Belastingrecht

OB. Zelfstandig pedagogisch medewerker kan vrijstelling voor kinderopvang toepassen voor diensten aan kindercentra.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
25/1342 t/m 25/1345
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6630
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

OB. Zelfstandig pedagogisch medewerker kan vrijstelling voor kinderopvang toepassen voor diensten aan kindercentra.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers BK-ARN 25/1342 t/m 25/1345

uitspraakdatum: 13 oktober 2026

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 mei 2025, nummers AWB 24/4975, 24/4976, 24/4978 en 24/4979, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op de volgende aangiften omzetbelasting voldaan:

Nummer Hof

Nummer Rechtbank

Tijdvak

Bedrag

25/1342

24/4975

Eerste kwartaal 2021

€ 730

25/1343

24/4976

Tweede kwartaal 2021

€ 4.154

25/1344

24/4978

Derde kwartaal 2021

€ 3.402

25/1345

24/4979

Vierde kwartaal 2021

€ 4.319

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaarschriften ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna ook: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. D.C. Molenaars en mr. M.N.H. Hintzen als zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Het onderzoek ter zitting heeft tegelijkertijd plaatsgevonden met het onderzoek in de zaak met zaaknummer BK-ARN 25/1328.

1.6.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft een zetelwijziging plaatsgevonden, waarbij raadsheer mr. W.J. Blokland raadsheer mr. A.E. Keulemans heeft vervangen. Dit is op 5 juni 2026 aan partijen bericht.

1.7.

Naar aanleiding van de zetelwijziging is aan partijen verzocht zich uit te laten over de vraag of zij een nieuwe zitting wensen. Het Hof heeft op 9 juni 2026 het proces-verbaal van de zitting van 17 maart 2026 toegezonden aan partijen.

1.8.

Belanghebbende heeft op 19 juni 2026 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op dat stuk gereageerd bij brief van 14 juli 2026. Partijen hebben aangegeven dat zij – met deze aanvullingen – een nadere zitting niet noodzakelijk vinden.

1.9.

Het Hof heeft het onderzoek op 20 augustus 2026 gesloten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is een zelfstandig pedagogisch medewerker. Hij biedt zijn diensten zowel aan via een platform ( [naam platform] ; hierna ook: het platform) als ook rechtstreeks aan kinderopvangorganisaties. Kinderopvangorganisaties kunnen bij een tekort aan (vast) personeel voor de bemensing van de kindercentra die zij exploiteren, vragen om de diensten van belanghebbende.

2.2.

Belanghebbende heeft overeenkomsten tot het verrichten van diensten gesloten met een aantal kinderopvangorganisaties. In die overeenkomsten staat, voor zover relevant (waarbij voor ‘opdrachtnemer’ ‘belanghebbende’ moet worden gelezen):

“Overwegende dat:

1 Opdrachtgever is een geregistreerd kinderopvangcentrum conform de bepalingen in de Wet op de Kinderopvang.

2 Opdrachtgever, in verband met de uitvoering van de kinderopvang, tijdelijke behoefte heeft aan de diensten van een pedagogisch zelfstandige.

3 Opdrachtnemer is een geregistreerde onderneming waarin o.a. voor eigen rekening en risico het beroep pedagogisch zelfstandige uit wordt geoefend (hierna ook te noemen freelancer en [lid platform] ).

4 Opdrachtnemer in staat en bereid is als pedagogisch zelfstandige diensten te leveren voor opdrachtgever.

5 Partijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW;

[…]

8 Deze overeenkomst gelijkluidend is aan de door de Belastingdienst onder [nummer] opgestelde modelovereenkomst van 1 juni 2021.

[…]

Partijen komen het volgende overeen:

Artikel 1. De opdracht

1 Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende prestaties te verrichten: het leveren van pedagogische diensten, als omschreven in de Wet op de kinderopvang, inhoudende de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.

Artikel 2. Uitvoering van de opdracht

1 Opdrachtnemer geeft als pedagogisch zelfstandige naar beste kunnen en als goed handelende professional zelf invulling aan de opdracht en is daarmee vrij zijn of haar te leveren diensten naar eigen inzicht en zonder leiding te verrichten en geheel of ten delen te laten uitvoeren door bevoegde derden. Opdrachtnemer zal bij deze eigen invulling blijven binnen de kader van de wet, de eventuele kaders van de opdrachtgever en de redelijke grenzen van o.a. het maatschappelijk gebruik.

2 De zelfstandige staat er voor in dat hij / zij of diens vervanger in staat is tot een veilige. professionele en behoorlijke uitvoering van de opdracht.

3 De opdrachtnemer dient te voldoen aan de objectieve kwalificaties die gelden bij de uitvoering van dit werk door een pedagogisch zelfstandige, namelijk het in bezit hebben van de juiste diploma’s, certificaten en/of vergunningen teneinde de opdracht uit te voeren, registratie in het Personenregister Kinderopvang en het hebben van een geldige Verklaring Omtrent Gedrag, inschrijving bij de KvK en het bezit van een BTW-nummer of BTW-vrijstelling op basis van de Kleine Ondernemers Regeling, alsmede het in bezit hebben van een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering (AVB) met voldoende dekking. Opdrachtnemer geeft voor de aanvang van de opdracht inzage in het portfolio met deze documenten en verstrekt hieruit desgewenst kopieën aan opdrachtgever.

4 Opdrachtgever heeft geen zeggenschap over de wijze waarop de pedagogisch zelfstandige de diensten levert. Het behoort niet tot de taak van de opdrachtgever om de kwaliteit van de diensten te beoordelen en bij te sturen en opdrachtnemer is niet gehouden tot overleg, rapportage of evaluatie betreffende de voortgang of kwaliteit van de diensten. Opdrachtnemer zal de locatie en middelen gebruiken zoals van een redelijk handelende en bekwame zelfstandige verwacht mag worden.

5 Opdrachtnemer zal de verplichtingen die voortvloeien uit regelgeving op het gebied van kwaliteit en veiligheid van zorg naleven en als opdrachtgever daarom verzoekt hierover inzicht geven en hieraan medewerking verlenen.

[…]

Artikel 4. Nakoming en vervanging

[…]

2 […] Opdrachtnemer en opdrachtgever formuleren voorafgaand aan het aanvaarden van de opdracht, samen de objectieve kwalificaties waaraan Opdrachtnemer en de eventuele vervanger(s) moet(en) voldoen. In ieder geval zijn dat de objectieve kwalificaties die genoemd zijn in artikel 2 en voor zover opdrachtgever nadere kwalificaties heeft worden deze als bijlage bij deze overeenkomst gevoegd.

[…]

Artikel 7. Overige bepalingen

1 Opdrachtnemer beschikt over de vereiste diploma’s en certificaten om deze opdracht uit te voeren conform de bepalingen in de Wet op de kinderopvang.

Artikel 8. Verzekeringen

1 Opdrachtnemer doet het werk voor eigen rekening en risico en is daarmee zelf verantwoordelijk en aansprakelijk. Opdrachtnemer vrijwaart opdrachtgever tegen alle mogelijke vorderingen voortvloeiende uit schade die de opdrachtgever door de uitoefening van de opdracht lijdt voor doen of nalaten door opdrachtnemer en diens vervanger, voor zover dit niet is gedekt door de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering (AVB) die opdrachtgever sluit. De opdrachtnemer verklaart ter meerdere zekerheid, ten tijde van de opdracht, te beschikken over een geldige bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering (AVB) met voldoende dekking.”

2.3.

De ouders van de op te vangen kinderen hebben daartoe overeenkomsten gesloten met de kinderopvangorganisatie die het kindercentrum exploiteert waar hun kind wordt opgevangen. Belanghebbende sluit geen overeenkomsten met het platform, noch met de ouders.

2.4.

Belanghebbende is ingeschreven in het personenregister kinderopvang, als omschreven in de Wet kinderopvang.

2.5.

Belanghebbende heeft over de omzet uit zijn dienstverlening aan kinderopvangorganisaties het algemene omzetbelastingtarief toegepast en die omzetbelasting op aangifte voldaan.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende de vrijstelling voor kinderopvang, zoals geregeld in artikel 11, lid 1, aanhef en letter w, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: artikel 11.1.w Wet OB), kan toepassen op de door hem verleende diensten.

3.2.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat hij voldoet aan alle voorwaarden genoemd in artikel 11.1.w Wet OB. Subsidiair doet belanghebbende een beroep op het fiscale neutraliteitsbeginsel. Hij concludeert daarom tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot het verminderen van de op aangifte aangegeven bedragen omzetbelasting tot nihil. Belanghebbende heeft het Hof verzocht prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

3.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de toepassing van de vrijstelling van artikel 11.1.w Wet OB beperkt is tot kinderopvang door een houder van een geregistreerd kindercentrum, waarbij voldaan moet zijn aan de wettelijke kwaliteitseisen en het toezichtbeleid uit de Wet kinderopvang. Hij leidt dat af uit de vrijstellingsbepaling in de BTW-richtlijn 2006 en uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 11.1.w Wet OB in verbinding met de Wet kinderopvang. Nu belanghebbende niet een houder van een dergelijk erkend kindercentrum is, maar enkel arbeid ter beschikking stelt aan zo’n kindercentrum, kan hij de vrijstelling niet toepassen. De Inspecteur concludeert daarom tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar.

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil:

  • dat belanghebbende conform de in 2.2. opgenomen overeenkomsten heeft gehandeld en dat deze overeenkomsten zijn uitgevoerd;

  • dat de kinderopvangorganisaties aan wie belanghebbende zijn prestaties heeft verricht geregistreerde kindercentra in de zin van de Wet kinderopvang exploiteren;

  • dat de diensten die de kinderopvangorganisaties aan de ouders van de kinderen hebben verleend, zijn vrijgesteld op grond van artikel 11.1.w Wet OB.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Belanghebbende is woonachtig in het gebied waarvoor Rechtbank Noord-Holland relatief competent is op grond van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Belanghebbende heeft verzocht om voeging met zaken die dezelfde geschilpunten hadden als de zijne en reeds in behandeling waren bij Rechtbank Gelderland. De griffier van Rechtbank Noord-Holland heeft de zaak vervolgens doorgestuurd naar Rechtbank Gelderland, met als toelichting dat niet Rechtbank Noord-Holland maar Rechtbank Gelderland bevoegd is de zaak te behandelen. Rechtbank Gelderland heeft de ontvangst van het beroep aan belanghebbende bevestigd. Het Hof stelt echter vast dat de Rechtbank Noord-Holland wel degelijk bevoegd (relatief competent) was en dat uit het dossier niet blijkt dat er een rechterlijk oordeel als bedoeld in artikel 8:13 van de Awb aan de verwijzing door Rechtbank Noord-Holland ten grondslag heeft gelegen. Voor het geval dat de verwijzing ten onrechte niet op een rechterlijk oordeel berust, verklaart het Hof het bevoegdheidsgebrek van de Rechtbank Gelderland voor gedekt op grond van artikel 8:117 van de Awb.

Wettelijk kader

4.2.

Artikel 11.1.w Wet OB, voor zover hier relevant, luidt:

“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

[…]

w. Opvang van kinderen in kinderopvang […] als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, indien het betreft kinderopvang in een overeenkomstig die wet geregistreerd kindercentrum […] en overigens wordt voldaan aan de in voormelde wet gestelde eisen, […].”

4.3.

Artikel 1.1 van de Wet kinderopvang luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“1: In deze wet en de op deze wet berustende bepalingen wordt verstaan onder:

beroepskracht:

a.de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;

[…]

geregistreerd kindercentrum: een in het landelijk register kinderopvang ingeschreven kindercentrum als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid;

 […]

kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang;

kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;

 […]

2. Tot kinderopvang worden niet gerekend:

a. het toezichthouden op schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot het toezicht tijdens de middagpauze;

b. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de Jeugdwet;

c. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.”

4.4.

Hoofdstuk 1, afdeling 3, paragraaf 2, van de Wet kinderopvang is genaamd: ‘eisen’. In artikel 1.48d van die paragraaf staat onder meer:

“1. Onze Minister verwerkt gegevens in het personenregister kinderopvang om te waarborgen dat alle personen die op grond van deze wet over een verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken, continu worden gescreend waardoor wordt bijgedragen aan het vergroten van de veiligheid van de opgevangen kinderen.

2. Met het oog op het in het eerste lid genoemde doeleinden schrijven de personen, bedoeld in het eerste lid, zich in, in het personenregister kinderopvang.

3. De houder van een kindercentrum […] heeft toegang tot het personenregister kinderopvang voor het leggen van een koppeling met de in artikel 1.50, derde lid, genoemde personen, inclusief hemzelf. […] Voor de koppeling gebruikt de houder het burgerservicenummer, zodat is gegarandeerd dat hij een koppeling legt met de personen die daadwerkelijk aan hem verbonden moeten zijn en om de persoonsgegevens van die personen in het personenregister kinderopvang te kunnen verifiëren.”

En in artikel 1.50, lid 4:

“Na inschrijving van een persoon als bedoeld in het derde lid, en na de koppeling, bedoeld in artikel 1.48d, derde lid, kan die persoon zijn werkzaamheden aanvangen.”

4.5.

Artikel 11.1.w Wet OB is gebaseerd op artikel 132, lid 1, letter g en/of h van de BTW-richtlijn 2006, dat luidt:

“1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[…] g) diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;

h) diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren en welke worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;

[…]”

Overwegingen van het Hof

4.6.

Het Hof overweegt dat de diensten van belanghebbende, op basis van hun inhoud zoals omschreven in 2.2, die van een beroepskracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang zijn. Dat een beroepskracht een zelfstandige ondernemer kan zijn is ook onderkend in de Memorie van Toelichting bij deze wet. De activiteiten van belanghebbende vallen daarmee onder de – ook in deze wet opgenomen - definitie van kinderopvang, gegeven dat hij de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen anders dan om niet doet. Dat de diensten van belanghebbende fysiek plaatsvinden in een overeenkomstig de Wet kinderopvang geregistreerd kindercentrum is tussen partijen niet in geschil en staat dus vast. Daarmee is de aard van belanghebbendes diensten naar het oordeel van het Hof: ‘opvang van kinderen in kinderopvang in een overeenkomstig die wet geregistreerd kindercentrum’ als bedoeld in de Wet OB. Daarmee verwerpt het Hof de stelling van de Inspecteur dat de aard van de dienst zich zou beperken tot het verrichten van arbeid.

4.7.

Voorts wordt naar het oordeel van het Hof voldaan aan de in de Wet kinderopvang gestelde eisen. Belanghebbende heeft zich immers geregistreerd in het personenregister Kinderopvang (conform artikel 1.48d Wet kinderopvang). Voorts is niet bestreden dat hij (of de planning van het kindercentrum) zijn VOG en registratie in het personenregister kinderopvang altijd koppelt aan het kindercentrum voordat hij zijn dienstverlening voor een bepaald kindercentrum kan aanvangen, zoals vereist op grond van artikel 1.50, lid 4, van de Wet kinderopvang. Hij voldoet daarmee aan de eisen uit de Wet kinderopvang.

4.8.

De Inspecteur heeft betoogd dat de vrijstelling uit artikel 11.1.w Wet OB niet van toepassing is op de dienstverlening door belanghebbende, maar is voorbehouden aan de dienstverlening door de houder van het kindercentrum zelf omdat (voor zover hier van belang) alleen die laatste in zijn optiek als instelling van sociale aard wordt erkend. Hij is van mening dat de houder van een geregistreerd kindercentrum wel en belanghebbende niet voldoet aan alle in de in de Wet kinderopvang gestelde eisen waarnaar in artikel 11.1.w wordt verwezen. Belanghebbende heeft daartegenover betoogd dat Nederland niet verplicht is om de kinderopvangvrijstelling te beperken tot instellingen van sociale aard. De Nederlandse wetgever heeft geen aansluiting gezocht bij de erkenning van een instelling van sociale aard, maar heeft volstaan met de voorwaarde dat de kinderopvang moet worden verricht in een geregistreerd kindercentrum teneinde de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen.

4.9.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. De Inspecteur voert terecht aan dat volgens de relevante bepalingen uit de BTW-richtlijn de vrijstelling wordt verleend voor bepaalde diensten die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend. Het Hof neemt in overweging dat bij die erkenning van instellingen van sociale aard, volgens vaste jurisprudentie, aan de lidstaten een beoordelingsmarge wordt verleend. Het is aan de lidstaat te bepalen volgens welke regels dergelijke organisaties kunnen worden erkend. Ook natuurlijke personen kunnen als zodanig worden erkend. Het Hof leidt uit de Nederlandse wetsgeschiedenis af dat de wetgever een vrijstelling van omzetbelasting heeft bedoeld in te voeren voor kinderopvang en gastouderopvang die voldoen aan een bepaalde basiskwaliteit. Door wetswijzigingen werden die (kwaliteits-)eisen neergelegd in de Wet kinderopvang. Doordat in art. 11.1.w vervolgens ongeclausuleerd is opgenomen dat overigens moet worden voldaan aan ‘de in voormelde wet [de Wet kinderopvang] gestelde eisen’, en doordat belanghebbende voldoet aan de in die wet aan hem gestelde eisen (zie 4.6 en 4.7), kwalificeert belanghebbende naar het oordeel van het Hof als een erkende instelling als bedoeld in de BTW-richtlijn 2006. Het Hof verwerpt daarom ook de stelling van de Inspecteur dat enkel kinderopvang door de houder van een geregistreerd kindercentrum voor de kinderopvangvrijstelling van artikel 11.1.w Wet OB in aanmerking zou komen.

4.10.

Het Hof ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

5.2.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.332 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x wegingsfactor 1 x € 666) en € 934 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt (beroepschrift) x wegingsfactor 1 x € 934). Het Hof ziet in de gezamenlijke behandeling van het onderzoek ter zitting van het Hof aanleiding de proceskostenvergoeding voor de zitting tussen beide belanghebbenden evenredig te verdelen. Dat betekent dat voor de kosten in hoger beroep (1 punt (hogerberoepschrift) x wegingsfactor 1 x € 934 en 1 punt (zitting) x wegingsfactor 1 x € 934 x 50%) een vergoeding van € 1.401 zal worden toegekend. Aan belanghebbende wordt daarnaast een vergoeding van zijn reiskosten (tweede klas, retour) toegekend van € 57,22. In totaal komt de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding daarmee uit op € 3.724,22.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens met betrekking tot haar beslissing over de vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur,

– verklaart het bezwaar gegrond,

– vermindert de op aangifte verschuldigde bedragen omzetbelasting over het eerste, derde en vierde kwartaal 2021 en eerste kwartaal 2022 naar nihil,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.724,22,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 184 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 289 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Harthoorn, voorzitter, mr. W.J. Blokland en mr. R.A. Wolf, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.

De beslissing is op 13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(G.J. van de Lagemaat) (M. Harthoorn)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Kamerstukken II, 2001-2002, 28 447, nr. 3, p. 57. HvJ EU 21 januari 2016, C-335/14 (Les Jardins de Jouvence), r.o. 32 en 34. HvJ EU 7 september 1999, C-216/97 (Gregg). Kamerstukken II, 2007-2008, 31404, nr. 3 p. 29-30.