Belastingrecht

Precariobelasting. Uitleg overgangsrecht heffing openbare werken van algemeen nut

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
9 oktober 2026
Zaaknummer
24/1187 en 24/1188
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6508
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Precariobelasting. Uitleg overgangsrecht heffing openbare werken van algemeen nut

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 18 april 2024

    ECLI:NL:RBNNE:2024:1556
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHARL:2026:6508

    Overig

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers BK-ARN 24/1187 en 24/1188

uitspraakdatum: 6 oktober 2026

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Noardeast-Fryslân (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2024, nummers LEE 23/52 tot en met 23/55, ECLI:NL:RBNNE:2024:1556, in het geding tussen de heffingsambtenaar en

[belanghebbende] N.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen in de precariobelasting opgelegd:

Jaar

Bedrag

€

2016

253.174,32

2017

251.165,00

2019

1.945.567,80

2020

1.945.567,80

1.2.

Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de aanslagen precariobelasting 2016 en 2017 vernietigd, de aanslagen precariobelasting 2019 en 2020 elk verminderd tot op een bedrag van € 1.581.536,88, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van € 3.090 en de heffingsambtenaar opgedragen het griffierecht van € 730 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. M.P.C. Hendriks, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] , alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is netbeheerder in de [provincie] . Zij is de eigenaar van onder andere een elektriciteits- en gasnetwerk dat is gelegen in de voormalige [gemeente1] en in de huidige [gemeente2] .

2.2.

De [gemeente2] is op 1 januari 2019 na een gemeentelijke herindeling ontstaan uit de [gemeenten] .

2.3.

De [gemeente1] (per 1 januari 2019 opgegaan in de [gemeente2] ) heeft in de openbare vergadering van de raad van de gemeente op 16 juni 2016 de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van kabels en leidingen 2016 (hierna: de Verordening 2016) vastgesteld.

2.4.

De [gemeente1] (per 1 januari 2019 opgegaan in de [gemeente2] ) heeft in de openbare vergadering van de raad van de gemeente op 15 december 2016 de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van kabels en leidingen 2017 (hierna: de Verordening 2017) vastgesteld.

2.5.

De [gemeente2] heeft in de openbare vergadering van de raad van de gemeente op 17 januari 2019 de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden op leidingen 2019 (hierna: de Verordening 2019) vastgesteld.

2.6.

De [gemeente2] heeft in de openbare vergadering van de raad van de gemeente op 7 november 2019 de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden op leidingen 2020 (hierna: de Verordening 2020) vastgesteld.

2.7.

Met dagtekening 30 september 2019 heeft de heffingsambtenaar van de [gemeente2] aan belanghebbende een aanslag precariobelasting opgelegd voor het jaar 2019. Met dagtekening 31 maart 2020 heeft de heffingsambtenaar van de [gemeente2] aan belanghebbende een aanslag precariobelasting opgelegd voor het jaar 2020. Voor beide aanslagen geldt als maatstaf van heffing 982.610 strekkende meter (m¹) en is een tarief toegepast van € 1,98 per m¹ per jaar. Het te betalen bedrag bedraagt
€ 1.945.567,80 per aanslag. Van de strekkende meters die tot de maatstaf van heffing zijn gerekend, liggen er 183.854 m¹ in de voormalige [gemeente1] .

3 Geschil

3.1.

In geschil zijn in hoger beroep alleen de aanslagen in de precariobelasting voor de jaren 2019 en 2020. Meer specifiek is in geschil het antwoord op de vraag of de strekkende meters die zich bevinden in de voormalige [gemeente1] tot de maatstaf van heffing van deze aanslagen kunnen worden gerekend. De heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend en belanghebbende ontkennend.

3.2.

De heffingsambtenaar concludeert – wat betreft de aanslagen precariobelasting 2019 en 2020 – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar en handhaving van de opgelegde aanslagen op een bedrag van € 1.945.567,80 per aanslag. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 228 van de Gemeentewet (geldend vanaf 1 juli 2017 tot 1 januari 2024) luidt als volgt:

“Ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, kan een precariobelasting worden geheven.

2. Geen belasting wordt geheven ter zake van:

a. de infrastructuur, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Drinkwaterwet;

b. een net als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998;

c. een gastransportnet als bedoeld in artikel 39a van de Gaswet, of

d. werken als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet.”

4.2.

Met ingang van 1 juli 2017 is aan artikel 228 van de Gemeentewet het tweede lid toegevoegd. De in dit lid omschreven openbare werken van algemeen nut worden uitgesloten als object van precariobelasting. Met ingang van deze datum is het gemeenten verboden precariobelasting te heffen over nutsnetwerken, behalve voor zover het overgangsrecht (zie 4.4.) dit toestaat.

4.3.

Uit de Memorie van Toelichting volgt dat het verbod moet voorkomen dat niet-inwoners van precario heffende gemeenten ongewild en zonder democratische vertegenwoordiging de facto meebetalen aan de (afgewentelde) belasting van die heffende gemeenten:

“1. Inleiding
(…). Doel is een einde te maken aan de situatie dat burgers via de heffing van precariobelasting door een naburige gemeente indirect worden betrokken in een heffing van een bestuurslichaam ten aanzien waarvan zij geen democratisch stemrecht hebben. De nutsbedrijven ontvangen van sommige gemeenten op wier grondgebied zij een netwerk exploiteren een aanslag precariobelasting ten aanzien van dat netwerk. Deze precariobelasting berekenen zij door aan alle klanten in hun verzorgingsgebied, dus ook aan burgers die niet in de heffende gemeenten wonen. (…).”

4.4.

Het overgangsrecht laat onder één voorwaarde (toegangsvereiste) – een geldende belastingverordening op 10 februari 2016 – toe dat gemeenten heffing van precariobelasting ter zake van nutsnetwerken voortzetten na 1 januari 2022. Het overgangsrecht is opgenomen in artikel IV, lid 1, van de Wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet in verband met het beperken van de heffingsbevoegdheid van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut (hierna: de Wijzigingswet). Dit artikel luidt als volgt:

“1. In afwijking van artikel 228, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen gemeenten waarin op 10 februari 2016 een belastingverordening gold voor het heffen van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut, die belasting blijven heffen tot 1 januari 2022, tot ten hoogste het in die verordening vastgestelde tarief.

2. In geval van een wijziging van gemeentegrenzen als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling wordt het ten hoogste in het gehele gebied van de gemeente te heffen tarief met ingang van de datum van herindeling als volgt berekend:

a. in een nieuwe gemeente: per overgaand gebied wordt het aantal meter openbare

werken vermenigvuldigd met het voor de datum van herindeling per meter geldende

tarief, waarna de som wordt gedeeld door het totale aantal meter openbare werken in de

nieuwe gemeente;

b. in een bestaande gemeente waaraan een of meer gebieden worden toegevoegd: het

aantal meter openbare werken in die gemeente en in het toegevoegde gebied

onderscheidenlijk de toegevoegde gebieden wordt vermenigvuldigd met het voor de

datum van herindeling per meter geldende tarief, waarna de som wordt gedeeld door het

totale aantal meter openbare werken in het gebied van de gemeente na de datum van

herindeling.

3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt het tarief in een gebied waar geen belasting als bedoeld in het eerste lid wordt geheven geacht nul euro per meter te bedragen.”

4.5.

De overgangsregeling is erop gericht om gemeenten in de gelegenheid te stellen om de belasting af te bouwen. Om te voorkomen dat het tarief gedurende de overgangstermijn stijgt, is bepaald dat het tarief ten hoogste het tarief mag bedragen dat gold op 10 februari 2016. Artikel IV, lid 2, van de Wijzigingswet geeft rekenregels om een maximumtarief vast te stellen in geval dat gedurende de termijn waarin de precariobelasting moet worden afgebouwd een wijziging van de gemeentegrenzen – zoals in het onderhavige geval – plaatsvindt. De Memorie van Toelichting bij de Wijzigingswet luidt bij het tweede lid als volgt:

“ARTIKEL IV

(…)

Tweede lid

Het tweede lid ziet op het geval dat gedurende de termijn waarin de precariobelasting moet worden afgebouwd een wijziging van de gemeentegrenzen als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling (Wet arhi) plaatsvindt. Uitgangspunt van de Wet arhi is dat de voorschriften in een bepaald gebied na een grenswijziging twee jaar hun gelding behouden, tenzij het bestuur van de gemeente waarnaar het gebied is overgegaan anders bepaalt (artikelen 28 tot en met 30). De tarieven dienen derhalve binnen twee jaar geharmoniseerd te worden. Het tweede lid beantwoordt de vraag welk maximumtarief van toepassing is op het moment dat wordt overgegaan tot het vaststellen van één tarief voor het gehele gebied van de gemeente.

In aansluiting bij de Wet arhi wordt onderscheid gemaakt tussen een wijziging van de gemeentegrenzen waarbij gemeenten worden opgeheven en de gebieden overgaan naar een nieuw te vormen gemeente (onderdeel a) en een wijziging van de gemeentegrenzen waarbij aan een bestaande gemeente één of meer gebieden worden toegevoegd, bijvoorbeeld via een grenscorrectie of lichte samenvoeging (onderdeel b). In beide situaties wordt ter bepaling van het nieuwe maximumtarief uitgegaan van een gewogen gemiddelde van de maximumtarieven die voor de datum van herindeling in de verschillende gebieden golden, zodat de totale opbrengst van de precariobelasting van het gehele gebied voor en na de grenswijziging gelijk blijft. Op deze wijze wordt enerzijds voorkomen dat door een wijziging van de gemeentegrenzen de bevoegdheid precariobelasting te heffen op de betrokken openbare werken van algemeen nut komt te vervallen, terwijl anderzijds voorkomen wordt dat de opbrengst van deze belasting stijgt. (…).”

4.6.

De heffingsambtenaar is van mening dat op basis van de letterlijke tekst van het overgangsrecht, waar in het tweede lid gesproken wordt van een maximaal tarief in het gehele gebied van de gemeente, in het gebied van de gehele (nieuwe) [gemeente2] , waartoe ook het gebied van de voormalige [gemeente1] behoort, voor elke strekkende meter precariobelasting kan worden geheven. Bij de berekening van de hoogte van het maximale tarief heeft hij het overgaande gebied van de [gemeente1] groot 183.854 m¹ ingevolge artikel IV, lid 3, van de Wijzigingswet op € 0 per m¹ gesteld. Dit heeft ertoe geleid dat de Verordening van de nieuwe [gemeente2] ziet op het gehele gebied van de gemeente waarbij elke m¹ – ook de m¹ die liggen in de voormalige [gemeente1] – belast wordt tegen het aldus berekende tarief.

4.7.

Belanghebbende is – kort gezegd – van mening dat nu voor het grondgebied van de voormalige [gemeente1] het overgangsrecht niet van toepassing is, na de gemeentelijke herindeling dit grondgebied op basis van dit overgangsrecht niet alsnog in de heffing van precariobelasting kan worden betrokken.

4.8.

Het Hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat op basis van het tweede lid van artikel 228 van de Gemeentewet met ingang van 1 juli 2017 geen precariobelasting meer kan worden geheven in de (voormalige) [gemeente1] . In deze gemeente gold immers op 10 februari 2016 geen belastingverordening voor het heffen van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut. Dit betekent dat ook het overgangsrecht niet van toepassing is en per 1 juli 2017 voor de toentertijd nog zelfstandige [gemeente1] de bevoegdheid tot het heffen precariobelasting ter zake van nutsnetwerken definitief is vervallen.

4.9.

Het Hof overweegt verder dat bij de herindeling per 1 januari 2019 die geleid heeft tot het ontstaan van de [gemeente2] de bevoegdheid om precariobelasting te heffen in het gebied van de [gemeente1] niet aan de nieuwgevormde gemeente kan worden toegekend, om reden dat de voormalige [gemeente1] ) deze bevoegdheid niet meer bezat. Artikel 28 van de Wet algemene regels herindeling, maakt dit niet anders.

4.10.

De vraag waarvoor het Hof zich, gelet op het voorgaande, ziet gesteld is dan ook of de (nieuwe) [gemeente2] op basis van de Verordeningen 2019 en 2020 precariobelasting kan heffen in het hele gebied van de gemeente.

4.11.

Het Hof beantwoordt deze vraag ontkennend. De [gemeente2] is ontstaan na 1 juli 2017. Dit betekent dat er op 10 februari 2016 voor deze nieuwe gemeente sowieso geen sprake was van een belastingverordening voor het heffen van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut. Voor zover het betreft de grondgebieden van de rechtsvoorgangers (de opgeheven gemeenten) kan dit, naar het oordeel van het Hof, alleen als het overgangsrecht van toepassing is. De enige mogelijkheid om op basis van de overgangsregeling nog precariobelasting te kunnen heffen na 1 juli 2017 is immers als daarvoor op 10 februari 2016 een belastingverordening gold. Dat is voor de [gemeente1] , zoals hiervoor is vastgesteld, echter niet het geval.

4.12.

Het Hof volgt de heffingsambtenaar dan ook niet in zijn stelling dat op basis van het tweede lid van artikel IV van de Wijzigingswet precariobelasting kan worden geheven in het gehele gebied van de nieuwe [gemeente2] , dus ook in het gebied van haar rechtsvoorganger, de [gemeente1] . Het genoemde tweede lid geeft alleen rekenregels om het maximumtarief voor de overgangstermijn bij herindelingen te bepalen en niet meer dan dat. Aan deze rekenregels kan belanghebbende geen heffingsbevoegdheid ontlenen om alsnog precariobelasting te heffen in het gebied van haar rechtsvoorganger de [gemeente1] . Zij kunnen de definitief vervallen heffingsbevoegdheid voor dat grondgebied niet doen herleven. Het enige toegangsvereiste tot het overgangsrecht is en blijft immers een op 10 februari 2016 geldende belastingverordening voor het heffen van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut, en die ontbreekt voor dit grondgebied.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond verklaart, dient van hem op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht te worden geheven van € 559.

Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt die kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (2 punten (verweerschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934).

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.868,

– bepaalt dat van de heffingsambtenaar op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 559.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 6 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (T. Tanghe)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Kamerstukken II 2015-2016, 34 508, nr. 3 (MvT), p. 1. Kamerstukken II 2015-2016, 34 508, nr. 3 (MvT), p. 10-11.