deze tegenwerpingen zouden wellicht kunnen worden ondervangen door de hiervoor onder 2.3 beschreven Matched Pair Analysis van Huygens , maar daarvoor geldt dat de gerapporteerde standaardafwijkingen zeer groot zijn, hetgeen betekent dat de variatie groot is en de gevonden coëfficiënten weinig zeggen over individuele gevallen.

5.2.47.

Specifiek voor vestigingsland komt nog daarbij dat de SIFI-score een al te beperkte invulling vormt voor de invloed van het vestigingsland op de rentemarge. Niet valt bijvoorbeeld in te zien dat de Recovery Rate, die samen met de SIFI-score deel uitmaakt van de Resolving Insolvency-data van de Wereldbank, buiten beeld zou moeten blijven. Het argument van belanghebbende dat de gemiddelde recovery rate voor een land zou samenvallen met de credit rating van een individuele onderneming is daarvoor geen dragende grond. Het Hof acht hoogstens aannemelijk dat sprake is van een zekere overlap tussen deze variabelen, maar dat geldt even goed voor andere variabelen die wel in het model zijn opgenomen.

Van welke credit rating gaat het Hof uit indien kredietbeoordelaars verschillende credit ratings geven?

5.2.48.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur in gevallen waarin de kredietbeoordelaars de relevante credit rating voor de schuldenaar van een comparable niet eenduidig vaststellen, niet had mogen uitgaan van een beredeneerde keuze. Volgens belanghebbende moet zoveel mogelijk ervan worden uitgegaan dat de comparable vergelijkbaar is c.q. moet worden uitgegaan van het voor haar meest gunstige scenario (omdat goed geïnformeerde marktpartijen ook van de desbetreffende credit rating hebben kunnen uitgaan).

5.2.49.

Belanghebbende heeft bij het vaststellen van de credit ratings van [bedrijf 1] gebruikgemaakt van een scorecard van Moody’s. Indien tussen partijen geschil bestaat over de toepasselijke credit rating als gevolg van uiteenlopende credit ratings die voor een bepaalde onderneming naar het relevante tijdstip zijn afgegeven door de diverse kredietbeoordelaars, zal het Hof daarom de credit rating van Moody’s gebruiken, zodat de vergelijkbaarheid van de desbetreffende comparable met de faciliteit in kwestie op het punt van de kredietwaardigheid zo goed mogelijk wordt ingeschat.

Wat is de correcte swaprente?

5.2.50.

Belanghebbende beroept zich op de rentes die zijn vermeld in de tabel (rij ‘Euribor’) in overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak (zie 5.1.2 hiervoor) en betoogt dat deze rentes moeten worden gebruikt als swaprentes om de vaste rentes ter zake van comparables om te rekenen naar een opslag op een variabele rente. De Inspecteur verzet zich hiertegen met het argument dat de swaprentes uit de tabel specifiek betrekking hebben op de leningen van belanghebbende. Hij meent dat in plaats daarvan een swap calculator gebruikt moet worden.

5.2.51.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur onvoldoende aangevoerd voor de gevolgtrekking dat het gebruik van een swap calculator zou resulteren in een hogere mate van vergelijkbaarheid dan de rentes uit de tabel. De rentes uit de tabel zijn een weerslag van de Euribor forward rates. De enige toespitsing op de faciliteiten van belanghebbende betreft de periode waarover zij zijn berekend (ingangsdatum en looptijd). Die rentes zijn derhalve bruikbaar indien de comparable dezelfde ingangsdatum en looptijd (of: meettijdstip en resterende looptijd) heeft als de desbetreffende faciliteit, wat vooral bij het gebruik van yield curves vaak het geval is.

Samenvatting beoordeling comparables

5.2.52.

Het Hof vat het uit het hiervoor overwogene voortvloeiende toetsingskader als volgt samen. Alle aangedragen comparables worden in de beschouwing betrokken. Onvoldoende vergelijkbare transacties worden geëlimineerd, met name indien voor de verschillen niet op betrouwbare wijze kan worden gecorrigeerd (vgl. TP Guidelines 2010, paragrafen 1.33, 2.14 en 3.47). Dat geldt in het bijzonder voor significante verschillen in vestigingsland. Een renteopslag wordt afgeleid uit de vaste rente, indien mogelijk door aftrek van de swaprentes uit overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak. Waar nodig wordt een correctie naar redelijkheid toegepast voor credit rating, looptijd en valuta. Indien geschil bestaat over de credit rating voor een comparable, wordt aangesloten bij de credit rating van Moody’s. Ten slotte wordt aangesloten bij de hoogste gevonden opslag (de bovenkant van de bandbreedte).

Specifieke aspecten van faciliteit 1

5.2.53.

Ter onderbouwing van de correctie van de vergoeding voor faciliteit 1 heeft de Inspecteur de volgende gegevens naar voren gebracht:

  • Een in Bloomberg bepaalde yield to maturity (YTM) per 17 juli 2013 van een door [bedrijf 19] (credit rating BBB) uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 3 jaar en 8 maanden (1,4775249%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 93,242 bps.

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 17 juli 2013 van een door [bedrijf 19] uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 6 jaar en 6 maanden (2,143102%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 121,773 bps.

  • De desbetreffende spreadgegevens inzake [bedrijf 19] heeft hij vervolgens in Excel geëxtrapoleerd naar een looptijd van 7 jaar per 17 juli 2013 (146,2 bps).

  • Een YTM afkomstig uit de Bloomberg BVAL curve van [bedrijf 15] (credit rating BBB-) per 17 juli 2013 voor een looptijd van 7 jaar (3,024%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 181,498 bps.

  • Een in Zweedse kroon uitgegeven obligatie van [bedrijf 21] (credit rating BB) in het jaar 2012. Hieruit leidt de Inspecteur een YTM per 17 juli 2013 voor een resterende looptijd van 4 jaar en 3 maanden af van 4,682775%. Deze vaste rente heeft hij met behulp van de cross currency swap manager (functie XCCY) van Bloomberg omgerekend naar een spread van 258,512 bps.

  • Vervolgens heeft de Inspecteur op basis van de bovenstaande data inzake [bedrijf 19] (BBB; 7 jaar), [bedrijf 15] (BBB-; 7 jaar) en [bedrijf 21] (BB; 4 jaar en 3 maanden) op basis van een formulaire benadering een interpolatie gemaakt om de spread vast te stellen voor een lening met een looptijd van 7 jaar bij een credit rating van BB+. Hij heeft die spread berekend op 2,38%. Hierbij heeft hij tevens gebruikgemaakt van gegevens per 17 juli 2013 inzake [bedrijf 23] (credit rating BBB+, looptijd 7 jaar, spread: 1,113%); dit betreft de hoogste rente van de door hem vastgestelde interkwartiele bandbreedte voor BBB+ per 17 juli 2013 ter onderbouwing van een door hem in een eerdere fase van deze procedure ingenomen meer subsidiair standpunt.

  • De Inspecteur heeft aldus de spread voor een lening van 7 jaar bij een credit rating van BB+ vastgesteld op 2,38% en stelt zich op het standpunt dat de at arm’s length opslag 2,38% bedraagt.

5.2.54.

In het nader stuk van 12 juni 2026 heeft de Inspecteur onder verwijzing naar bijlage 134 bij het nader stuk van 27 februari 2026 aan het vorenstaande toegevoegd dat indien de credit rating van [bedrijf 23] niet BBB+ zou zijn, maar slechts BBB (zoals belanghebbende stelt), wat zou betekenen dat in de interpolatie de waarde van 1,11% moet worden vervangen door de naastliggende rente van 1,06% van [bedrijf 27] S.A. (credit rating BBB+). Hij concludeert dat dit uiteindelijk slechts een verwaarloosbaar verschil in de interpolatie oplevert, zodat hij geen reden ziet om af te wijken van zijn standpunt.

5.2.55.

Belanghebbende heeft daartegenover gewezen op gegevens betreffende [bedrijf 14] en [bedrijf 22] . Gelet op de vestigingslanden van deze ondernemingen, gaat het Hof voorbij aan deze comparables.

5.2.56.

Ook de door de Inspecteur aangedragen comparable van [bedrijf 21] wijst het Hof van de hand. Vanwege de andersluidende valuta (in Zweedse kroon), het verschil in looptijd (4,3 jaar versus 7 jaar) en het verschil in credit rating (BB versus BB+) zouden daarop nog diverse correcties moeten worden doorgevoerd. Uit het dossier laat zich onvoldoende afleiden hoe dat zou moeten geschieden. Het is voor de beslechting van het geschil ook niet nodig, nu de Inspecteur twee beter vergelijkbare comparables heeft aangedragen. In dat geval prevaleert eliminatie boven correctie. Met name voor het verschil in looptijd verschaft het dossier ten aanzien van de comparable van [bedrijf 21] onvoldoende aanknopingspunten voor een schatting die voldoet aan de eis van een redelijke mate van nauwkeurigheid, nu daarvoor niet kan worden uitgegaan van de door de Inspecteur doorgevoerde interpolatie (zie hierna).

5.2.57.

Het voorgaande betekent dat de door de Inspecteur aangedragen comparables van [bedrijf 19] en [bedrijf 15] als geschikte comparables resteren.

5.2.58.

Belanghebbende heeft ten aanzien van de comparable van [bedrijf 15] terecht naar voren gebracht dat de Inspecteur van een minder geschikte Euribor-swaprente van 1,21% is uitgegaan, aangezien uit overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak volgt dat een swaprente van 1,14% moet worden gehanteerd op basis van een resterende looptijd van zeven jaar. Deze door het Hof in de tussenuitspraak vastgestelde swaprente is bruikbaar indien de comparable – zoals hier – dezelfde ingangsdatum en looptijd (of: meettijdstip en resterende looptijd) heeft als de desbetreffende faciliteit. Belanghebbende heeft ten aanzien van de comparable van [bedrijf 15] voorts naar voren gebracht dat de Inspecteur [bedrijf 15] evenzeer als datapunt voor BBB- had moeten meenemen. Aangezien Moody’s de credit rating van [bedrijf 15] op 17 juli 2013 op Baa2 (= BBB) stelde, dient naar het oordeel van het Hof van die credit rating te worden uitgegaan. Nu voor het verschil in credit rating vanwege de veranderde credit rating van [bedrijf 15] en het wegvallen van de comparable van [bedrijf 21] niet kan worden uitgegaan van de interpolatie die de Inspecteur doorvoert, zal het Hof op andere wijze corrigeren voor dit verschil. Het dossier bevat namelijk aannemelijk geworden feitelijke aanknopingspunten die het mogelijk maken om met een redelijke mate van nauwkeurigheid te corrigeren voor het verschil. Het Hof maakt daarbij gebruik van door de Inspecteur verstrekte geaggregeerde yield curves van Bloomberg over obligaties in Euro uit de Europese Unie (bijlage 139 bij het nader stuk van 27 februari 2026, p. 3), die door partijen zijn gebruikt bij correcties voor credit ratings voor overgangen tussen BB+ en BBB, door belanghebbende ten behoeve van de beprijzing van faciliteiten 1 en 5 (nader stuk van 24 april 2026, punten 20 en 47) en door de Inspecteur ten behoeve van de beprijzing van faciliteit 3 (nader stuk van 27 februari 2026, bijlage 133, p. 4 en nader stuk van 5 juni 2026, bijlage 151, p. 2). Uit deze gegevens leidt het Hof schattenderwijs af dat voor de overgang van BB+ naar BBB- voor leningen met een looptijd van zeven jaar een verschil van 164,7 -/- 85,8 = 78,9 bps kan worden gevonden en voor de overgang van BBB- naar BBB een verschil van 85,8 -/- 64,0 = 21,8 bps. Uitgaande van een correctie voor credit rating van 78,9 + 21,8 = 100,7 bps en van de swaprente uit de tussenuitspraak (1,14%), wordt voor [bedrijf 15] een opslag gevonden van: 3,024% -/- 1,14% + 1,007% = 2,89%.

5.2.59.

Wat betreft de comparables van [bedrijf 19] kan worden aangesloten bij de door de Inspecteur doorgevoerde extrapolatie voor een verschil in looptijd. De daarop door belanghebbende geleverde kritiek faalt (zie 5.2.34 hiervoor). Ook op deze comparable dient een correctie voor het verschil in credit rating (BBB versus BB+) te worden toegepast, op eenzelfde wijze als voor de comparable van [bedrijf 15] is geschied (+ 100,7 bps). Dit leidt voor [bedrijf 19] tot een opslag van: 1,46% + 1,007% = 2,47%. Belanghebbende heeft nog naar voren gebracht dat de Inspecteur voor de swaps ter zake van de comparables van [bedrijf 19] een onjuiste datum heeft gehanteerd (7 juli 2013 in plaats van 17 juli 2013). De Inspecteur is evenwel van mening dat het hier om een verwaarloosbaar verschil gaat. Het Hof acht dit aannemelijk en volgt de Inspecteur in de door hem toegepaste swaps. Voor de uitkomst maakt dat overigens, gelet op de hierna volgende overweging, geen verschil.

5.2.60.

Het voorgaande leidt het Hof tot de slotsom dat uitgaande van de voor belanghebbende meest gunstige comparable ( [bedrijf 15] ), de zakelijke opslag uitkomt op 2,89%. Deze opslag ligt hoger dan de door de Inspecteur bepleite opslag van 2,38%, maar beduidend lager dan de herrekende kostenopslag van 4,12%. De Inspecteur heeft de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat een zakelijke totale-kostenopslag niet meer dan 2,89% had bedragen.

Specifieke aspecten van faciliteit 3

5.2.61.

Ter onderbouwing van de correctie van de vergoeding voor faciliteit 3 heeft de Inspecteur de volgende gegevens naar voren gebracht:

  • Aan de hand van een viertal door [bedrijf 15] (credit rating BBB) uitgegeven obligaties, met – volgens de Inspecteur – op 1 mei 2009 nog resterende looptijden van respectievelijk 4,75 jaar, 5,52 jaar, 7 jaar en 10 jaar, heeft de Inspecteur in Excel in een tabel en een grafiek de YTM van [bedrijf 15] per 1 mei 2009 voor een lening van 6 jaar bepaald op 6,4%.

  • De Inspecteur heeft de door hem gevonden vaste rente (6,4%) omgerekend naar een spread van 3,16%.

  • De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de at arm’s length opslag 3,16% bedraagt.

5.2.62.

Ook belanghebbende gebruikt [bedrijf 15] als comparable. Volgens belanghebbende moet [bedrijf 15] in de eerste plaats echter worden geacht een credit rating BBB+ te hebben. Ze verwijst naar de waardering van twee kredietbeoordelaars (S&P en Fitch), alsmede naar overweging 5.8.24 van de tussenuitspraak, welke overweging onder meer als volgt luidt: “Ook het verschil in kredietwaardigheid tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 15] N.V. (BBB vs. BBB+) vormt naar het oordeel van het Hof zonder nadere onderbouwing onvoldoende verklaring voor het grote verschil in opslag.” Anders dan belanghebbende meent, valt hierin geen feitelijk oordeel zonder voorbehoud over de relevante credit rating van [bedrijf 15] te lezen, maar slechts een verwerping van een redenering van belanghebbende bij gebrek aan onderbouwing. Aangezien Moody’s de credit rating van [bedrijf 15] op 1 mei 2009 op Baa2 (= BBB) stelde, dient van die credit rating te worden uitgegaan. Het Hof komt derhalve niet toe aan beoordeling van het subsidiaire standpunt van de Inspecteur (inhoudende een correctie voor het verschil van één notch), dat hij heeft ingenomen voor het geval moet worden uitgegaan van de door belanghebbende aangedragen credit rating van [bedrijf 15] van BBB+. Wel heeft het Hof geconstateerd dat de Inspecteur meerdere fouten heeft gemaakt met de datum (diverse yields zijn bepaald naar 5 januari 2009 of 4 februari 2009 in plaats van naar 1 mei 2009). Huygens heeft dit ook opgemerkt in productie 5 bij het nader stuk van 24 april 2026. De Inspecteur meent dat de fout niet materieel is en mogelijk belanghebbende bevoordeelt. Belanghebbende maakt zelf uiteindelijk geen punt van de datum en rekent verder met de comparable van [bedrijf 15] . Ook het Hof zal in navolging van partijen hiervan uitgaan. Belanghebbende heeft terecht erop gewezen dat de Inspecteur van een minder geschikte Euribor-swaprente is uitgegaan van 3,24% in plaats van de swaprente van 2,62% die het Hof in overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak heeft vastgesteld. Uitgaande van de juiste swaprente bedraagt de opslag: 6,4% -/- 2,62% = 3,78%, hetgeen lager is dan de vastgestelde totale ex ante opslag van 4,11%.

5.2.63.

Belanghebbende heeft voorts gewezen op comparables van [bedrijf 23] (credit rating BBB) en van [bedrijf 24] (credit rating BBB). De marge voor de obligatie van [bedrijf 23] is volgens belanghebbende 4,67%, met op 1 mei 2009 een resterende looptijd van 6 jaar en 2 maanden. Volgens de Inspecteur moet worden uitgegaan van een opslag van 4,25%, wat hoger is dan de herrekende kostenopslag van 4,11%. De Inspecteur voert ter verklaring hiervan aan dat [bedrijf 23] in 2008 en 2009 met ernstige problemen kampte en daarom op ‘credit watch negative’ stond. Bij [bedrijf 1] speelden deze problemen volgens de Inspecteur niet, en al helemaal geen problemen die aanleiding zouden zijn om haar credit rating ‘on watch negative’ te stellen. Hij concludeert dan ook dat [bedrijf 23] geen vergelijkbare onderneming is. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende echter terecht erop gewezen dat de door de Inspecteur aangehaalde problemen bij [bedrijf 23] al waren verwerkt in de downgrade van de credit rating per eind maart/begin april 2009, terwijl faciliteit 3 werd aangegaan in mei 2009. Deze comparable heeft voorts een zeer vergelijkbare looptijd en een vergelijkbaar vestigingsland.

5.2.64.

Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur niet de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die nodig zijn voor het oordeel dat de herrekende kostenopslag van 4,11% voor faciliteit 3 boven een zakelijke bandbreedte ligt. Niet wordt toegekomen aan beoordeling van de door belanghebbende aangedragen comparable van [bedrijf 24] .

5.2.65.

Volledigheidshalve merkt het Hof op dat nog wel denkbaar is dat weliswaar niet kan worden vastgesteld dat de kosten over de gehele looptijd bezien te hoog waren, maar dat deze in afzonderlijke jaren wel boven de zakelijke bandbreedte uitkwamen, zoals de Inspecteur heeft geopperd tijdens de regiezitting van 17 december 2025. Uit het hiervoor onder 2.2 opgenomen overzicht blijkt echter dat de ex post berekende kostenopslagen in alle jaren minder dan 4,11% bedroegen, zodat dit probleem zich bij faciliteit 3 niet voordoet. Bovendien heeft het Hof tijdens de regiezitting voorlopig geoordeeld dat in zulke jaren niet kan worden gecorrigeerd. Het Hof ziet geen reden om van dat voorlopige oordeel af te wijken. Immers, zolang de voor een faciliteit vastgestelde zakelijke renteopslag hoger is dan de daarvoor vastgestelde totale ex ante opslag, moet ervan worden uitgegaan dat de prijsstelling voor die faciliteit zakelijk is en bestaat geen aanleiding voor correctie. Een andere benadering zou bovendien neerkomen op een correctie op basis van kennis achteraf, hetgeen in beginsel onwenselijk is.

Specifieke aspecten van faciliteit 3a

5.2.66.

Hiervoor onder 5.2.7 is reeds geoordeeld dat de Inspecteur voor faciliteit 3a terecht is uitgegaan van de credit rating BBB, niettegenstaande het andersluidende betoog van belanghebbende na de tussenuitspraak.

5.2.67.

Ter onderbouwing van de correctie van de vergoeding voor faciliteit 3a heeft de Inspecteur de volgende gegevens naar voren gebracht:

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 1 mei 2015 van een door [bedrijf 20] (credit rating BBB) uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 5 jaar en 9 maanden (0,889924%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 68,531 bps.

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 1 mei 2015 van een door [bedrijf 20] uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 3,6 jaar (0,549810%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 50,143 bps.

  • Deze spreads inzake [bedrijf 20] heeft hij vervolgens in Excel geïnterpoleerd naar een looptijd van 5 jaar per 1 mei 2015 (0,617%).

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 1 mei 2015 van een door [bedrijf 19] (credit rating BBB) uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 1 jaar en 11 maanden (0,338005%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 37,625 bps.

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 1 mei 2015 van een door [bedrijf 19] uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 3 jaar en 8 maanden (0,605287%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 54,744 bps.

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 1 mei 2015 van een door [bedrijf 19] uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 4 jaar en 8 maanden (0,822006%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 69,476 bps.

  • De desbetreffende data inzake [bedrijf 19] heeft hij vervolgens aan de hand van de ‘fitted curve’-functie in Bloomberg geëxtrapoleerd naar een looptijd van 5 jaar per 1 mei 2015 (YTM: 0,912%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 76,566 bps.

  • De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de at arm’s length opslag 0,691% bedraagt. Dit is het gemiddelde van de door hem gevonden spreads voor een looptijd van 5 jaar per 1 mei 2015 inzake [bedrijf 20] (0,617%) en [bedrijf 19] (0,766%).

  • Hij voegt – onder verwijzing naar de mediane waarneming inzake de risico-opslagen van ondernemingen met credit ratings van BBB+ (0,526%) en een door hem gevonden spread van 0,74% voor [bedrijf 15] (credit rating BBB-) – daaraan toe dat de door hem vastgestelde at arm’s lengthopslag van 0,691% in lijn ligt met de wetmatigheid dat naarmate het risico stijgt, de spread per notch steeds meer toeneemt, maar slechts in beperkte mate en daarbij tussen de waarnemingen BBB+ en BBB- blijft.

5.2.68.

Belanghebbende heeft daartegenover gewezen op gegevens betreffende [bedrijf 14] en [bedrijf 25] . Het Hof gaat voorbij aan de door belanghebbende aangedragen comparables gelet op het vestigingsland van [bedrijf 14] (zie ook 5.2.55) en hetgeen de Inspecteur omtrent de obligatie van [bedrijf 25] naar voren heeft gebracht. Hij heeft namelijk terecht erop gewezen dat ook deze obligatie uit een oogpunt van vestigingsland niet goed vergelijkbaar is, omdat [bedrijf 25] niet op eigen kracht de obligatie uit de markt heeft gehaald. De door haar uitgegeven obligatie wordt immers gegarandeerd door de Indonesische moedermaatschappij ( [bedrijf 28] ). Het Hof acht aannemelijk dat bij de beprijzing van obligaties uitgegeven onder het desbetreffende programma, financiers hun blik richten op het vestigingsland van de moedermaatschappij (Indonesië), omdat de kans groot is dat zij de schuld bij haar zullen moeten verhalen indien de schuldenaar in verzuim geraakt. Ook belanghebbende is daarvan kennelijk uitgegaan, aangezien zij bij wijze van toelichting op deze comparable de credit rating van de Indonesische moedermaatschappij heeft overgelegd.

5.2.69.

Ten aanzien van de door de Inspecteur aangedragen comparables van [bedrijf 20] heeft belanghebbende daartegenover gewezen op de Spaanse achtergrond van dit bedrijf, zodat het vestigingsland volgens haar mogelijk niet Duitsland maar Spanje (Zuid-Europa) is, en deze onderneming niet als voldoende vergelijkbaar geldt. Het Hof verwerpt deze stelling bij gebrek aan onderbouwing, nog daargelaten dat het verwerpen van deze comparables niet in het voordeel van belanghebbende zou werken. Het enkele feit dat [bedrijf 20] deel uitmaakt van de Spaanse [groep] is onvoldoende voor de conclusie dat deze vennootschap moet worden geacht niet in West-Europa te zijn gevestigd. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Inspecteur een andere functie in Bloomberg had moeten gebruiken (zoals de ‘fixed income screening tool’) en dat hij dan voor [bedrijf 20] andere yields zou hebben gevonden, in de richting van 64,8 bps en 103,4 bps. Volgens belanghebbende is de Inspecteur daardoor uiteindelijk 14 bps – te weten: 103 bps (correcte YTM volgens belanghebbende) -/- 89 bps (door de Inspecteur gebruikt) – te laag uitgekomen. Dit impliceert dat zij de geïnterpoleerde opslag op 0,617% + 0,14% = 0,757% zou willen stellen. De Inspecteur heeft gesteld de aanwijzingen van Bloomberg te hebben gevolgd en niet in te zien waarom zijn berekeningen onjuist zouden zijn. Deze reactie maakt niet duidelijk waarom zijn swap adequater is dan die van belanghebbende, zodat naar het oordeel van het Hof van die laatste moet worden uitgegaan. Uitgaande van het door belanghebbende gevonden verschil van 14 bps bedraagt de opslag: 0,617% (de door de Inspecteur voor [bedrijf 20] gevonden geïnterpoleerde opslag) + 0,14% = 0,757%.

5.2.70.

Ten aanzien van de comparables van [bedrijf 19] heeft belanghebbende terecht erop gewezen dat de Inspecteur van een minder geschikte Euribor-swaprente is uitgegaan van (afgerond) 0,15% in plaats van de swaprente van 0,13% die het Hof in overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak heeft vastgesteld. Uitgaande van de juiste swaprente bedraagt de opslag: 0,91% -/- 0,13% = 0,78%.

5.2.71.

Het voorgaande leidt het Hof tot de slotsom dat uitgaande van de voor belanghebbende meest gunstige comparable ( [bedrijf 19] ), de zakelijke opslag uitkomt op 0,78%. Deze opslag ligt hoger dan de door de Inspecteur bepleite opslag (0,691%), maar ruimschoots lager dan de herrekende kostenopslag van 2,47%. De Inspecteur heeft de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat een zakelijke totale-kostenopslag niet meer dan 0,78% had bedragen.

Specifieke aspecten van faciliteit 7bn

5.2.72.

Ter onderbouwing van de correctie van de vergoeding voor faciliteit 7bn heeft de Inspecteur de volgende gegevens naar voren gebracht:

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 8 mei 2012 van een door [bedrijf 19] (credit rating BBB) uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 4 jaar en 11 maanden (2,437835%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 148,392 bps.

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 8 mei 2012 van een door [bedrijf 19] uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 6 jaar en 8 maanden (2,986976%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 166,147 bps.

  • De desbetreffende spreadgegevens inzake [bedrijf 19] heeft hij vervolgens in Excel geëxtrapoleerd naar een looptijd van 7 jaar per 8 mei 2012 (1,69%).

  • Een YTM afkomstig uit de Bloomberg BVAL curve van [bedrijf 15] (credit rating BBB) per 8 mei 2012 voor een looptijd van 7 jaar (3,093%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 171,692 bps.

  • De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de at arm’s length opslag 1,705% bedraagt. Dit is het gemiddelde van de door hem gevonden spreads voor een looptijd van 7 jaar per 8 mei 2012 inzake [bedrijf 19] (1,69%) en [bedrijf 15] (1,72%).

  • Hij voegt– onder verwijzing naar de mediane waarneming inzake de risico-opslagen van ondernemingen met credit ratings van BBB+ (1,506%) – daaraan toe dat de door hem vastgestelde at arm’s length opslag van 1,705% in lijn ligt met de wetmatigheid dat naar mate het risico stijgt, de spread per notch steeds meer toeneemt. De waargenomen stijging van de spread van BBB+ (1,506%) naar BBB (1,705%) past volgens de Inspecteur bij de algemene verwachting van een beperkte stijging.

5.2.73.

De door de Inspecteur gevonden yield voor [bedrijf 15] op 8 mei 2012 voor een looptijd van 7 jaar is 3,093%. Belanghebbende heeft terecht erop gewezen dat de Inspecteur van een minder geschikte Euribor-swaprente is uitgegaan van (afgerond) 1,38% in plaats van de swaprente van 1,31% die het Hof in overweging 5.8.16 van de tussenuitspraak heeft vastgesteld. Uitgaande van de juiste swaprente bedraagt de opslag voor de comparable van [bedrijf 15] : 3,093% -/- 1,31% = 1,783%. Voor [bedrijf 19] heeft de Inspecteur twee yields geswapt die hij vervolgens heeft geëxtrapoleerd naar een opslag voor een looptijd van 7 jaar van 1,69%. Het Hof stelt vast dat de comparable van [bedrijf 15] voor belanghebbende het meest gunstig is, zodat in beginsel daarvan moet worden uitgegaan.

5.2.74.

Belanghebbende heeft daartegenover gewezen op gegevens betreffende [bedrijf 14] (credit rating BBB) en [bedrijf 26] (credit rating BBB). Het Hof gaat voorbij aan de door belanghebbende gebruikte yield curve voor [bedrijf 14] , gelet op de vestigingsplaats van deze onderneming (zie ook hiervoor onder 5.2.55). Wat betreft [bedrijf 26] draagt belanghebbende een obligatie aan waarvan op 8 mei 2012 de YTM 3,21% bedroeg met een resterende looptijd van 4,8 jaar en een marge over Euribor van 1,90%. Op deze marge dient derhalve nog een aanpassing te worden gemaakt voor het verschil in resterende looptijd van 2,2 jaar. Belanghebbende sluit daarvoor aan bij het verschil dat de Inspecteur heeft gevonden voor 1,8 jaar voor de comparables van [bedrijf 19] en bepleit op die grond een correctie van (ten minste) 55 bps. De Inspecteur klaagt terecht over de onderbouwing daarvan. Het blijkt te gaan om het verschil tussen de (totale) yields van de twee [bedrijf 19] -obligaties op 8 mei 2012: 2,986% (6 jaar en 8 maanden) -/- 2,43 (4 jaar en 11 maanden) = 0,556%. Het is echter niet juist om daarvan uit te gaan, omdat deze twee leningen door de afwijkende resterende looptijd ook een afwijkende swaprente moeten krijgen. Het verschil in basisrente mag naar het oordeel van het Hof niet doorwerken in een correctie op de opslag. Nauwkeuriger acht het Hof een methode waarin wordt vergeleken met de door de Inspecteur geëxtrapoleerde zevenjaars opslag: 169 bps (7 jaar) -/- 148,39 bps (4 jaar en 11 maanden) = 21 bps. Aangezien aannemelijk is dat het verschil in looptijd tussen onafhankelijke partijen zou worden gecompenseerd met een hogere renteopslag, volgt het Hof de benadering van belanghebbende om voor deze correctie aan te sluiten bij de [bedrijf 19] -correctie van de Inspecteur, maar stelt het gelet op het voorgaande in dat geval schattenderwijs de correctie op 21 bps. De Inspecteur heeft ten aanzien van [bedrijf 26] voorts nog erop gewezen dat deze onderneming onvergelijkbaar is met [bedrijf 1] , ondanks dat zij dat qua vestigingsland, credit rating, bedrijfstak en omvang in beginsel wel lijkt te zijn. Hij wijst daartoe op problemen rondom de joint venture waarvan [bedrijf 26] deel uitmaakte. Die tegenwerping acht het Hof niet overtuigend, reeds omdat de gebruikte nieuwsberichten dateren van ongeveer een maand na 8 mei 2012 (bijlagen 155 en 156 bij het nader stuk van 27 februari 2026).

5.2.75.

Het voorgaande leidt het Hof tot de slotsom dat uitgaande van de voor belanghebbende meest gunstige comparable ( [bedrijf 26] ), de zakelijke opslag uitkomt op 1,90% + 0,21% = 2,11%. Deze opslag ligt hoger dan de door de Inspecteur bepleite opslag van 1,705%, maar beduidend lager dan de herrekende kostenopslag van 2,65%. De Inspecteur heeft de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat een zakelijke totale-kostenopslag niet meer dan 2,11% had bedragen.

c. Comparables faciliteit 5

5.2.76.

Zoals het Hof in overweging 5.8.27 van de tussenuitspraak heeft geoordeeld, leent de totale-kostenbenadering zich niet voor de beoordeling van de hoogte van de vergoedingen ter zake van faciliteit 5. Deze faciliteit heeft niet primair het karakter van een geldlening, maar betreft een andersoortige overeenkomst, waarbij de schuldenaar onder voorwaarden krediet kan opnemen als dit in de toekomst nodig blijkt. Voor deze faciliteit heeft het Hof dan ook geen swaprente vastgesteld, zodat die problematiek (zie 5.2.50 en 5.2.51 hiervoor) hier niet speelt.

5.2.77.

Het Hof heeft primair de hoogte van de commitment fee zelfstandig getoetst. De commitment fee is in het geval van faciliteit 5 bepaald op 40% van de door belanghebbende vastgestelde all-in-rate. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de Inspecteur niet de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit kan worden opgemaakt dat dit percentage zich buiten de at arm’s length bandbreedte bevindt (zie overweging 5.8.30 van de tussenuitspraak).

5.2.78.

In de tussenuitspraak is voorts geoordeeld dat de kritiek van de Inspecteur op de vaststelling van de all-in rate (500 bps), die dient als grondslag voor de berekening van de commitment fee, doel treft. Gelet op het door hem gedane bewijsaanbod, is de Inspecteur in staat gesteld om bewijs te leveren waaruit volgt wat een at arm’s length renteopslag ter zake van faciliteit 5 zou bedragen, uitgaande van de door belanghebbende vastgestelde credit rating (BB+).

5.2.79.

Ter onderbouwing van de correctie van de vergoeding voor faciliteit 5 heeft de Inspecteur na de tussenuitspraak de volgende gegevens naar voren gebracht:

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 5 juli 2012 van een door [bedrijf 19] (credit rating BBB) uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 4 jaar en 9 maanden (2,560203%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 184,485 bps.

  • Een in Bloomberg bepaalde YTM per 5 juli 2012 van een door [bedrijf 19] uitgegeven obligatie met een resterende looptijd van 6 jaar en 8 maanden (3,105026%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 202,752 bps.

  • De desbetreffende spreadgegevens inzake [bedrijf 19] heeft hij vervolgens in Excel geëxtra- respectievelijk geïnterpoleerd naar looptijden per 5 juli 2012 van respectievelijk 3 jaar (166,218 bps) en 5 jaar (187,0946 bps).

  • Een YTM afkomstig uit de Bloomberg BVAL curve van [bedrijf 15] (credit rating BBB) per 5 juli 2012 voor een looptijd van 3 jaar (1,729%). Deze vaste rente heeft hij omgerekend naar een spread van 135,865 bps.

  • Een op [datum] in Zweedse kroon uitgegeven obligatie door [bedrijf 21] (credit rating BB) voor een looptijd van 5 jaar (5,127318%). Deze vaste rente heeft hij met behulp van de cross currency swap manager (functie XCCY) van Bloomberg omgerekend naar een spread 322,652 bps.

  • Vervolgens heeft de Inspecteur op basis van bovenstaande data een trendanalyse gemaakt om de spread vast te stellen voor een lening per 5 juli 2012 van 3 jaar bij een credit rating BB+. Daartoe heeft hij drie datapunten gebruikt, te weten: 1,51% (BBB; 3 jaar; het gemiddelde van [bedrijf 19] 3 jaar en [bedrijf 15] 3 jaar), 1,87% (BBB; 5 jaar; [bedrijf 19] ) en 3,22% (BB; 5 jaar; [bedrijf 21] ). Hij heeft twee trends bepaald (2,19% en 2,21%).

  • De Inspecteur heeft vervolgens de spread voor een lening van 3 jaar per 5 juli 2012 bij een credit rating van BB+ vastgesteld op 2,21% en stelt zich op het standpunt dat de at arm’s length opslag 2,21% bedraagt.

5.2.80.

De door de Inspecteur aangedragen comparable van [bedrijf 21] wijst het Hof van de hand omdat die lening is aangegaan na de verstrekking van faciliteit 5, hetgeen een onwenselijke en onnodige correctie op basis van kennis achteraf zou opleveren.

5.2.81.

Voor [bedrijf 19] heeft de Inspecteur een opslag gevonden van 1,66218% voor een looptijd van 3 jaar per 5 juli 2012 (zie 5.2.79). Nu voor het verschil in credit rating vanwege het wegvallen van de comparable van [bedrijf 21] niet kan worden uitgegaan van de interpolatie die de Inspecteur doorvoert, zal het Hof op basis van hiervoor onder 5.2.58 vermelde geaggregeerde yield curves voor het verschil in credit rating tussen BBB en BB+ bij een looptijd van 3 jaar schattenderwijs uitgaan van een correctie van 121,1 -/- 36,0 = 85,1 bps. De opslag komt dan op 1,66% + 0,85% = 2,51%.

5.2.82.

Voor [bedrijf 15] heeft de Inspecteur een driejaars yield per 5 juli 2012 gevonden, te weten 1,729%, die wordt geswapt naar 1,35865% (zie 5.2.79). Over de swaprente bestaat tussen partijen geen geschil. Het Hof zal ook voor deze comparable voor het verschil in credit rating uitgaan van een correctie van 85,1 bps. De opslag komt dan op 1,35865% + 0,85% = 2,20865%, afgerond 2,21%.

5.2.83.

Belanghebbende heeft gewezen op comparables van [bedrijf 14] (credit rating BBB) en van [bedrijf 16] (credit rating BB+). Het Hof gaat voorbij aan de door belanghebbende gebruikte yield curve voor [bedrijf 14] , gelet op de vestigingsplaats van deze onderneming (zie ook hiervoor onder 5.2.55). Wat betreft [bedrijf 16] geldt dat het Hof deze onderneming voor faciliteit 3a als onvoldoende vergelijkbaar heeft verworpen in overweging 5.8.24 van de tussenuitspraak. Op het moment van verstrekking van faciliteit 5 (5 juli 2012) speelde echter de problematiek rond de fusie met [bedrijf 17] nog niet, hetgeen de Inspecteur ook niet bestrijdt. Het Hof maakt uit de door belanghebbende overgelegde stukken wel op dat de obligatie van [bedrijf 16] een converteerbare obligatielening betreft. Belanghebbende heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe met dat verschil rekening moet worden gehouden. De Inspecteur wijst bovendien erop dat sprake is van ‘Keep Well Agreements’: twee Portugese groepsvennootschappen komen overeen bij te springen als [bedrijf 16] niet aan haar betalingsovereenkomsten kan voldoen. De Inspecteur stelt daarom dat [bedrijf 16] , een financieringsvehikel, niet op eigen kracht de lening uit de markt heeft gehaald. Bij de beprijzing van de obligatie zullen financiers hun blik direct richten op het vestigingsland van de twee ‘Keep Well Providers’, waarvan het vestigingsland Portugal is. Dat vestigingsland is dus mede bepalend voor de hoogte van de rente, aldus de Inspecteur. Het Hof volgt de Inspecteur daarin. Al met al constateert het Hof te veel gebreken op het vlak van de vergelijkbaarheid om de comparable van [bedrijf 16] in de beschouwing te betrekken.

5.2.84.

Het voorgaande leidt het Hof tot de slotsom dat uitgaande van de voor belanghebbende meest gunstige comparable ( [bedrijf 19] ), de opslag uitkomt op 2,51%. De Inspecteur heeft aldus de feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat een zakelijke renteopslag niet meer dan 2,51% had bedragen, wat ruimschoots lager is dan de door belanghebbende gehanteerde all-in rate van 5%, die in wezen als renteopslag fungeert voor het opgenomen gedeelte van de faciliteit en als uitgangspunt dient voor de berekening van de commitment fee over het nog niet opgenomen gedeelte.

d. Bewustheid

5.2.85.

De tekst van artikel 8b, lid 1, Wet Vpb stelt voor de correctie van verrekenprijzen geen eisen aan de bedoelingen van de betrokken gelieerde lichamen. Uit de parlementaire behandeling van deze bepaling moet echter worden afgeleid dat naar de bedoeling van de wetgever voor een zodanige correctie wel enige bewustheid van bevoordeling is vereist, doch dat deze in vergaande mate is geobjectiveerd, in die zin dat moet worden getoetst of het voor- of nadeel dat door een afwijking van het at arm’s length-beginsel voor het betrokken lichaam is ontstaan, zijn oorzaak vindt in de gelieerdheid tussen de betrokken lichamen. Naar de opvatting van de wetgever vormt de enkele afwijking van het at arm’s length-beginsel grond voor het vermoeden dat aan deze voorwaarde is voldaan (zie Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 20-21). In het fiscale procesrecht kunnen bewijsvermoedens in de regel worden ontzenuwd. Daarvoor is niet vereist dat de partij in wiens nadeel het bewijsvermoeden werkt feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat het bewijsvermoeden onjuist is; voldoende is dat op grond van hetgeen zij aanvoert en aannemelijk maakt, redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de juistheid van dit vermoeden (zie HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, r.o. 3.2.4). Het Hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit anders zou zijn voor het hiervoor besproken bewijsvermoeden omtrent de bewustheid van bevoordeling.

5.2.86.

Het hiervoor overwogene brengt met zich dat behoudens ontzenuwing door belanghebbende moet worden aangenomen dat de nadelen die voor [bedrijf 1] voortvloeien uit de hiervoor vastgestelde onzakelijkheid van de verrekenprijzen ter zake van de faciliteiten 1, 3a, 5 en 7bn en de [A-lening] hun oorzaak vinden in de gelieerdheid tussen de betrokken schuldeisers en schuldenaren, zodat in beginsel is voldaan aan het bewustheidsvereiste. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet erin geslaagd dit bewijsvermoeden te ontzenuwen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten op grond waarvan redelijkerwijs moet worden betwijfeld dat vorenbedoelde gelieerdheid de drijvende kracht achter de bovenmatige verrekenprijzen is geweest. De blote ontkenning van enige bewustheid roept zodanige twijfel niet op. Het feit dat belanghebbende zich bij de vaststelling van de verrekenprijzen heeft laten adviseren door interne en externe deskundigen volstaat daarvoor evenmin. De enige advisering waarvan het Hof is gebleken, zijn de overgelegde e-mails van bankmedewerkers. In overweging 5.8.22 van de tussenuitspraak heeft het Hof daarover geoordeeld dat die geen betrekking hebben op een daadwerkelijk tot stand gekomen transactie, evenmin een financieringsaanbod vormen en op een zeer beperkte hoeveelheid feitelijke informatie berusten. Er bestaat daarom geen enkele reden om ervan uit te gaan dat de bij de genoemde faciliteiten betrokken partijen blindelings op die e-mails zijn afgegaan bij het sluiten van de overeenkomsten, zodat het bestaan van die e-mails geen grond vormt voor redelijke twijfel aan de gelieerdheid als oorzaak van de bevoordeling. Meer in het algemeen kan aan onzorgvuldigheid bij de vaststelling van verrekenprijzen niet de gevolgtrekking worden verbonden dat uit die verrekenprijzen voortvloeiende voor- en nadelen losstaan van de gelieerdheid tussen de betrokken lichamen. Ten slotte neemt het Hof in aanmerking dat de zeer aanzienlijke omvang van de correcties die het Hof hiervoor aanvaard heeft tot bevestiging strekt van het zojuist aangenomen bewijsvermoeden.

5.3.

Methode van corrigeren (faciliteiten 1, 3a en 7bn)

5.3.1.

Uit het voorgaande volgt dat – afgezien van navorderingsproblematiek (zie 5.6 hierna) – niet alleen voor faciliteit 5, maar ook voor faciliteiten 1, 3a en 7bn aanleiding bestaat voor een correctie. Het Hof heeft over de methode van corrigeren voor die laatste faciliteiten in overweging 5.8.26 van de tussenuitspraak als volgt geoordeeld:

“Het Hof merkt daarbij op dat het vanuit de door belanghebbende voorgestane en door het Hof gevolgde totale-kostenbenadering voor de hand ligt dat de Inspecteur per faciliteit een zakelijk te achten renteopslag onderbouwt en vervolgens aan de hand daarvan de totale jaarlijkse vergoeding bepaalt door een samengestelde rente te berekenen over de verstrekte hoofdsom (zonder aanvullende commitment fees in aanmerking te nemen).”

5.3.2.

Belanghebbende heeft in een door Huygens opgestelde productie bij het nader stuk van 24 april 2026 (productie 1) aangevoerd dat het voor de berekening van de correcties het meest zuiver is om de vastgestelde zakelijke totale financieringskosten te herrekenen naar een marge, die, vermeerderd met commitment fees, op ex ante basis had geleid tot de vastgestelde zakelijke totale ex ante totale financieringskosten. Huygens werpt aldus de stelling op dat indien ruimte bestaat voor correctie, dit dient te gebeuren met inachtneming van de commitment fee-systematiek van belanghebbende (zie dienaangaande overweging 2.1.3 van de tussenuitspraak). Een andere benadering zou ertoe kunnen leiden dat in sommige jaren heel grote verschillen ontstaan. Huygens stelt voor om een zakelijke opslag weer te splitsen in een renteopslag op het uitstaande deel van de lening en een commitment fee over de gehele faciliteit en op basis daarvan de correctie te berekenen.

5.3.3.

Het Hof heeft in de tussenuitspraak reeds zonder voorhoud geoordeeld op welke wijze de eventuele correcties moeten worden berekend (zie de laatste zinnen van de hiervoor onder 5.3.1 aangehaalde overweging 5.8.26 van de tussenuitspraak). Van zeer bijzondere omstandigheden die zouden nopen om van dit oordeel over de berekeningswijze van de correcties terug te komen is niet gebleken. Het Hof heeft wat betreft de methode van corrigeren gekozen voor een praktische benadering, in de wetenschap dat dit een afwijking van de contractuele werkelijkheid inhoudt, juist omdat de totale-kostenbenadering die afwijking reeds veronderstelt. Bij de keuze voor deze benadering speelt voorts mee dat de commitment fees van belanghebbende op zichzelf beschouwd (zonder de totale-kostenbenadering) naar ’s Hofs oordeel onzakelijk zouden zijn, al was het maar vanwege de grondslag waarover zij zijn berekend en die mede de uitstaande bedragen omvat, hetgeen niet past bij de aard van een bereidstellingsprovisie.

5.4.

Bewijsaanboden

5.4.1.

Ter zitting van 16 juni 2026 heeft belanghebbende aangeboden bewijs te leveren van de aard en omvang van problemen die speelden bij de dochterondernemingen van [bedrijf 1] , bijvoorbeeld in [buitenland 6] en [buitenland 2] , waaruit zou blijken dat de zaken die speelden bij [bedrijf 23] (zie 5.2.63) en [bedrijf 26] (zie 5.2.74) zeker geen grotere impact gehad zouden hebben op de obligatierendementen van die ondernemingen dan de impact van vergelijkbare problemen bij [bedrijf 1] . Het Hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij omdat het bij de beoordeling reeds is uitgegaan van de juistheid van de feitelijke stellingen waarop het aangeboden bewijs betrekking heeft.

5.4.2.

Voor zover partijen overigens op de zitting van 16 juni 2026 nog bewijs hebben willen aanbieden, ziet het Hof geen aanleiding daarvoor gelegenheid te bieden, aangezien van partijen – zeker in deze fase van het geding – mag worden verwacht dat zij hun bewijsaanboden beperken tot de hoogst noodzakelijke en deze niet in vrijblijvende bewoordingen doen.

5.5.

Omkering en verzwaring bewijslast

5.5.1.

De Inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat door inhoudelijke gebreken in de aangiften voor alle onderhavige jaren de vereiste aangifte in de zin van artikel 27e, lid 1, AWR niet is gedaan en dat daarom de bewijsrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.

5.5.2.

Het Hof heeft in overweging 5.7.8 van de tussenuitspraak geoordeeld dat vooralsnog geen aanleiding bestaat voor omkering en verzwaring van de bewijslast omdat ten tijde van het doen van de tussenuitspraak nog niet vaststond of de onderhavige verrekenprijzen zich bevinden binnen een zakelijke bandbreedte. Voorafgaand aan dit oordeel heeft het Hof in de tussenuitspraak het volgende toetsingskader neergelegd:

“5.7.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 27e, lid 1, AWR, in samenhang gelezen met artikel 27h, lid 2, AWR, verklaart het Hof, indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het hoger beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

5.7.4.

De omkering en de verzwaring van de bewijslast als bedoeld in artikel 27e, lid 1, AWR vindt plaats onder meer in het geval dat de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Bij inhoudelijke gebreken in de aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast een of meer gebreken in de aangifte worden vastgesteld die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen (zie HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312, BNB 2018/199). Het Hof is van oordeel dat omkering en verzwaring van de bewijslast ook aan de orde kan komen in gevallen – zoals hier – waarin de belastbare winst negatief is. Een andersluidende rechtsopvatting zou – mede gelet op de mogelijkheid van verliesverrekening – leiden tot willekeurige uitkomsten. Dit oordeel wordt ondersteund door het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY6047, BNB 2013/48, in een procedure over een verliesvaststellingsbeschikking, waarin niettemin kwam vast te staan dat de aangifte een gebrek vertoonde dat ertoe leidde dat een verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.

5.7.5.

Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47). In dit verband geldt dat de woorden ‘zich ervan bewust moest zijn’ niet hetzelfde betekenen als ‘weten’. In het kader van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan, betekenen deze woorden dat, ook als de aangifteplichtige niet wist (en zich dus ook niet ervan bewust was) dat door inhoudelijke gebreken in zijn aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, hij zich daarvan in de gegeven omstandigheden wel bewust had moeten zijn, in die zin dat hij dit had behoren te weten (zie HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, BNB 2022/68). Bij de vereiste bewustheid geldt dat kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, in dit verband aan die belastingplichtige moeten worden toegerekend (zie HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663, BNB 2012/227).

5.7.6.

Voor de omkering en de verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangifte is in geen geval plaats als de belastingplichtige bij het doen van de aangifte een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. Dat is het geval indien het standpunt van de belastingplichtige gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. In zo’n geval kan, net zomin als bij het ontbreken van de hiervoor in 5.7.5 bedoelde wetenschap of bewustheid, niet worden gezegd dat de belastingplichtige de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Van een pleitbaar standpunt als hiervoor bedoeld kan uitsluitend worden gesproken indien het een standpunt over de interpretatie van het (fiscale) recht betreft, dus om een – geheel of gedeeltelijk – rechtskundig standpunt. Daaronder is mede te begrijpen de rechtskundige duiding van de feiten. Als de belastingplichtige door de rechtbank (geheel of gedeeltelijk) op rechtskundige gronden in het gelijk is gesteld, zal daarom in volgende instantie het ervoor moeten worden gehouden dat hij een pleitbaar standpunt innam (vgl. HR 5 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970, BNB 2020/108).

5.7.7.

Van het niet doen van de vereiste aangifte kan alleen sprake zijn indien de inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (zie HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268, BNB 2016/192). Partijen hebben desgevraagd ter zitting bevestigd dat belanghebbende voor de onderhavige jaren is uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting, zodat aan vorenbedoelde voorwaarde is voldaan.”

5.5.3.

Indien het Hof de hiervoor onder 5.2.60, 5.2.71, 5.2.75 en 5.2.84 vastgestelde renteopslagen van 2,89% (faciliteit 1), 0,78% (faciliteit 3a) en 2,11% (faciliteit 7bn) en de all-in rate van 2,51% (faciliteit 5) invult in de Excelsheet die de Inspecteur heeft ingediend als bijlage 158 bij zijn nader stuk van 12 juni 2026 (blad ‘Cijfermatige effecten per Loan’, velden E5, H5, I5 en K5, die blijkens de in die bijlage opgenomen leeswijzer gewijzigd kunnen worden), worden de bijbehorende aftrekbare bedragen per faciliteit per jaar gevonden. Aan de hand daarvan kunnen de totale tot dusverre in stand gebleven correcties alsook de daaruit voortvloeiende belastbare bedragen worden berekend. Die bedragen vormen weer de basis voor de berekening van de relatieve afwijkingen per jaar.

5.5.4.

De uitkomst van deze berekeningen is de volgende:

2012/2013

2013/2014

2014/2015

a

Vastgesteld belastbaar bedrag

260.588.284

134.473.544

62.568.417

b

Geaccepteerde rente

48.098.768

60.547.173

54.555.963

c

Kosten faciliteit 1 (2,89%)

15.484.715

17.857.331

d

Kosten faciliteit 3 (aangifte)

86.935.666

87.905.563

88.812.275

e

Kosten faciliteit 3a (0,78%)

f

Kosten faciliteit 5 (2,51%)

11.747.430

25.847.029

26.243.506

g

Rente faciliteit 7bn (2,11%)

93.836.406

116.574.244

115.934.075

h

Correctie [A-lening]

882.924

3.551.121

3.560.351

i

Belastbaar bedrag: a+b-c-d-e-f-g+h

117.050.474

-47.239.713

-128.162.456

j

Afgetrokken bedragen (excl. [A-lening] )

230.669.839

304.239.412

310.268.980

k

Correctie: j-c-d-e-f-g+h

39.033.261

61.978.982

64.982.144

l

Relatieve correctie: (k/i)*100%

33%

-131%

-51%

2015/2016

2016/2017

a

Vastgesteld belastbaar bedrag

49.938.515

289.228.791

b

Geaccepteerde rente

41.576.642

17.718.517

c

Kosten faciliteit 1 (2,89%)

17.289.250

12.049.548

d

Kosten faciliteit 3 (aangifte)

7.175.910

e

Kosten faciliteit 3a (0,78%)

14.948.607

8.396.764

f

Kosten faciliteit 5 (2,51%)

8.838.406

g

Rente faciliteit 7bn (2,11%)

108.850.446

80.390.269

h

Correctie [A-lening]

3.557.908

2.326.439

i

Belastbaar bedrag: a+b-c-d-e-f-g+h

-62.029.554

208.437.166

j

Afgetrokken bedragen (excl. [A-lening] )

237.834.323

150.885.396

k

Correctie: j-c-d-e-f-g+h

84.289.612

52.375.254

l

Relatieve correctie: (k/i)*100%

-136%

25%

5.5.5.

Gelet op het voorgaande stelt het Hof vast dat ter zake van het hiervoor reeds geaccepteerde deel van de correcties sprake is van verhoudingsgewijs aanzienlijke afwijkingen, die ertoe leiden dat voor ieder van de onderhavige jaren de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Laatstbedoelde verschillen zijn ook op zichzelf bezien voor ieder jaar zeer aanzienlijk. Aan dat oordeel kan niet afdoen dat belanghebbende in haar nader stuk van 4 juni 2026 heeft betoogd dat de Inspecteur in zijn berekeningen voor faciliteit 5 is uitgegaan van een verkeerde ingangsdatum (16 oktober 2012 in plaats van 5 juli 2012). Het is namelijk niet aannemelijk dat bij juistbevinding van die stelling voor enig jaar niet langer is voldaan aan de kwantitatieve voorwaarden voor omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof merkt ten slotte op dat de Inspecteur ook andere correcties op de aangiften heeft doorgevoerd, die thans niet meer in geschil zijn. Het gaat om IFRS-correcties in de jaren 2012/2013, 2013/2014 en 2014/2015 en correcties bij de definitieve aanslagregeling, waaronder de “MLC-correctie” in het jaar 2012/2013 (zie ook de tussenuitspraak, onder 2.8.17). Deze correcties behoeven geen behandeling, omdat de Rechtbank in overwegingen 50 en 52 van haar uitspraak heeft geoordeeld dat de Inspecteur voor deze correcties niet aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het bewustheidsvereiste. De Inspecteur is tegen die oordelen in hoger beroep niet opgekomen.

5.5.6.

Vervolgens moet worden beoordeeld of voor de thans voorliggende correcties is voldaan aan het bewustheidsvereiste. Voor het beoordelingskader verwijst het Hof naar overweging 5.7.5 van de tussenuitspraak (zie het citaat in 5.5.2 hiervoor). Het Hof voegt daaraan toe dat het de Inspecteur niet volgt in zijn standpunt dat bij verrekenprijzen in gelieerde verhoudingen die zich buiten de in de artikel 8b Wet Vpb bedoelde marges bevinden per definitie is voldaan aan het bewustheidsvereiste als bedoeld in het leerstuk van de vereiste aangifte. De in de wetsgeschiedenis van artikel 8b Wet Vpb vermelde objectivering van de bewustheid, die hiervoor onder 5.2.85 aan de orde kwam, heeft uitsluitend betrekking op het onzakelijke handelen in gelieerde verhoudingen. Bij de toetsing aan het bewustheidsvereiste in het kader van de vereiste aangifte moet evenwel aan de hand van de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval worden onderzocht of de desbetreffende belastingplichtige ten tijde van het indienen van de aangifte zich ervan bewust was (of had moeten zijn) dat door inhoudelijke gebreken in zijn aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (dan wel dat die bewustheid aan hem kan worden toegerekend), hetgeen een ander voorwerp en een ander tijdstip van toetsing inhoudt (ten tijde van het indienen van de aangifte) dan bij het geobjectiveerde bewustheidsvereiste in het kader van artikel 8b Wet Vpb.

5.5.7.

Het Hof heeft in de tussenuitspraak reeds vastgesteld dat de verrekenprijsdocumentatie voor de faciliteiten 1, 3a, 5 en 7bn belangrijke gebreken vertoonde die maken dat zij onvoldoende grond boden om ervan uit te gaan dat de in rekening gebrachte kosten zakelijk waren (zie de tussenuitspraak, overwegingen 5.8.25 en 5.8.31). Datzelfde geldt naar het oordeel van het Hof voor de [A-lening] , waarvoor een goede interne comparable werd genegeerd (zie de tussenuitspraak, overweging 5.11.6). Daar komt nog bij dat niet aannemelijk is dat kredietwaardigheidsanalyses van [bedrijf 1] beschikbaar waren voor [bedrijf 1] of belanghebbende op de momenten dat belanghebbende de aangiften deed. Door deze omissies kon belanghebbende op het moment dat zij haar aangiften deed niet vaststellen of de door haar vastgestelde rentes zakelijk waren. Zij heeft daarmee op zijn minst lichtvaardig aangifte gedaan. Indien zij wel de redelijkerwijs van een grote, internationaal opererende onderneming als zijzelf te verwachten zorgvuldigheid had betracht, had zij veel betere comparables, zoals de thans besproken obligaties van haar naaste concurrenten [bedrijf 15] en [bedrijf 20] , aangetroffen, die duidelijke en niet te veronachtzamen aanwijzingen hadden opgeleverd dat de door haar vastgestelde all-in rates ruimschoots boven de zakelijke bandbreedte lagen. Het Hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat belanghebbende zich van de onzakelijkheid van de door haar gehanteerde verrekenprijzen, zoals vastgesteld in deze uitspraak, bewust had moeten zijn.

5.5.8.

De door belanghebbende benadrukte omstandigheid dat verrekenprijsbepaling geen exacte wetenschap is en onder omstandigheden ingewikkeld kan zijn, doet aan het voorgaande niet af. Bij de vaststelling van de prijzen die door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen ter zake van de onderhavige faciliteiten is het Hof immers telkens aangesloten bij de voor belanghebbende meest gunstige comparable. Nu belanghebbende voor de faciliteiten 1, 3a, 5 en 7bn zelfs de daaruit voortvloeiende prijzen in aanzienlijke mate heeft overschreden, kunnen de daarmee samenhangende inhoudelijke gebreken in de aangifte niet in redelijkheid worden toegeschreven aan het complexe of inexacte karakter van deze verrekenprijsbepaling. Die vormt immers geen vrijbrief voor grove afwijkingen van at arm’s length prijzen die zij had moeten kennen.

5.5.9.

Bij een waarderingskwestie – zoals hier in wezen aan de orde is – kan bovendien geen sprake zijn van een pleitbaar standpunt, omdat waardering normaliter geen rechtskundige kwestie is (zie HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970, r.o. 3.1.5 en 3.1.6). Dat geldt ook hier. Belanghebbende heeft ook niet aangeduid welk rechtskundig standpunt als pleitbaar zou moeten aangemerkt en op grond waarvan. De door het Hof geconstateerde gebreken in de aangifte vloeien uitsluitend voort uit de onjuiste vaststelling van de credit rating voor faciliteit 3a en het gebruik van ongeschikte comparables om verrekenprijzen vast te stellen. Dat betreft zuiver feitelijke aangelegenheden, die geen pleitbaar standpunt kunnen opleveren.

5.5.10.

Belanghebbende heeft zich nog beroepen op een evenredigheidstoets. Volgens haar wordt de bewijslast namelijk slechts omgekeerd als de tekortkomingen in de aangifte zodanig zijn dat de inspecteur de verschuldigde belasting en de grondslag van de aanslag niet redelijkerwijs kan vaststellen en het verzuim dus voldoende ernstig is. Belanghebbende heeft hierbij geen jurisprudentieverwijzing geplaatst, maar lijkt zich te baseren op jurisprudentie over omkering en verzwaring van de bewijslast bij onherroepelijk geworden informatiebeschikkingen en niet of onjuist ingevulde aangiftevragen. Dit betoog kan niet tot een andere uitkomst leiden. Bij omkering en verzwaring wegens het niet doen van de vereiste aangifte ligt de evenredigheidstoets naar het oordeel van het Hof reeds besloten in het absoluut/relatief-vereiste. Dat is slechts anders indien het niet of onjuist beantwoorden van vragen op het aangiftebiljet tot de conclusie leidt dat niet de vereiste aangifte is gedaan (zie HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767, r.o. 4.2.4 en 4.2.5). Dat de omkering en verzwaring van de bewijslast alleen gelden als de Inspecteur zonder de omkering en verzwaring geen aangifte kan vaststellen, betreft een voorwaarde die door de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad daarover niet wordt gesteld. Bovendien wordt met deze opvatting eraan voorbijgezien dat de omkering en verzwaring van de bewijslast niet alleen dienen om tegemoet te komen aan bewijsproblemen die de inspecteur ondervindt indien de betrokkene niet voldoet aan de verplichting tot het verstrekken van informatie of het voeren van een administratie, maar ook een zware processuele sanctie vormen die als dwangmiddel is gericht op het bevorderen van het doen van juiste en volledige aangiften (zie HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, r.o. 4.4.3). Het standpunt van belanghebbende faalt derhalve.

Redelijke schatting en verzwaarde bewijslast

5.5.11.

Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat de sanctie van artikel 27h, lid 2, AWR in samenhang met artikel 27e, lid 1, AWR moet worden toegepast. Dit betekent dat de bewijslast in deze procedure dient te worden omgekeerd en verzwaard voor alle geschilpunten die betrekking hebben op de hoogte van de bestreden belastingaanslagen. Dientengevolge zal het Hof voor die geschilpunten beoordelen wat een redelijke – niet willekeurige – schatting van de belastbare bedragen zou zijn en in hoeverre belanghebbende heeft doen blijken dat die bedragen te hoog zijn.

5.5.12.

Waar het in dat kader in de eerste plaats op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig onderbouwt met feitelijke stellingen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093, r.o. 3.2.2). Deze beoordeling behelst een minder strenge toets dan de hiervoor uitgevoerde beoordeling of en in hoeverre feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat de belastingplichtige te hoge verrekenprijzen als kosten in zijn aangifte heeft verantwoord (vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.3.2). In het bijzonder mag in dit verband van de inspecteur niet worden verlangd dat hij feiten en omstandigheden aannemelijk maakt die meebrengen dat de door hem gemaakte schatting overeenkomt met de werkelijk verschuldigde belasting. Een zo ver gaande eis zou immers de omkering van de bewijslast ongedaan maken (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093, r.o. 3.2.3).

5.5.13.

Het primaire en het subsidiaire standpunt van de Inspecteur in hoger beroep kunnen naar het oordeel van het Hof niet als een redelijke schatting worden aangemerkt, omdat deze zijn gebaseerd op de credit ratings van [bedrijf 5] , terwijl de Inspecteur bij het opleggen van de voorliggende belastingaanslagen reeds beschikte over de credit ratings van [bedrijf 1] en de onderbouwing daarvan. De thans voorgestane correcties (wat betreft faciliteit 5 zoals nader bepaald in het nader stuk van de Inspecteur van 12 juni 2026 en de daarbij behorende bijlage 158) voldoen naar het oordeel van het Hof wel aan de eisen van een redelijke schatting. De Inspecteur heeft voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit is af te leiden dat de berekening van de correcties niet onredelijk en dus niet willekeurig is. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat die berekening is gebaseerd op geschikte comparables en dat de Inspecteur daarbij kon volstaan met een op gemiddelde gegevens gebaseerde schatting (vgl. HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3291, onderdeel 4).

5.5.14.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of belanghebbende is geslaagd in het van haar verlangde tegenbewijs. Daarvoor is naar ’s Hofs oordeel nodig dat zij per faciliteit een of meer comparables aanwijst waarvan de vergelijkbaarheid buiten redelijke twijfel vaststaat alsook de noodzaak en nauwkeurigheid van eventuele correcties erop, en waarmee overtuigend wordt aangetoond dat en in hoeverre de door de Inspecteur na de tussenuitspraak berekende opslagen onder de bovengrens van een zakelijke bandbreedte liggen. In voorkomende gevallen moet zij bovendien overtuigend aantonen dat de door haar voorgestane swaptechnieken resulteren in een hogere mate van vergelijkbaarheid dan de door de Inspecteur gehanteerde.

5.5.15.

Bij een nadere beoordeling van de beschikbare comparables aan de hand van deze strenge bewijsmaatstaf komt het Hof tot de volgende conclusies:

  • Voor faciliteiten 1 en 5 heeft belanghebbende niet voldaan aan de op haar rustende verzwaarde bewijslast, omdat voor alle geschikte comparables een of meer correcties nodig zijn waarvan zij de omvang niet overtuigend heeft aangetoond. In het geval van faciliteit 1 gaat het dan om de hiervoor onder 5.2.58 beschreven aanpassing van de toepasselijke swaprente en correctie voor credit rating ( [bedrijf 15] ) en de hiervoor onder 5.2.59 vermelde keuze voor een swaprente en correcties voor looptijd en credit rating ( [bedrijf 19] ). In het geval van faciliteit 5 betreft het de hiervoor onder 5.2.81 en 5.2.82 beschreven correcties voor credit rating ( [bedrijf 19] en [bedrijf 15] ). Nu belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft doen blijken waaruit volgt hoe hoog deze correcties zouden moeten zijn, en de ongecorrigeerde opslagen voor alle geschikte comparables (ongeacht de gebruikte swaprente) onder de door de Inspecteur bepleite opslagen van respectievelijk 2,38% en 2,21% liggen, bestaat geen grond voor het oordeel dat deze opslagen te hoog zijn. Daar komt nog bij dat belanghebbende de vergelijkbaarheid van de comparables van [bedrijf 19] niet overtuigend heeft aangetoond, maar juist gemotiveerd heeft bestreden wat betreft de bedrijfstak (zie 5.2.21 hiervoor).

  • Voor faciliteit 3 heeft belanghebbende doen blijken dat de gemiddelde ex ante opslag van 4,11% binnen een zakelijke bandbreedte valt. Zij heeft overtuigend aangetoond dat de comparable van [bedrijf 23] vergelijkbaar is, dat de noodzaak tot correcties ontbreekt (afgezien van een te verwaarlozen correctie voor looptijd). Zelfs indien wordt uitgegaan van de swaptechniek van de Inspecteur, bedraagt de opslag ter zake van deze comparable 4,25%. Hetgeen het Hof hiervoor onder 5.2.63 heeft overwogen, houdt dus ook stand na omkering en verzwaring van de bewijslast.

  • Voor faciliteit 3a is belanghebbende niet geslaagd in de op haar rustende verzwaarde bewijslast, aangezien zij de vergelijkbaarheid van de comparables van [bedrijf 19] niet overtuigend heeft aangetoond, maar juist gemotiveerd heeft bestreden. De resterende comparables van [bedrijf 20] (waarvan belanghebbende overigens de vergelijkbaarheid gemotiveerd heeft bestreden wat betreft de vestigingsplaats, zie 5.2.69 hiervoor) schragen het standpunt van de Inspecteur na de tussenuitspraak, zeker nu belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de door haar voorgestane swaptechniek resulteert in een hogere mate van vergelijkbaarheid dan de door de Inspecteur gehanteerde.

  • Voor faciliteit 7bn heeft belanghebbende doen blijken dat de bovenkant van de zakelijke bandbreedte niet lager ligt dan een opslag van 1,90%. Het hiervoor onder 5.2.74 gegeven oordeel van het Hof over de vergelijkbaarheid van de comparable van [bedrijf 26] verandert namelijk niet door de omkering en verzwaring van de bewijslast, maar belanghebbende heeft de in dezelfde overweging behandelde omvang van de correctie in verband met de looptijd niet overtuigend aangetoond.

Ook bij deze beoordeling gaat het Hof voorbij aan het hiervoor onder 5.4.1 besproken bewijsaanbod, omdat het Hof nog steeds uitgaat van de juistheid van de feitelijke stellingen waarop het aangeboden bewijs betrekking heeft. Voor zover belanghebbende zich voor de door haar voorgestane correcties heeft beroepen op de onder 2.3 vermelde regressieanalyse van Huygens , verwijst het Hof mede naar hetgeen daarover onder 5.2.46 en 5.2.47 is overwogen. Die overwegingen gelden des te meer na omkering en verzwaring van de bewijslast. Ten slotte stelt het Hof vast dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur (in het nader stuk van 12 juni 2026) niet heeft doen blijken dat de Inspecteur in zijn berekeningen voor faciliteit 5 is uitgegaan van een verkeerde ingangsdatum.

5.5.16.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door de Inspecteur voor faciliteiten 1, 3a en 5 na de tussenuitspraak bepleite correcties naar respectievelijk opslagen van 2,38% en 0,691% en een all-in rate van 2,21% standhouden, dat zijn correcties voor faciliteit 7bn dienen te worden beperkt tot correcties naar een opslag van 1,90% en dat de correcties voor faciliteit 3 geheel komen te vervallen.

5.5.17.

Het Hof merkt verder op deze plaats op dat de hiervoor vastgestelde totale-kostenopslag voor faciliteit 3a niet meer lager is dan degene waarvan de Inspecteur is uitgegaan bij het opleggen van de belastingaanslagen. Ter zake van deze lening wordt dus niet toegekomen aan interne compensatie, zodat dat standpunt volledig is behandeld (zie ook onder 4.1 hiervoor, laatste gedachtestreepje).

5.5.18.

Met betrekking tot de wijze waarop de vergoedingen ter zake van faciliteit 5 dienen te worden gecorrigeerd, wordt nog het volgende overwogen. Het Hof heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het – bij het ontbreken van een hoofdsom – in de rede ligt de in de relevante jaren verschuldigde rente en commitment fees te berekenen op wat de Inspecteur in deze procedure heeft aangeduid als ‘de gebruikelijke wijze’, waarbij de commitment fee uitsluitend wordt berekend over het ongebruikte deel van de faciliteit en de rente over het gebruikte deel en de commitment fee niet in mindering wordt gebracht op de zakelijk te achten opslag (zie overweging 5.8.33 van de tussenuitspraak). Gelet hierop dient de correctie voor faciliteit 5 als volgt te worden berekend. De commitment fee komt op: 2,21% * 40% = 0,88% (zie overweging 5.8.30 van de tussenuitspraak), welk percentage belanghebbende mag aftrekken over het nog niet opgenomen deel van de faciliteit. De commitment fee wordt bijgeschreven en over het uitstaande bedrag wordt Euribor + 2,21% rente berekend en bijgeschreven. Naar het Hof begrijpt, heeft de Inspecteur in bijlage 158 bij zijn nader stuk van 12 juni 2026 (waarvan het Hof ook heeft gebruikgemaakt bij de hiervoor in 5.5.3 en 5.5.4 beschreven berekeningen) de aftrekbare kosten ook volgens deze methode berekend, zodat het Hof bij de vaststelling van de belastingaanslagen van de aldaar vermelde bedragen zal uitgaan.

5.6.

Nieuw feit, ambtelijk verzuim, kwade trouw

5.6.1.

Voor het jaar 2012/2013 heeft het geschil tussen partijen betrekking op een navorderingsaanslag en voor het jaar 2013/2014 op een navorderingsaanslag en een verliesvaststellingsbeschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, Wet Vpb, zodat voor correcties in die jaren op grond van artikel 16, lid 1, AWR respectievelijk artikel 20b, lid 3, Wet Vpb de aanwezigheid van een nieuw feit of kwade trouw is benodigd. Het Hof stelt vast dat het gelet op het navolgende meer in het bijzonder slechts nog gaat om de correcties ter zake van de faciliteiten 1 en 7bn. Belanghebbende heeft namelijk ter zitting van 4 februari 2025 desgevraagd bevestigd dat niet wordt betwist dat sprake is van een nieuw feit voor faciliteit 5 en voor de [A-lening] . Verder geldt dat ter zake van faciliteit 3a in de hier aan de orde zijnde jaren geen bedragen in aftrek zijn gebracht. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat geen grond bestaat om de vergoedingen ter zake van faciliteit 3 te corrigeren.

5.6.2.

Het Hof stelt bij de beoordeling van dit geschilpunt voorop dat ook feiten die aanvankelijk niet aan een navorderingsaanslag ten grondslag zijn gelegd en die de inspecteur pas bekend zijn geworden na het opleggen van de navorderingsaanslag en na het verstrijken van de navorderingstermijn, nieuwe feiten kunnen zijn die navordering rechtvaardigen (zie HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7190, r.o. 3.4).

5.6.3.

Thans kan worden vastgesteld dat de onderhavige correcties die standhouden telkens berusten op comparables die de Inspecteur pas in hoger beroep bekend zijn geworden. Gelet op de vooropstelling in 5.6.2 volstaat dat voor het nieuw feit-vereiste. Daar komt bij dat in hoger beroep de discussie tussen partijen – gelet op hetgeen over en weer naar voren is gebracht over de in 3.2 onder a) en in 3.3 onder a) vermelde geschilpunten – vooral gaat over de vraag of de Inspecteur bekend was met de commitment fees en de onzakelijkheid daarvan. Nu het Hof in de tussenuitspraak heeft geoordeeld dat de onderhavige faciliteiten op zichzelf beschouwd niet onzakelijk zijn en dat bij de toetsing van de vergoedingen de totale-kostenbenadering mag worden gehanteerd en in de einduitspraak dat de totale vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3a, 5 en 7bn onzakelijk hoog zijn en moeten worden gecorrigeerd, is het antwoord op die vraag niet meer relevant voor de beoordeling of de Inspecteur bevoegd was om na te vorderen. Daarvoor is thans beslissend of de feiten die het Hof ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat de totale vergoedingen ter zake van faciliteiten 1, 3a, 5 en 7bn onzakelijk hoog zijn, de Inspecteur bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Het Hof ziet evenwel niet in hoe de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen voor de jaren 2012/2013 en 2013/2014 had moeten weten of vermoeden dat de door belanghebbende gehanteerde (herrekende kosten)opslagen te hoog waren, aangezien de Inspecteur daarvoor immers zowel op de hoogte moest zijn van die vergoedingen als de prijzen van geschikte comparables moest kennen. Dit een en ander heeft belanghebbende overigens ook niet gesteld.

5.6.4.

Belanghebbende heeft in het voorwaardelijke incidentele hoger beroep, voor het geval het principale hoger beroep van de Inspecteur over de aftrekbaarheid van de rente slaagt, verder aangevoerd dat de Inspecteur reeds vóór de oplegging van de primitieve aanslagen het voornemen heeft opgevat om onderzoek te doen naar de zakelijkheid van de financieringslasten, zodat hij een ambtelijk verzuim heeft begaan door de resultaten van zijn op dat moment nog te verrichten onderzoek niet af te wachten (zie HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1527). Verder wijst belanghebbende erop dat het verlies van het jaar 2013/2014 bij beschikking van 15 oktober 2016 – derhalve toen de Inspecteur reeds bezig was met een onderzoek naar de aangiften – achterwaarts is verrekend met de winst van het jaar 2012/2013. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur een ambtelijk verzuim begaan dat aan navordering van het in onderdeel 1.1.1 van de tussenuitspraak vermelde achterwaarts verrekende verlies van € 47.975.413 in de weg staat omdat hij de achterwaartse verrekening van dat verlies niet heeft tegengehouden (zie de feiten vermeld in 2.7.8, 2.8.1 en 2.8.2 van de tussenuitspraak).

5.6.5.

De Inspecteur heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat de vraag of sprake is van een ambtelijk verzuim moet worden beoordeeld naar het moment waarop de aanslag inhoudelijk is vastgesteld (zie HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:27, r.o. 4.2). Anders dan belanghebbende meent, is in dit verband de dagtekening van de primitieve aanslagen niet beslissend. De Inspecteur wijst erop dat op 7 juli 2016 de fase van aanslagregeling is afgesloten (zie overweging 2.7.7 van de tussenuitspraak) en dat op het moment van de invoer van de verschillende aanslagen in het computersysteem geen enkel voornemen bestond tot het instellen van een nader onderzoek naar de financieringslasten. Eerst op 22 september 2016 zijn de financieringslasten in kaart gebracht, waarna op 23 september 2016 tijdens een bedrijfsgesprek om een nadere toelichting is gevraagd en in het e-mailbericht van 26 september 2016 schriftelijke vragen zijn gesteld. Hetzelfde heeft te gelden voor de verleende carry-back ten bedrage van € 47.975.413 met dagtekening 15 oktober 2016. De materiële beslissing tot achterwaartse verliesverrekening en de vermindering van de aanslag 2012/2013 is gelijktijdig genomen met de inhoudelijke vaststelling van het verlies over 2013/2014 (op 7 juli 2016), dus vóórdat het onderzoek naar de financieringslasten is gestart.

5.6.6.

Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake van een situatie waarin de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door primitieve aanslagen op te leggen zonder de uitkomsten af te wachten van een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangifte. Belanghebbende heeft in dit kader aangevoerd dat wegens het uitblijven van een goede verklaring voor het ontbreken van interne stukken het vermoeden moet worden aangenomen dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslagen al het voornemen had een onderzoek te starten. Het Hof heeft echter vastgesteld dat het beschikt over het volledige procesdossier (zie onderdeel 5.1 van de tussenuitspraak) en ziet dan ook geen aanleiding een dergelijk vermoeden aan te nemen. Dit betekent dat de Inspecteur eerst ná het opleggen van de onderhavige primitieve aanslagen (met dagtekening 6 augustus 2016 respectievelijk 17 september 2016) een nader onderzoek is gestart naar de onderhavige financieringslasten. Hierop stuit belanghebbendes betoog over het geplande onderzoek naar de financieringen in zijn geheel af.

5.6.7.

Ook het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur op 15 oktober 2016 (de dagtekening van de verliesterugwentelingsbeschikking) al bezig was met een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften 2012/2013 en 2013/2014, zodat hij door de verliesterugwenteling niet tegen te houden een ambtelijk verzuim heeft begaan dat aan navordering ter zake van het achterwaarts verrekende verlies in de weg staat, faalt. Anders dan voor navorderingsaanslagen en verliesvaststellingsbeschikkingen geldt voor verliesverrekeningsbeschikkingen als bedoeld in artikel 21, lid 1, Wet Vpb geen zelfstandig nieuw-feitvereiste. Aangezien de dagtekening van de aanslag 2013/2014 en van de beschikking waarbij het verlies van 2013/2014 is vastgesteld, zijn gelegen vóór het tijdstip waarop het onderzoek is aangevangen en dientengevolge geen sprake is van een ambtelijk verzuim door de resultaten van dat onderzoek niet af te wachten (zie 5.6.6 hiervóór), heeft mutatis mutandis hetzelfde te gelden voor de gelijktijdig met die aanslag en verliesvaststellingsbeschikking afgegeven maar pas later administratief verwerkte verliesterugwentelingsbeschikking.

5.6.8.

Op grond van het hiervoor overwogene is het Hof van oordeel dat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan, alsmede dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij over een nieuw feit beschikt als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR. Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat de Inspecteur wat betreft de correcties ter zake van de faciliteiten 1 en 7bn bevoegd is na te vorderen. Het standpunt van de Inspecteur dat navordering vanwege kwade trouw van belanghebbende gerechtvaardigd is, behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling.

5.7.

Belastingrente

5.7.1.

Belanghebbende heeft zich na de tussenuitspraak beroepen op de uitspraak van het Hof van 10 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:430 (de uitspraak van 10 maart 2026), met het betoog dat aan haar te veel belastingrente in rekening is gebracht. Zij verzoekt het Hof het percentage van de belastingrente van 1 april 2014 tot en met 31 mei 2020 te verminderen naar 4.

5.7.2.

De Inspecteur is primair van mening dat dit geschilpunt buiten de door het Hof toegestane rechtsstrijd valt en als in strijd met de goede procesorde buiten het geschil dient te blijven. De nieuwe stelling van belanghebbende gaat volgens de Inspecteur het bestek van de heropening van het onderzoek te buiten. Subsidiair stelt hij dat het Hof in de uitspraak van 10 maart 2026 een onjuiste maatstaf aanlegt bij de toets van artikel 30hb Awb (tekst tot en met 31 mei 2020) aan de aan het EVRM ontleende beginselen, omdat het Hof uitgaat van ‘een zekere beoordelingsvrijheid’, terwijl uit vaste jurisprudentie blijkt dat de formele wetgever een ruime beoordelingsmarge toekomt. Volgens de Inspecteur is de wettelijke belastrenteregeling niet in strijd met artikel 1 EP en evenmin met artikel 1 EP in combinatie met artikel 14 EVRM. De percentages zijn lawful, de wetgever streeft met de belastingrente legitieme doelen na en de wetgever is bovendien met de belastingrenteregeling, en met name met de hoogte van de rentepercentages die zijn toegepast, binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge gebleven, zodat de regeling de fair balance-toets doorstaat.

5.7.3.

Het Hof stelt vast dat dit geschilpunt een zuiver juridische aangelegenheid betreft. Nu uit het voorgaande reeds volgt dat de belastingrente overeenkomstig de vermindering van de (navorderings)aanslagen moet worden verminderd, dient dat op grond van artikel 8:69, lid 2, Awb te geschieden met inachtneming van de geldende rechtsregels. Het Hof ziet in hetgeen de Inspecteur naar voren heeft gebracht geen aanleiding om daarbij regels toe te passen waarvan het in de uitspraak van 10 maart 2026 op juridische gronden heeft geoordeeld dat deze buiten toepassing moeten blijven. De Inspecteur heeft in zijn nader stuk van 5 juni 2026 inhoudelijk uitvoerig op dit geschilpunt gereageerd en het algemeen belang van een doelmatige procesgang lijdt niet eronder indien de nieuwe stelling van belanghebbende in de beoordeling wordt betrokken. Het feit dat belanghebbende zich pas na de tussenuitspraak heeft beroepen op de uitspraak van 10 maart 2026 staat gelet op het voorgaande niet eraan in de weg de stelling over het belastingrentepercentage te beoordelen.

5.7.4.

Met ingang van 1 april 2014 tot en met 31 mei 2020 verschilde het in artikel 30hb AWR neergelegde rentepercentage voor de vennootschapsbelasting van dat voor de overige rijksbelastingen, waarbij het rentepercentage voor de vennootschapsbelasting werd gelijkgesteld aan de wettelijke rente voor handelstransacties. Gelet op hetgeen in overwegingen 5.9.1 tot en met 5.9.5 van de uitspraak van 10 maart 2026 over deze wettelijke regeling is overwogen en beslist, bij welke overwegingen en beslissing in de onderhavige zaken wordt aangesloten, slaagt het betoog van belanghebbende. Wat betreft het door de Inspecteur naar voren gebrachte punt over de toetsingsmaatstaf voor wetten in formele zin, merkt het Hof op dat de maatstaf van een zekere beoordelingsvrijheid die wordt vooropgesteld in overweging 5.9.1 van de uitspraak van 10 maart 2026 is ontleend aan r.o. 3.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (het Kerstarrest). Zelfs indien het Hof ten onrechte bij die rechtsoverweging is aangesloten en had moeten uitgaan van een ruime beoordelingsvrijheid voor de wetgever (bijvoorbeeld op grond van HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5214, r.o. 3.10; HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1211, r.o. 3.3.1; HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, r.o. 2.4.8; HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:416, r.o. 4.3.2) leidt dat niet tot een andere uitkomst, aangezien het Hof in overweging 5.9.3 van de uitspraak van 10 maart 2026 heeft geoordeeld dat de wetgever buiten die (ruime) beoordelingsmarge is getreden door uitsluitend voor vennootschapsbelastingplichtigen een minimumpercentage van 8 te hanteren, terwijl voor alle andere belastingplichtigen een minimumpercentage van 4 geldt.

5.7.5.

Het voorgaande betekent dat de rentebeschikkingen dienen te worden verminderd voor zover vanaf 1 april 2014 een belastingrentepercentage van 8 (of hoger) is toegepast. De over deze periode verschuldigde belastingrente dient te worden berekend naar een tarief van 4%, te weten: het in de vorenbedoelde periode voor andere belastingplichtigen dan vennootschapsbelastingplichtigen geldende belastingrentepercentage zoals neergelegd in artikel 30hb, lid 1, AWR. Ten aanzien van dat percentage kan niet worden geoordeeld dat dit dusdanig hoog is dat de wetgever daarmee buiten de hem toekomende beoordelingsmarge is getreden (zie HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:591, r.o. 4.2.2, onder verwijzing naar HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.11.5-4.11.6). Opmerking verdient voorts dat belanghebbende wat betreft de renteperiode erop heeft gewezen dat zij met de Inspecteur in de overeenkomst van 8 juli 2019 (zie tussenuitspraak, overweging 2.8.11) is overeengekomen dat de belastingrente ter zake van de navorderingsaanslag 2012/2013 wordt berekend tot en met 31 juli 2019 (zie punt 12 van deze overeenkomst) en dat de belastingrente ter zake van de navorderingsaanslag 2013/2014 wordt berekend tot uiterlijk 29 februari 2020 (zie punt 13 van deze overeenkomst).

5.8.

Conclusies

5.8.1.

Het Hof acht het dienstig zijn oordelen over de hiervoor in 3.2 tot en met 3.5 opgesomde geschilpunten, zoals die zijn gegeven in de tussenuitspraak en de onderhavige einduitspraak, te resumeren.

5.8.2.

In het principale hoger beroep van belanghebbende is het Hof tot het oordeel gekomen:

  • dat de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd (tussenuitspraak, overweging 5.1.3);

  • dat de Inspecteur bevoegd is na te vorderen ter zake van de commitment fees op faciliteit 1 over het jaar 2013/2014 (einduitspraak, overweging 5.6.8);

  • dat toetsing van de verrekenprijzen die zijn overeengekomen voor faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn moet plaatsvinden op het niveau van de totale kosten per faciliteit (tussenuitspraak, overwegingen 5.3.9-5.3.11);

  • dat het aangaan en de vormgeving van faciliteit 5 zakelijk is (tussenuitspraak, overwegingen 5.4.5-5.4.7), maar dat bij de berekening van de vergoedingen ter zake van die faciliteit dient te worden uitgegaan van een all-in rate van 2,21% (einduitspraak, overwegingen 5.5.16 en 5.5.18);

  • dat te dier zake is voldaan aan het geobjectiveerde bewustheidsvereiste (einduitspraak, overweging 5.2.86);

  • dat voor geen van de faciliteiten kan worden gesproken van wetsontduiking of schijnhandeling (tussenuitspraak, overwegingen 5.2.5, 5.2.6 en 5.5.3-5.5.5);

  • dat belanghebbende zich niet met vrucht op het vertrouwensbeginsel kan beroepen (tussenuitspraak, overwegingen 5.10.3-5.10.5); en

  • dat de rentebeschikkingen voor de periode vanaf 1 april 2014 dienen te worden berekend naar een tarief van 4% (einduitspraak, overweging 5.7.5).

5.8.3.

In het hoger beroep van de Inspecteur heeft het Hof geoordeeld:

  • dat de Inspecteur bevoegd is om na te vorderen ter zake van de commitment fees op faciliteit 7bn over de jaren 2012/2013 en 2013/2014 (einduitspraak, overweging 5.6.8);

  • dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard voor alle geschilpunten die betrekking hebben op de hoogte van de voorliggende belastingaanslagen (einduitspraak, overweging 5.5.11);

  • dat de totale kosten ter zake van faciliteiten 1, 3a en 7bn dienen te worden berekend met inachtneming van de hiervoor onder 5.5.16 vermelde renteopslagen en aan de hand van de in overweging 5.8.26 van de tussenuitspraak beschreven methodiek;

  • dat correcties voor (de rente en commitment fees ter zake van) faciliteit 3 achterwege dienen te blijven (einduitspraak, overweging 5.5.16);

  • dat de Inspecteur zich uitsluitend ter zake van de [A-lening] terecht op interne compensatie beroept (tussenuitspraak, overwegingen 5.11.2 en 5.11.7 en einduitspraak, overweging 5.5.17); en

  • dat voor de door het Hof aanvaarde correcties is voldaan aan het geobjectiveerde bewustheidsvereiste (einduitspraak, overweging 5.2.86).

5.8.4.

In het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van belanghebbende heeft het Hof beslist dat de Inspecteur ter zake van de correctie van de rente op de faciliteiten 1 en 7bn over de jaren 2012/2013 en 2013/2014 over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt (einduitspraak, overweging 5.6.8).

5.8.5.

De Rechtbank heeft in het dictum van haar uitspraak de Inspecteur opgedragen de belastingaanslagen overeenkomstig het bepaalde in die uitspraak te verminderen, maar heeft de belastbare bedragen als zodanig niet vastgesteld. Het Hof begrijpt de beslissing van de Rechtbank aldus dat de belastbare bedragen dienen te worden berekend door voor ieder jaar het belastbaar bedrag volgens de uitspraak op bezwaar te schonen van de reeds in aftrek toegelaten rente en commitment fees, en door daarop vervolgens de – gelet op overweging 64 van de uitspraak van de Rechtbank – in aftrek toegestane rente en commitment fees in mindering te brengen, te weten: (i) de commitment fees ter zake van faciliteit 7bn in de jaren 2012/2013 en 2013/2014, berekend volgens de – in de terminologie van de Inspecteur – gebruikelijke wijze, en (ii) de rente volgens het standpunt van belanghebbende ter zake van faciliteiten 1, 3, 3a en 7bn, in alle jaren (voor zover van toepassing), berekend volgens de gebruikelijke wijze. In vergelijking met de aldus vastgestelde belastbare bedragen worden de belastbare bedragen door het Hof voor alle jaren op een hoger bedrag vastgesteld (c.q. de verliezen op een lager bedrag). Hieruit volgt dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is.

5.8.6.

Uit onderdeel 5.7 van deze uitspraak (belastingrente) volgt dat ook het principale hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Het voorwaardelijke incidentele hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5.8.7.

Uit al het voorgaande volgt tevens dat de uitspraak van de Rechtbank, behoudens hetgeen is beslist over de proceskosten en het griffierecht, alsmede de uitspraken op bezwaar moeten worden vernietigd, en dat de (navorderings)aanslagen moeten worden verminderd tot (navorderings)aanslagen berekend naar belastbare bedragen van:

Navorderingsaanslag 2012/2013:

Belastbaar bedrag volgens uitspraak op bezwaar

€ 260.588.284

Reeds toegelaten aftrek

€ 48.098.768

Aftrekbare rente volgens uitspraak Hof:

- Faciliteit 1

- Faciliteit 3

- Faciliteit 3a

- Faciliteit 5

- Faciliteit 7bn

n.v.t.

-/- € 86.935.666

n.v.t.

-/- € 10.339.762

-/- € 85.111.246

Interne compensatie: correctie [A-lening]

€ 882.924

Belastbare winst

€ 127.183.302

Achterwaartse verliesverrekening 2013/2014

-/- € 30.865.843

Belastbaar bedrag

€ 96.317.459

Navorderingsaanslag 2013/2014 en verlies 2013/2014:

Belastbaar bedrag volgens uitspraak op bezwaar

€ 134.473.544

Reeds toegelaten aftrek

€ 60.547.173

Aftrekbare rente volgens uitspraak Hof:

- Faciliteit 1

- Faciliteit 3

- Faciliteit 3a

- Faciliteit 5

- Faciliteit 7bn

-/- € 13.353.476

-/- € 87.905.563

n.v.t.

-/- € 22.719.627

-/- € 105.459.015

Interne compensatie: correctie [A-lening]

€ 3.551.121

Belastbaar bedrag

-/- € 30.865.843

Aanslag 2014/2015 en verlies 2014/2015:

Belastbaar bedrag volgens uitspraak op bezwaar

€ 62.568.417

Reeds toegelaten aftrek

€ 54.555.963

Aftrekbare rente volgens uitspraak Hof:

- Faciliteit 1

- Faciliteit 3

- Faciliteit 3a

- Faciliteit 5

- Faciliteit 7bn

-/- € 14.710.127

-/- € 88.812.275

n.v.t.

-/-€ 23.026.075

-/- € 104.351.650

Interne compensatie: correctie [A-lening]

€ 3.560.351

Belastbaar bedrag

-/- € 110.215.396

Aanslag 2015/2016 en verlies 2015/2016:

Belastbaar bedrag volgens uitspraak op bezwaar

€ 49.938.515

Reeds toegelaten aftrek

€ 41.576.642

Aftrekbare rente volgens uitspraak Hof:

- Faciliteit 1

- Faciliteit 3

- Faciliteit 3a

- Faciliteit 5

- Faciliteit 7bn

-/- € 13.982.678

-/- € 7.175.910

-/- € 12.896.063

-/- € 7.745.368

-/- € 96.857.287

Interne compensatie: correctie [A-lening]

€ 3.557.908

Belastbaar bedrag

-/- € 43.584.241

Aanslag 2016/2017:

Belastbaar bedrag volgens uitspraak op bezwaar

€ 289.228.791

Reeds toegelaten aftrek

€ 17.718.517

Aftrekbare rente volgens uitspraak Hof:

- Faciliteit 1

- Faciliteit 3

- Faciliteit 3a

- Faciliteit 5

- Faciliteit 7bn

-/- € 9.469.502

n.v.t.

-/- € 6.550.560

n.v.t.

-/- € 70.105.354

Interne compensatie: correctie [A-lening]

€ 2.326.439

Belastbare winst

€ 223.148.331

Voorwaartse verliesverrekening 2014/2015 en 2015/2016

-/- € 153.799.637

Belastbaar bedrag

€ 69.348.694

5.8.8.

De bijbehorende beschikkingen belastingrente dienen dienovereenkomstig te worden vernietigd of verminderd, alsmede met inachtneming van hetgeen in 5.7.5 is overwogen en beslist.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof ziet in het bovenstaande aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moet maken, waarbij het Hof de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De proceskosten zijn op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de vorenbedoelde zaken tezamen vastgesteld op € 8.406 (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, en 2 punten voor het verschijnen ter zitting (1 maal 1 punt zitting en twee maal 0,5 punt nadere zitting) met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 2 wegens het gewicht van de zaken en een factor 1,5 voor vier of meer samenhangende zaken).

6.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 548 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;

  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • vermindert de navorderingsaanslag 2012/2013 – na verrekening van het verlies van het boekjaar 2013/2014 (€ 30.865.843) – tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 96.317.459;

  • vernietigt de navorderingsaanslag 2013/2014 en de daarbij gegeven rentebeschikking en stelt het verlies van het boekjaar 2013/2014 nader vast op € 30.865.843;

  • vermindert de aanslag 2014/2015 tot nihil, vernietigt de daarbij gegeven rentebeschikking en stelt het verlies van het boekjaar 2014/2015 vast op € 110.215.396;

  • vermindert de aanslag 2015/2016 tot nihil, vernietigt de daarbij gegeven rentebeschikking en stelt het verlies van het boekjaar 2015/2016 vast op € 43.584.241;

  • vermindert de aanslag 2016/2017 – na verrekening van de verliezen van de boekjaren 2014/2015 (€ 110.215.396) en 2015/2016 (€ 43.584.241) – tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 69.348.694;

  • draagt de Inspecteur op de bij de navorderingsaanslag 2012/2013 en de aanslag 2016/2017 gegeven rentebeschikkingen te verminderen met inachtneming van deze uitspraak;

  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 8.406; en

  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 548 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, R.A. Bosman en W.H.A. Kannekens, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.

De griffier, de voorzitter,

A.S.H.M. Strik C. Maas

De beslissing is op 5 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.