Belastingrecht
Naheffingsaanslag bpm. De taxatierapporten voor beide auto’s kunnen dienen, ondanks dat deze enkele dagen te…
Gerechtshof Den Haag, 14 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3071 · Gerechtshof Den Haag · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3071
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- BK-25/768 en BK-25/769
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3071
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Naheffingsaanslag bpm. De taxatierapporten voor beide auto’s kunnen dienen, ondanks dat deze enkele dagen te laat zijn opgemaakt. Belanghebbende slaagt er niet in de door hem in aanmerking genomen schade voor de beide auto’s aannemelijk te maken. Het Hof zet een duidelijke lijn uit betreffende de bruikbaarheid van koerslijsten. De in hoger beroep aangedragen koerslijst voor een van de auto’s is bruikbaar en leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag voor die auto. De in hoger beroep aangedragen koerslijst voor de andere auto is niet bruikbaar, omdat de auto van de referentieauto in de koerslijst afwijkt in CO2-uitstoot (verschil in uitvoering). Hoger beroep (gedeeltelijk) gegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/768 en BK-25/769
Uitspraak van 14 oktober 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 september 2025, nummers SGR 23/8531 en 23/8533.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.861 (de naheffingsaanslag). Bij separate beschikking is € 16 belastingrente berekend (de beschikking).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag en de beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank verklaart:
- het beroep in de zaak SGR 23/8531 ongegrond;
- het beroep in de zaak SGR 23/8533 ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 285,71;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 714,29;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37;”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 19 mei 2026 verweer gevoerd.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 september 2026. De Inspecteur is verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Auto 1 (Audi A6)
Belanghebbende heeft op 28 februari 2022 aangifte bpm gedaan ter zake van een Audi A6 Avant 4.0 TFSI RS 6 quattro performance (auto 1). De datum van de eerste toelating is 14 augustus 2018.
De keuring van de auto bij de RDW heeft op 21 februari 2022 plaatsgevonden.
In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur 1] . Bij het taxatierapport is een bestelbon gevoegd met daarop vermeld een aankoopbedrag van € 76.500. De fysieke opname van de auto heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 24 februari 2022.
In het taxatierapport zijn de volgende bedragen vermeld:
|
Historische nieuwprijs |
€ 170.022 |
|
Handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) o.b.v. referentievoertuigen |
€ 77.620 |
|
Handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) o.b.v. XRAY koerslijst |
€ 62.828 |
|
Schade |
€ 18.793 |
|
Waardeverminderende factoren (correctie wegens niet sluitende km-administratie) |
€ 4.000 |
|
Handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) |
€ 39.230 |
|
(Historische) Bruto bpm |
€ 40.104 |
In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 223 g/km (NEDC).
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 9.251 aan bpm voldaan.
Auto 2 (Mini)
Belanghebbende heeft op 4 maart 2022 aangifte bpm gedaan ter zake van een Mini Clubman 2.0 JCW ALL4 (auto 2). De datum van de eerste toelating is 20 april 2021.
De keuring van de auto bij de RDW heeft op 24 februari 2022 plaatsgevonden.
In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een
expertiseverslag van [naam taxateur 2] (het taxatierapport). Bij het taxatierapport hoort een deel van een aankoopfactuur met daarop vermeld een bedrag van € 32.800. De fysieke opname van de auto heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 1 maart 2022.
In het taxatierapport zijn de volgende bedragen vermeld of daaruit volgen de volgende bedragen:
Historische nieuwprijs € 64.714
Handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) € 29.888
Schade (72%) € 8.778
Handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) € 21.110
In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 172 g/km (WLTP). Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.731 aan bpm voldaan.
Beide auto’s
De Inspecteur heeft met dagtekening 3 november 2022 voor beide auto’s een
kennisgeving naheffingsaanslag bpm verstuurd. Deze kennisgeving heeft de Inspecteur bij
brief van 5 januari 2023 hersteld vanwege foutieve bedragen. De Inspecteur heeft zich in de motivering van de kennisgeving (gevoegd bij zowel de kennisgeving als de herhaalde kennisgeving) op het standpunt gesteld dat de taxatierapporten van belanghebbende niet kunnen dienen omdat de fysieke schouw van de auto’s heeft plaatsgevonden na de keuring door de RDW en de rapporten eveneens nadien zijn opgemaakt en dat de afschrijving voor beide auto’s daarom (bij gebreke aan een juiste koerslijst) berekend moet worden aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. De Inspecteur heeft belanghebbende, voor het geval hij gebruik wil maken van de koerslijstmethode, in de gelegenheid gesteld binnen drie weken na dagtekening van de (herhaalde) kennisgeving een koerslijst (met calculatiedatum 21 februari 2022 (auto 1) respectievelijk 24 februari 2022 (auto 2)) aan de Inspecteur te zenden. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De Inspecteur heeft met dagtekening 24 februari 2023 de naheffingsaanslag opgelegd en belastingrente berekend. De bedragen van de naheffingsaanslag (€ 9.861) en de beschikking (€ 16) zijn als volgt opgebouwd:
Naheffing bpm auto 1 € 5.687
Belastingrente auto 1 € 9
Naheffing bpm auto 2 € 4.174
Belastingrente auto 2 € 7
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Gebruik taxatierapporten
15. Verweerder stelt dat de taxatierapporten niet kunnen worden gebruikt omdat niet aan de daaraan te stellen wettelijke voorwaarden is voldaan. De fysieke schouw die ten grondslag ligt aan de taxatierapporten heeft plaatsgevonden na de keuring bij de RDW, terwijl de fysieke opname door de taxateur ten hoogste één maand vóór het afschrijvingsmoment mag plaatsvinden.
16. De rechtbank stelt vast dat het afschrijvingsmoment voor auto 1 op 21 februari 2022 is en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport op 24 februari 2022 heeft plaatsgevonden. Het afschrijvingsmoment voor auto 2 is op 24 februari 2022 en de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport heeft op 1 maart 2022 plaatsgevonden.
17. Vaststaat dat de fysieke schouw van beide auto’s van eiser heeft plaatsgevonden na de keuring bij de RDW én dat de taxatierapporten ook zijn opgemaakt na de keuring bij de RDW. Op grond van artikel 10 van de Wet BPM jo. artikel 8, vierde lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling BPM moet het bij de aangifte ingediende taxatierapport zijn opgemaakt ten hoogste één maand voor het tijdstip dat de belasting is verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepaling de taxatierapporten niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van de verminderingen en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM. Daarnaast doen de grote verschillen tussen de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat én de aankoopprijzen zoals vermeld op de door eiser overgelegde bestelbonnen af aan de geloofwaardigheid van de taxatierapporten. Zo bedraagt voor auto 1 de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
€ 39.230, terwijl uit de bestelbon blijkt dat voor dit voertuig een aankoopprijs van € 76.500 is betaald. Dit is een verschil van ruim € 37.270. Voor auto 2 bedraagt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat volgens het taxatierapport van eiser € 21.110, terwijl de auto voor een bedrag van € 32.800 is aangekocht. Ook hier is sprake van een groot verschil, te weten ruim € 11.000. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de vermindering van de Bpm moet worden vastgesteld aan de hand van de tabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm.
18. Voor zover eiser stelt dat de koerslijsten uit de taxatierapporten ter onderbouwing van de afschrijving kunnen dienen, overweegt de rechtbank dat ook de koerslijsten, die zijn opgesteld na de keuring door de RDW én daarbij ook andere auto’s betreffen, niet gebruikt kunnen worden. Daar komt bij, zoals ook verweerder heeft gesteld, dat in de koerslijst ten aanzien van auto 1 is uitgegaan van onjuiste opties, terwijl in de koerslijst met betrekking tot auto 2 ten onrechte is uitgegaan van een ex-rental. Ook gelet hierop kunnen beide koerslijsten niet dienen.
Gebruik nieuwe forfaitaire tabel
19. Eiser stelt primair dat de toegepaste tabel verouderd [3] is en niet voldoet aan het Europese recht [4]. Verweerder volgt eiser hier niet in.
20. Net als verweerder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat voor de berekening van de afschrijving de forfaitaire tabel moet worden toegepast die geldt per 1 juli 2023. De vaststelling van de (percentages van de) forfaitaire afschrijvingstabel is voorbehouden aan de regelgever en niet aan de rechter. Het is de keuze van de regelgever om de nieuwe tabel niet eerder dan 1 juli 2023 in werking te laten treden. De rechtbank ziet geen reden om daar in dit individuele geval van af te wijken. Het arrest Gomes Valente waar eiser naar verwijst, doet hier niet aan af.
Immateriële schadevergoeding
(…)
Proceskostenvergoeding
(…)
[3] Hij verwijst naar het besluit van 2 december 2022, nr. 2022-0000289823, Staatscourant 27 december 2022, nr. 33377, zie artikel 14, onder C
[4] HvJ EG van 22 februari 2001 (Gomes Valente), ECLI:EU:C:2001:109, r.o. 23.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag is opgelegd en meer in het bijzonder of belanghebbende een beroep toekomt op de taxatiemethode dan wel de koerslijstmethode.
Belanghebbende concludeert:
-
tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank,
-
tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en
-
primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
-
subsidiair tot vermindering van de naheffing tot € 4.923 voor auto 1 (bij een historische nieuwprijs van € 184.741, een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 62.828 en een verschuldigde bpm van € 14.174) en € 1.551 voor auto 2 (bij een historische nieuwprijs van € 64.714, een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 29.888 en een verschuldigde bpm van € 5.282), en
-
meer subsidiair tot vermindering van de naheffing tot € 5.568 voor auto 1 en € 3.703 voor auto 2 (met toepassing van een heffingskorting van 35,00%).
Belanghebbende verzoekt voorts om een (proces)kostenvergoeding voor alle fasen van het geding.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Taxatiemethode
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat zijn taxatierapporten moeten worden gevolgd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de taxatierapporten niet kunnen dienen omdat ze zijn opgemaakt na de keuring door de RDW. Volgens de Inspecteur is sprake van kennelijk onjuiste aangiften, wat tot gevolg heeft dat de afschrijving voor beide auto’s moet worden vastgesteld aan de hand van de tabel.
Artikel 8, lid 4, onderdeel b, tweede gedachtestreepje, Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 luidt met ingang van 1 januari 2022, voor zover hier van belang:
“De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde of op basis van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst (…) worden bepaald, indien de opgaaf, bedoeld in artikel 10, achtste lid, van de wet, bestaat uit:
(…)
b. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:
- (…)
- dat is opgemaakt door een onafhankelijke, erkende taxateur, in overeenstemming met het eerste aandachtsstreepje, en waarbij de fysieke opname door de taxateur heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. (…)”
Het Hof leidt uit de toelichting op dit artikel (Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, Stcrt. 48636) af dat de nieuwe regeling erop is gericht om de staat van een voertuig vast te kunnen stellen op het afschrijvingsmoment, de datum waarop het inschrijvingsonderzoek van de RDW is afgerond. De taxateur dient het voertuig binnen een maand vóór de afronding van dit onderzoek te taxeren. Het fiscaal akkoord wordt pas verleend als de aangegeven bpm is betaald en de inspecteur heeft beoordeeld of de aangifte juist kan zijn. Indien de inspecteur daaraan twijfelt, kan hij binnen zes werkdagen de aangever de verplichting opleggen om het voertuig te tonen op een locatie van DRZ. Het fiscaal akkoord wordt hangende het onderzoek door DRZ niet verleend, om de aangever te prikkelen de toonplicht na te komen. Indien een naheffingsaanslag volgt, wordt het fiscaal akkoord niet eerder verleend dan nadat deze is betaald. De bedoeling van deze regeling is de heffing en invordering van de belasting te versterken.
De Inspecteur heeft belanghebbende niet verzocht de auto’s te tonen, maar op basis van de aangiften en de taxatierapporten besloten de naheffingsaanslag op te leggen. In geschil is of de taxatierapporten kunnen dienen, ondanks dat deze drie c.q. vijf dagen te laat zijn opgemaakt. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Gelet op de waarborgen van het Unierecht voert het te ver om een taxatierapport uitsluitend af te wijzen omdat het voertuig enkele dagen na de afronding van de inschrijving in het kentekenregister is getaxeerd. Het is in het belang van de aangever om het voertuig in dezelfde staat te houden als tijdens de inschrijving bij de RDW. Mocht uit het taxatierapport blijken dat het voertuig gebreken heeft als gevolg waarvan het niet aan het verkeer mag deelnemen, dan kan het taxatierapport niet als basis voor de waardering van het voertuig dienen. Dit doet zich hier niet voor. Het Hof wijst er voor de volledigheid op dat er ook andere redenen kunnen zijn die aan gebruik van een taxatierapport de weg staan. Of zulke redenen aanwezig zijn, zal per geval beoordeeld moeten worden. Het Hof ziet dergelijke omstandigheden in deze procedure niet.
Belanghebbende stelt dat uit de taxatierapporten, de foto’s en de bijgevoegde schadecalculaties van de onderhavige auto’s volgt dat sprake is van schade en dat de Inspecteur om die reden ten onrechte geen waardevermindering wegens schade heeft toegekend. De Inspecteur voert aan dat aan de taxatierapporten diverse gebreken kleven, zoals het ontbreken van een (complete) aankoopfactuur en meerdere materiële gebreken. Onder deze laatste categorie vallen onder andere de argumenten dat de waardevermindering niet te herleiden is (auto 1), dat de koerslijst niet bruikbaar is, dat niet kan worden gecontroleerd of de gekozen referentievoertuigen bruikbaar zijn (auto 1), dat de gestelde schade niet zichtbaar is op de foto’s en dat posten zijn opgevoerd die geen schade zijn. Voorts is het niet mogelijk om binnen de gestelde tijd de aangeleverde hoeveelheid foto’s te nemen en de auto’s op een deugdelijke manier op te nemen, aldus de Inspecteur.
Indien een belastingplichtige bij het doen van aangifte voor de bpm ervoor kiest om de handelsinkoopwaarde van een personenauto te bepalen met gebruikmaking van de taxatiemethode, rust, in het geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, op de belastingplichtige de last de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat de taxatiemethode in zijn geval mag worden toegepast, en (b) dat toepassing van de taxatiemethode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. Deze bewijslast(verdeling) heeft betrekking op alle bij vaststelling van de taxatiewaarde in aanmerking genomen gegevens (HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.5).
Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Op de foto’s in beide taxatierapporten zijn niet meer dan normale gebruikssporen te zien die passen bij auto’s van deze leeftijd en dit kilometrage. In beide taxatierapporten is een algemene lijst met werkzaamheden opgenomen (die neerkomt op het volledig herstellen en spuiten van de auto) die niet wordt onderbouwd door objectief materiaal, zoals duidelijke foto’s en reparatienota’s of bijzondere vermeldingen op de aankoopfactuur. Veruit de meeste foto’s in beide taxatierapporten laten kleine krasjes en putjes zien, waarvan niet duidelijk is hoe zichtbaar deze zijn als je er niet met je neus bovenop staat. Voor auto 2 vult het Hof aan dat een aantal foto’s op een zodanige wijze is genomen, dat er bijna helemaal niets bruikbaars te zien is. Voorts zijn in beide taxatierapporten posten opgevoerd die geen schade zijn, zoals “controleren uitlijning” en “balancering”, “resetten en inlezen van de boordcomputer” en “reinigen/ontgeuren interieur”. Zoals de Inspecteur in het verweerschrift heeft voorgerekend, is de gestelde waardevermindering voor beide auto’s ongeloofwaardig gelet op de bedragen die op de bestelbon (auto 1) dan wel de onvolledige aankoopfactuur (auto 2) als inkoopprijzen zijn vermeld. Het Hof ziet geen aanleiding om enige waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen.
Koerslijst
Belanghebbende stelt zich met een beroep op de koerslijstmethode en overlegging van nieuwe, van de koerslijsten bij de taxatierapporten afwijkende, koerslijsten subsidiair op het standpunt dat het afschrijvingspercentage te laag is vastgesteld. In hoger beroep heeft belanghebbende nieuwe koerslijsten overgelegd en desgevraagd ter zitting bevestigd dat hij geen beroep meer doet op de koerslijsten die in de taxatierapporten waren opgenomen. De Inspecteur stelt dat de nieuwe koerslijsten om de volgende redenen moeten worden verworpen. Voor auto 1 ontbreken het keramisch remsysteem voor en achter (onderdeel van het “Dynamica-pakket plus”) en de matrix LED koplampen. Voor auto 2 is de op de koerslijst vermelde calculatiedatum onjuist. Indien het Hof oordeelt dat de in hoger beroep overgelegde koerslijsten wel bruikbaar zijn, dient de netto catalogusprijs te worden aangepast, aldus de Inspecteur.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, geoordeeld dat voor gebruik van de koerslijstmethode overeenkomst tussen de importauto en het referentievoertuig vereist is wat betreft merk, model, type, uitvoering en leeftijd. In de memorie van toelichting (Kamerstukken 29 729, nr. 3) staat, voor zover van belang, over de invoering van artikel 10, lid 5, Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) en over koerslijsten het volgende:
“Het nieuwe vijfde lid voorziet in de mogelijkheid dat tegen het forfait van artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM het bewijs wordt geleverd dat de afschrijving in een individueel geval hoger is dan volgens de tabel. Voor de hoogte van de vermindering van de belasting geldt de tabel, tenzij een hoger afschrijvingspercentage blijkt. Ter aanduiding van de daarbij denkbare bewijsmiddelen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebruikmaking van taxatierapporten van de hand van onafhankelijke deskundigen. Hoewel de in de branche gebruikelijke koerslijsten een grover instrument zijn voor de vaststelling van de concrete waardevermindering van een individueel voertuig – ze gaan bijvoorbeeld uit van een standaard accessoirepakket – zullen ook deze koerslijsten in de praktijk veelal voldoende houvast kunnen bieden voor de toepassing van een van de forfaitaire tabel afwijkende vermindering. Nodig en voldoende voor de toepassing van deze tegemoetkomende regeling is, dat blijkt dat de procentuele afschrijving op het voertuig meer is dan de vermindering volgens de tabel. Op grond van vaste jurisprudentie houdt de voorwaarde «blijken» in dat het bewijs overtuigend moet zijn.”
Artikel 3 van de Verordening 2018/858, betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (de Verordening), definieert, voor zover hier van belang, onder punt 32 “voertuigtype” als “een bepaalde groep voertuigen die ten minste de in bijlage I, deel B, vermelde kenmerken deelt (…)”. In Bijlage 1 (Algemene definities, criteria voor de indeling in voertuigcategorieën, voertuigtypen en carrosserietypen), deel B (Criteria voor voertuigtypen, varianten en uitvoeringen) van de Verordening, wordt voor categorie M1, de categorie waar de auto’s onder vallen, “uitvoering” als volgt beschreven:
“1.3. Uitvoering
Als „uitvoering” van een variant worden voertuigen aangemerkt die de volgende kenmerken gemeen hebben:
|
a) |
de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand; |
|
b) |
de cilinderinhoud in het geval van een verbrandingsmotor; |
|
c) |
het maximaal geleverde motorvermogen of het nominaal continu maximumvermogen (elektrische motor); |
|
d) |
de aard van de brandstof (benzine, gasolie, lpg, bifuel of andere); |
|
e) |
het maximumaantal zitplaatsen; |
|
f) |
het geluidsniveau bij langsrijden; |
|
g) |
het uitlaatemissieniveau (bv. Euro 5, Euro 6 of een ander); |
|
h) |
gecombineerd of gewogen, gecombineerde CO2-emissies; |
|
i) |
elektriciteitsverbruik (gewogen, gecombineerd); |
|
j) |
gecombineerd of gewogen, gecombineerd brandstofverbruik.” |
De vraag die thans voorligt is of belanghebbende een beroep toekomt op de in hoger beroep overgelegde koerslijsten.
Het Hof ziet in deze procedure aanleiding om zijn lijn betreffende (de bruikbaarheid van) koerslijsten duidelijk uiteen te zetten. Om te beginnen leidt het Hof uit de memorie van toelichting (5.6) af dat de wetgever heeft onderkend dat een koerslijst een grover instrument is in vergelijking met een individueel taxatierapport, bijvoorbeeld omdat de koerslijst uitgaat van een standaard accessoirepakket. Het Hof leidt hier uit af dat verschillen in accessoirepakketten in beginsel niet aan gebruik van een koerslijst in de weg staan. Dit kan anders zijn indien deze verschillen samenhangen met een verschil in type en/of uitvoering (een hieruit voortvloeiend verschil in de andere kenmerken ligt binnen deze context veel minder voor de hand). De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat voor gebruik van een koerslijst vereist is dat het referentievoertuig en de importauto wat betreft merk, model, type, uitvoering en leeftijd overeenkomen (5.6). Het Hof legt de termen “type” en “uitvoering” uit aan de hand van de Verordening. Hoewel de Verordening een ander doel heeft dan de Wet bpm, acht het Hof het passend om de Verordening toch als bron te gebruiken bij de beoordeling van de vraag of een koerslijst bruikbaar is. De Verordening is Unierecht, bevat duidelijke handvatten en is gericht op bevordering van het vrije verkeer. De heffing van bpm mag niet aan dit vrije verkeer in de weg staan. Bovendien ziet het Hof geen belemmering in de Wet bpm of het arrest van de Hoge Raad om de genoemde kenmerken volgens de Verordening uit te leggen. Indien een koerslijst gelet op het voorgaande geschikt is, zijn de daarin vermelde netto catalogusprijs en handelsinkoopwaarde bruikbaar voor de bepaling van de afschrijving van de importauto. Hierop worden dan geen correcties aangebracht. Het Hof voegt hier voor de volledigheid aan toe dat er omstandigheden kunnen zijn om een koerslijst toch niet te accepteren, bijvoorbeeld omdat een vermoeden bestaat dat de koerslijst niet is gebaseerd op reële handelstransacties of omdat het om een niet-Europees voertuig gaat, dat niet vergelijkbaar is met in Nederland rondrijdende voertuigen. Het Hof zal deze lijn hierna toepassen op auto 1 en auto 2.
Voor auto 1 geldt dat de in hoger beroep overgelegde koerslijst in hoger beroep bruikbaar is. Dat een aantal opties niet is aangevinkt, maakt gelet op hetgeen het Hof onder 5.9 uiteen heeft gezet, niet uit. Auto 1 komt wat betreft merk, model, type, uitvoering en leeftijd overeen met het voertuig in de koerslijst. Het Hof ziet, gelijk onder 5.9 is toegelicht, geen aanleiding om de netto catalogusprijs te verhogen. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de naheffing voor auto 1 tot € 4.923 dient te worden verminderd.
Voor auto 2 geldt dat de in hoger beroep overgelegde koerslijst niet bruikbaar is. Dat de daarop vermelde calculatiedatum niet juist is, acht het Hof onder de gegeven omstandigheden niet relevant (5.1.4). Het verloop van vijf dagen kan niet een dusdanige invloed hebben dat de handelsinkoopwaarde in de koerslijst geen goede benadering van de handelsinkoopwaarde op de datum van afschrijving kan zijn. Auto 2 heeft echter een andere uitstoot dan het referentievoertuig, wat maakt dat sprake is van een verschil in uitvoering. Het Hof verwijst naar het citaat uit de Verordening onder 5.7. In beginsel kan belanghebbende voor auto 2 alsnog terugvallen op de taxatiemethode. Het is belanghebbende die de bewijslast heeft. Met al hetgeen hij heeft ingebracht, is belanghebbende er niet in geslaagd een lagere handelsinkoopwaarde te onderbouwen dan wel een hoger afschrijvingspercentage dan het percentage waarvan de Inspecteur is uitgegaan. Het Hof ziet geen aanleiding om de handelsinkoopwaarde in goede justitie vast te stellen. Dat belanghebbende ter zitting van het Hof het beroep op de koerslijst in het taxatierapport heeft laten varen, houdt tevens in dat het Hof het beroep op interne compensatie van de Inspecteur niet hoeft te beoordelen.
Forfaitaire tabel
Belanghebbende beroept zich voor auto 2 meer subsidiair op de “nieuwe forfaitaire tabel”. Het onderzoek waarop de nieuwe forfaitaire tabel is gebaseerd, is in juli 2021 verricht. Onduidelijk is waarom de nieuwe tabel pas in juli 2023 is ingevoerd. Duidelijk is, aldus belanghebbende, dat de oude tabel, waarop de naheffing voor auto 2 is gebaseerd, in strijd is met het Unierecht. De oude percentages benaderen de werkelijke waardevermindering niet, aldus belanghebbende. De Inspecteur betwist dit standpunt.
Het Hof verwerpt dit standpunt van belanghebbende. Belanghebbende heeft de mogelijkheid om een lagere handelsinkoopwaarde aannemelijk te maken. Hij is dus niet verplicht om de forfaitaire tabel te gebruiken. In het aannemelijk maken van een lagere handelsinkoopwaarde is belanghebbende niet geslaagd. Dat de forfaitaire tabel dusdanig nadelig is dat kan worden gezegd dat deze de werkelijke vermindering niet voldoende benadert, kan niet worden gezegd. Het verschil is 4,112 procentpunt, waarvan niet kan worden gezegd dat dit een zodanig verschil oplevert dat de toepasselijke tabel buiten beschouwing moet blijven. Omdat dezelfde tabel is toegepast op alle vergelijkbare al in Nederland rondrijdende voertuigen, is geen sprake van schending van het Unierecht of van het gelijkheidsbeginsel. Uit het Unierecht vloeit niet de plicht voort om belanghebbende beter te behandelen dan de importeurs van deze vergelijkbare voertuigen. De Inspecteur heeft voor auto 2 dan ook terecht € 4.174 nageheven.
Belastingrente
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen
de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
Het hoger beroep is gelet op het onder 5.10 overwogene gegrond.
Proceskosten
Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten wegens beroepsmatig verleende bijstand vast op € 3.736 (€1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)). Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding voor de bezwaarfase. De Inspecteur heeft belanghebbende, voor het geval hij gebruik wilde maken van de koerslijstmethode, voor beide auto’s voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld een koerslijst met juiste calculatiedatum te overleggen. Belanghebbende heeft hiervan geen gebruik gemaakt, en pas in een latere fase voor beide auto’s een koerslijst ingebracht. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase niet onrechtmatig gehandeld.
Voorts dient de Inspecteur aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 473 (€ 184 en € 289) te vergoeden.
Beslissing
Het Gerechtshof:
-
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over het beroep ten aanzien de zaak SGR-23/8533, de vergoeding van immateriële schade en de proceskostenveroordeling van de Staat;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-
vermindert de naheffingsaanslag tot € 9.097;
-
vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
-
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.736, en
-
draagt de Inspecteur op aan belanghebbende het voor het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 473 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A. Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen A. van Dongen
De beslissing is op 14 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.