Belastingrecht
Bpm. Waarheidsplicht (art. 21 Rv) in belastingzaken. Nieuwe koerslijst in beroep.
Gerechtshof Den Haag, 7 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3036 · Gerechtshof Den Haag · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3036
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- BK-25/754
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3036
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bpm. Waarheidsplicht (art. 21 Rv) in belastingzaken. Nieuwe koerslijst in beroep.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 26 september 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:21574Gerechtshof Den Haag · 7 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:3036
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/754
Uitspraak van 7 oktober 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 september 2025, nummer SGR 23/6970.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 11.286 (de naheffingsaanslag).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,50;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,50.
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven. De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 23 juni 2026 een pleitnota met vijf bijlagen ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op 2 juni 2022 op aangifte een bedrag van € 2.230 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving in het Nederlandse kentekenregister (kenteken [kenteken] ) van een voor de Duitse markt geproduceerde Land Rover Range Rover Evoque 2.0 D200 AWD R-Dynamic SE (de auto). De datum van de eerste toelating van de auto is 13 april 2021.
In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 30 september 2021 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 26 april 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 91.418 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 45.500 (gemiddelde referentievoertuigen (€ 60.750) -/- 25% marge). De taxateur heeft een bedrag van € 35.500 (96,65% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 36.730,54) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde in beschadigde toestand op € 10.000 vastgesteld.
De auto is op 5 mei 2022 door de RDW gekeurd. De RDW heeft na de keuring de auto een WOK-status gegeven. Op 3 juni 2022 is de WOK-status opgeheven.
Naar aanleiding van een controle van de aangifte heeft de Inspecteur met dagtekening 14 oktober 2022 aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De Inspecteur heeft daarbij een bedrag van € 11.286 (€ 13.516 verschuldigde bpm -/- € 2.230 voldane bpm) nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
Belanghebbende heeft in beroep een koerslijst van XRAY overgelegd, ter zitting van de Rechtbank afstand gedaan van toepassing van de zogenoemde taxatiemethode en in hoger beroep gegevens van de auto in SilverDat overgelegd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Koerslijst
6. De rechtbank stelt voorop dat voor de hoogte van de afschrijving de bewijslast op eiser rust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval van de koerslijst van X-ray kan worden uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, naar verweerder ter zitting terecht heeft aangevoerd, in dit geval twee deskundigen een verschillend bedrag aan opties in aanmerking hebben genomen. In de koerslijst bij het taxatierapport is een bedrag van € 4.762 aan opties in aanmerking genomen, terwijl in de koerslijst van X-ray van een veel hoger bedrag aan opties, namelijk van € 11.404, is uitgegaan. Eiser heeft voor dit verschil geen verklaring gegeven. Nu verder ook het zogenoemde geboortekaartje van de auto ontbreekt, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in de nieuwe koerslijst van X-ray van een juist bedrag aan opties is uitgegaan. De enkele stelling van eiser ter zitting dat de koerslijstprovider de koerslijst heeft opgemaakt en dat reeds hierom van de juistheid van de koerslijst dient uit te gaan, volgt de rechtbank niet. Het is immers aan eiser, die een beroep doet op de koerslijst, om een juiste koerslijst te overleggen en dit, indien dit door verweerder wordt betwist, aannemelijk te maken. Het is, anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, dan ook niet de taak van verweerder dan wel de rechtbank om zelf aan de hand van openbare gegevens een onderzoek te doen naar mogelijke fouten in de door eiser overgelegde koerslijst van X-ray .
7. Gelet op het vorenstaande slaagt het beroep van eiser op de koerslijst van X-ray niet. Dit betekent dat verweerder terecht de afschrijving van de auto heeft bepaald aan de hand van de forfaitaire tabel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Belanghebbende concludeert tot:
- partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank,
- het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 54.034, de nieuwprijs op € 93.592, de verschuldigde bpm op € 11.783 en de naheffingsaanslag op € 9.553, en
- veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Vooraf
De Inspecteur stelt dat het hoger beroep ongegrond verklaard moet worden met overeenkomstige toepassing van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Als reden daartoe voert de Inspecteur aan dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport, terwijl hij wist dat hij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam, omdat de auto een WOK-status had toegekend gekregen en het taxatierapport overigens niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn stelling aangevuld en gesteld dat belanghebbende misbruik van procesrecht maakt en dat het hoger beroep om die reden ongegrond moet worden verklaard. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.
In artikel 21 Rv is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Het fiscale procesrecht is neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 21 Rv speelt hierin geen rol, aangezien de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – tenzij de wet anders bepaalt – slechts van toepassing zijn in procedures voor de burgerlijke rechter. De aangehaalde bepaling is niet van overeenkomstige toepassing verklaard en kent evenmin haar evenknie in het fiscale procesrecht. Belanghebbende heeft in hoger beroep verschillende beroepsgronden aangevoerd. Het staat het Hof niet vrij die gronden af te wijzen en het hoger beroep ongegrond te verklaren indien hem dat geraden voorkomt, enkel vanwege het door de Inspecteur gestelde feit dat belanghebbende aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport terwijl hij wist dat hij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam en het rapport niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen, wat daarvan ook zij. Dat feit zou op zichzelf bezien ook niet volstaan om de rechtsgevolgen tot stand te brengen die in het formele belastingrecht mede aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften kunnen worden verbonden. De mogelijkheid van die rechtsgevolgen ontneemt in gevallen als het onderhavige overigens ook de noodzaak aan analoge toepassing van artikel 21 Rv.
Ter zitting heeft de Inspecteur zich beroepen op misbruik van procesrecht door belanghebbende. Nu daarvoor geen nieuwe stellingen van feitelijke aard behoeven te worden onderzocht, ziet het Hof geen aanleiding om dit verweer tardief te verklaren, zoals belanghebbende heeft verzocht. Met betrekking tot dit verweer overweegt het Hof dat een belanghebbende die misbruik maakt van zijn bevoegdheid een geschil aan de rechter voor te leggen onder omstandigheden niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw (vgl. bijvoorbeeld ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, overweging 6.1). Van dergelijke zwaarwichtige gronden is in het onderhavige geval naar het oordeel van het Hof geen sprake. Belanghebbende voert beroepsgronden aan die, indien die slagen, hem in een betere positie kunnen brengen. Het is niet op voorhand uitgesloten dat de door belanghebbende aangevoerde beroepsgronden slagen. Het door de Inspecteur gestelde feit dat belanghebbende aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport terwijl hij wist dat hij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam en het rapport niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen, wat daarvan ook zij, maakt dit niet anders.
Koerslijst
De Inspecteur heeft een dag voor de zitting diverse stukken, waaronder een reactie van de heer [naam 1] van de koerslijstprovider XRAY, bij zijn pleitnota ingediend en ter zitting nog twee stukken waaronder een reactie van de heer [naam 2] van de koerslijstprovider AutotelexPro, overgelegd. Belanghebbende heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de overlegging van deze stukken, omdat hij niet goed erop kan reageren en het Hof verzocht de stukken tardief te verklaren.
Het Hof stelt voorop dat het de Inspecteur in de onderhavige zaak in hoger beroep bij bericht van 15 oktober 2025 heeft verzocht een verweerschrift in te dienen. Op grond van artikel 8:42, lid 1, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht is de Inspecteur gehouden binnen vier weken aan dat verzoek gevolg te geven. Hij heeft dat verzuimd. De door hem ingediende pleitnota, die buiten de voor het verweerschrift gestelde termijn is ingediend, kan niet als verweerschrift worden aangemerkt. Aangezien het hoger beroep van belanghebbende ook om een andere reden gegrond zal worden verklaard, ziet het Hof geen aanleiding verdere gevolgen te verbinden aan dit verzuim.
Het Hof is voorts met belanghebbende van oordeel dat de Inspecteur de onder 5.5 bedoelde stukken onnodig laat heeft ingediend. De reactie van XRAY was al enige dagen eerder ingekomen bij de Inspecteur, namelijk op 19 juni 2026. Door de late overlegging ervan heeft belanghebbende niet meer adequaat erop kunnen reageren. Het Hof laat deze stukken dan ook buiten beschouwing.
Belanghebbende heeft voor het eerst in beroep een XRAY-koerslijst overgelegd. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof gesteld dat deze koerslijst niet kan dienen, omdat door XRAY bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto op basis van gegevens van AutotelexPro is uitgegaan van een type D150 als referentieauto in plaats van een type D200. De Inspecteur heeft deze stelling echter niet tijdig (zie onder 5.7) onderbouwd. Het blijft derhalve bij een blote stelling. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o.4.2.2, geoordeeld:
“4.2.2 Volgens artikel 10, lid 7, van de Wet wordt de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet en de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de waarde vermeld in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Van zo’n koerslijst mag worden aangenomen dat de daarin opgenomen koerswaarden zijn gebaseerd op prijzen die wederverkopers daadwerkelijk aan particulieren hebben betaald voor de daarin opgenomen motorrijtuigen. Bij toepassing van de in artikel 10, lid 7, van de Wet neergelegde koerslijstmethode moet rekening worden gehouden met alle in de desbetreffende koerslijst opgenomen factoren om te voorkomen dat een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt motorvoertuig bij registratie in Nederland wordt onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die in bepaalde gevallen nog rust op gelijksoortige in het binnenland verhandelde, geregistreerde motorvoertuigen. Een andere uitleg van artikel 10, lid 7, van de Wet zou niet verenigbaar zijn met artikel 110 VWEU. De belastingplichtige hoeft in dit verband geen verder bewijs te leveren.”
Het hiervoor overwogene leidt het Hof tot de conclusie dat de door belanghebbende in het geding gebrachte koerslijst XRAY onder de gegeven omstandigheden kan worden gebruikt. Aangezien de Inspecteur verder niets ertegen heeft ingebracht, gaat het Hof uit van deze koerslijst. Om die reden behoeft het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur op grond van beleid de koerslijst niet mag betwisten, geen behandeling. Dit geldt eveneens met betrekking tot het bewijsaanbod door middel van getuigen. Het Hof volgt dan ook de berekening van belanghebbende resulterende in een totaal verschuldigde bpm van € 11.783. De naheffingsaanslag dient daarom te worden verminderd tot € 9.553.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten
Het Hof verbindt aan het inbrengen van de koerslijst in beroep het gevolg dat voor de bezwaarfase geen kostenvergoeding wordt toegekend. Het Hof ziet wel aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3.736, berekend als volgt: € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep: 2 punten (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting Rechtbank) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten (1 punt hogerberoepschrift, 1 punt zitting) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak). Omdat de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van € 113,50 aan proceskosten en de Staat geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van € 3.622,50 aan proceskosten aan belanghebbende (vgl. HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:946, r.o. 6.1).
Voorts dienen aan belanghebbende het in beroep gestorte griffierecht van € 184 en het in hoger gestorte griffierecht van € 289 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en over de vergoeding van proceskosten door de Staat,
- vernietigt de uitspraak op bezwaar,
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 9.553,
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 3.622,50, en
- gelast dat de Inspecteur de door belanghebbende in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 473 vergoedt.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, M.J.M. van der Weijden en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd C. Maas
De beslissing is op 7 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.