Belastingrecht
Art. 30a Wet WOZ, Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm. Beoordelingsmoment bijzonder geval…
Gerechtshof Den Haag, 7 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3076 · Gerechtshof Den Haag · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3076
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- BK-25/385
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3076
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 30a Wet WOZ, Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm. Beoordelingsmoment bijzonder geval. Geen no cure no pay op het moment van instellen beroep en hoger beroep.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/385
Uitspraak van 7 oktober 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Oosters)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 april 2025, nummer SGR 24/6588.
Procesverloop
Voor het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van het Hof van 8 juli 2026 (de tussenuitspraak) wordt verwezen naar de tussenuitspraak.
Het Hof heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat belanghebbende erin is geslaagd te bewijzen dat zijn geval op het moment van het instellen van het beroep bij de Rechtbank op 24 juli 2024 is aan te merken als een bijzonder geval in de zin van rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).
Voor de beoordeling van de vraag of het geval van belanghebbende voor de procedure in hoger beroep een bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin is, is belanghebbende in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast.
Belanghebbende heeft op 12 augustus 2026 in reactie op de tussenuitspraak een nader stuk ingediend met bijlagen.
De Heffingsambtenaar heeft op 10 september 2026 op het nadere stuk van belanghebbende gereageerd.
Partijen hebben het Hof, ieder afzonderlijk, bericht geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling. Een tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft om die reden niet plaatsgehad. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
Hogerberoepsprocedure
Voor het juridisch kader verwijst het Hof naar rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4 van de tussenuitspraak.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft belanghebbende een overeenkomst van opdracht van 2025 overgelegd. Deze is gelijkluidend aan de in 2024 gebruikte opdrachtovereenkomst (zie rechtsoverweging 5.2.1 van de tussenuitspraak). Daarnaast heeft belanghebbende individuele opdrachtovereenkomsten en facturen van 2025 overgelegd. Overgelegde facturen voor een bezwaar- dan wel een beroepsprocedure op basis van in maart tot en met november 2025 gesloten overeenkomsten variëren in kosten (inclusief btw) van € 349 tot € 1320. Daarnaast heeft belanghebbende facturen overgelegd van € 99 (inclusief btw) voor het beoordelen of een procedure zinvol is.
Het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende ten tijde van het instellen van het hoger beroep op 2 mei 2025 heeft naar het oordeel van het Hof niet het kenmerk van no cure no pay. Met hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd is buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat hij vanaf 1 januari 2024 (dus ook in 2025) voor elke op te starten procedure bedragen in rekening brengt die niet dusdanig laag zijn dat kan worden gezegd dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof van 15 april 2026 geloofwaardig verklaard dat hij met ingang van 1 januari 2024 in nieuw op te starten procedures niet langer werkt op basis van no cure no pay. Dit wordt ondersteund door de door de gemachtigde in het geding gebrachte opdrachtovereenkomsten en facturen over 2025. Het Hof leidt hieruit af dat klanten met ingang van 1 januari 2024 en dus ook in 2025, financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure.
Voor zover de Heffingsambtenaar stelt dat enkel een oordeel over het bedrijfsmodel van de gemachtigde kan worden geveld indien deze alle overeenkomsten, alle facturen en alle betaalbewijzen overlegt, volgt het Hof hem daarin niet. Immers, niet wordt verlangd dat onomstotelijk, buiten alle twijfel, komt vast te staan dat een of meer van de door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken ontbreken. Voldoende is dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat een of meer van die kenmerken ontbreken (zie o.m. HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383, r.o. 2.3.3).
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 en 2.4 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval op het moment van het instellen van het hoger beroep op 2 mei 2025 is aan te merken als een bijzonder geval. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de vergoeding van de proceskosten ook voor de hogerberoepsprocedure moet worden berekend zonder inachtneming van de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a, lid 2, Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
Proceskosten en griffierecht
Er is aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht.
Proceskosten beroepsprocedure
Wat betreft de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep, worden deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, gesteld op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1).
Proceskosten hogerberoepsprocedure en samenhangende zaken
Het Hof merkt, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers en de gelijktijdige behandeling ter zitting, de onderhavige zaak en de zaak met nummer BK-25/647 voor de hogerberoepsprocedure aan als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 Bpb. De vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep wordt, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vastgesteld op € 1.167,50 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 0,5 (licht)). Daarvan komt € 583,75 in de onderhavige zaak voor vergoeding in aanmerking en het overige komt voor vergoeding in aanmerking in de zaak met nummer BK-25/647.
Griffierechten
Verder dient de Heffingsambtenaar het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 aan belanghebbende te vergoeden.
Beslissing
Het Gerechtshof:
-
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de vergoeding van proceskosten betreft;
-
veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van het beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.451,75; en
-
draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, Chr.Th.P.M. Zandhuis en L.D.M.A. Reijs in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.
De griffier, de voorzitter,
D.W. Renes W. de Wit
De beslissing is op 7 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.