Arbeidsrecht
inzagevordering in verband met mogelijke overtreding concurrentiebeding
Gerechtshof Den Haag, 13 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2995 · Gerechtshof Den Haag · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/arbeidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2995
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.358.218/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. L. Driegen, mr. P.H.J. Körver
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2995
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
inzagevordering in verband met mogelijke overtreding concurrentiebeding
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.358.218/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11130327 / RL EXPL 24-10409
Arrest van 13 oktober 2026
in de zaak van
EU-Tax B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. L. Driegen, kantoorhoudend in Den Dolder,
tegen
1 [geïntimeerde 1], handelend onder de naam [naam],
wonend in [woonplaats],
2. [geïntimeerde 2],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. P.H.J. Körver, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna EU-Tax enerzijds en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] anderzijds.
1 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
-
de dagvaarding van 12 februari 2025, waarmee EU-Tax in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 12 november 2025;
-
de memorie van grieven tevens incidentele vordering ex art. 194/195 Rv van EU Tax, met bijlagen;
-
de conclusie van antwoord in het incident van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2],
-
de antwoordakte van EU Tax;
-
de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], met bijlagen;
-
de akte van EU Tax;
-
de antwoordakte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2].
2 Feitelijke achtergrond
[geïntimeerde 1] is van 1 juli 2017 tot 1 juli 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst geweest bij EU-Tax, in de functie van administratief medewerker.
De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 juli 2019 tot een einde gekomen door middel van een op 31 mei 2019 tussen EU-Taks en [geïntimeerde 1] gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO). In art. 6 lid 1 van de VSO zijn afspraken gemaakt over concurrentie door [geïntimeerde 1] (hierna: het concurrentiebeding), als volgt:
“Het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst komt geheel te vervallen. In plaats daarvan komen partijen overeen: Het is de werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever verboden, om gedurende een tijdvak van een jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst:
als zelfstandig ondernemer, als werknemer in dienst van derde of anderszins;
direct of indirect, om niet of tegen betaling;
zaken of diensten gelijk aan of vergelijkbaar met die waarop de onderneming van de werkgever zich toelegt;
binnen een straal van 30 kilometer vanaf de vestiging van de werkgever aan de Zuiderparklaan 30 te Den Haag;
te leveren aan diegenen die op enig tijdstip gedurende de laatste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst dergelijke zaken of diensten van de werkgever betrokken dan wel aan diegenen met wie de werkgever op enig tijdstip gedurende de laatste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst contacten onderhield met betrekking tot het eventueel leveren van zaken of diensten door de werkgever;
dan wel om gedurende het genoemde tijdvak op enigerlei andere wijze betrokken te zijn bij, belang te hebben bij, financieel geïnteresseerd te zijn bij de levering van zulke zaken of diensten aan de genoemde derden;
dan wel om gedurende het genoemde tijdvak met deze derden contacten van commerciële aard te onderhouden.
Bij overtreding van het in dit artikel vervatte verbod verbeurt de werknemer aan de werkgever een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete van € 2.500 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro) per overtreding en € 250 (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor elke dag dat de overtreding voortduurt, zonder dat de werkgever gehouden zal zijn schade te bewijzen en onverminderd het recht van de werkgever om schadevergoeding te vorderen, indien en voor zover de schade het bedrag van de boete overtreft.”
[geïntimeerde 1] is bij [geïntimeerde 2] werkzaam met haar eenmanszaak [naam]. Deze eenmanszaak is met ingang van 11 oktober 2021 ingeschreven in het handelsregister. [geïntimeerde 1] verricht bij [geïntimeerde 2] werkzaamheden die gelijk zijn als die zij bij EU Tax verrichtte.
3 Procedure bij de rechtbank
EU-Tax heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd: (i) afgifte van dan wel inzage in stukken en verklaringen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met betrekking tot de klant [klant], (ii) een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door de VSO te overtreden, (iii) een veroordeling tot schadevergoeding door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en (iv) betaling van de proceskosten.
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en EU-Tax in de proceskosten veroordeeld.
4 Vorderingen in hoger beroep
EU-Tax vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en – samengevat - alsnog:
Primair (hoofdzaak)
-
voor recht verklaart dat [geïntimeerde 1] artikel 6 van de VSO heeft overtreden;
-
voor recht verklaart dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig jegens EU-Tax heeft gehandeld (door aan te zetten tot, dan wel bewust te profiteren van de schending van art. 6 VSO door [geïntimeerde 1], dan wel door oneerlijke concurrentie door doelbewuste inmenging in de bediening van (ex-)relaties binnen de VSO-termijn);
-
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan EU-Tax van de contractuele boete zoals bepaald in de VSO (vast bedrag per overtreding en de daaruit volgende dagboete), althans tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Subsidiair (indien het hof thans nog niet tot toewijzing komt)
4. bepaalt dat eerst wordt beslist op het navolgende incident ex art. 194/195 Rv en de hoofdzaak aanhoudt totdat de uitvoering heeft plaatsgevonden en partijen na incident akte hebben kunnen nemen;
5. [geïntimeerde 2] (h.o.d.n. "[geïntimeerde 2]" en/of [geïntimeerde 2] Administratie & Advies B.V., inclusief rechtsvoorgangers, -opvolgers en gelieerde entiteiten) beveelt om onder regie van een door het hof aan te wijzen gerechtsdeurwaarder/IT-deskundige een uittreksel van metadata en auditlogs te laten extraheren betreffende - kort samengevat- :
(a) de zakelijke accounts/gebruikers-ID's van [geïntimeerde 1] binnen de praktijk van [geïntimeerde 2];
(b) in de periode 1 juli 2019 t/m 30 juni 2020 (fasering: eerst 1 januari 2020 t/m 30 juni 2020, zo nodig aanvullend 1 juli 2019 t/m 31 december 2019);
(c) de relatie [klant];
(d) beperkt tot e-mailheaders, telefonie/WhatsApp-metadata, CRM-audittrail en boekhoud-/dossier-auditlogs) op het genoemde klantdossier (géén inhoud); en een bewaarbevel geeft voor alle relevante systemen/dragers aan de zijde van [geïntimeerde 2], een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;
6. bepaalt dat de beoordeling van de OD-grondslag desgewenst wordt aangehouden tot na uitvoering van het incident en aktewisseling, nu dezelfde uittreksels voor die beoordeling beslissend zijn;
7. bepaalt dat het hof geen eindarrest zal wijzen vóórdat EU-Tax gelegenheid heeft gehad haar stellingen na het incident nader te onderbouwen;
8. althans, indien het hof in plaats van of naast het incident een lichter middel passend acht: een gerichte informatie-/overleggingsopdracht ex art. 22 Rv geeft en/of getuigenbewijs toelaat (o.a. [naam], [geïntimeerde 2], [klant]);
Primair en subsidiair
9. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief nakosten, telkens uitvoerbaar bij voorraad.
EU-Tax heeft aan het voorgaande toegevoegd dat het haar bedoeling is dat eerst de primaire vorderingen worden beoordeeld en als toewijzing daarvan nog niet mogelijk is dan pas de subsidiaire vorderingen. Het hof begrijpt het aldus: als de primaire vorderingen nog niet kunnen worden toegewezen dan pas dient te worden geoordeeld over de subsidiaire vorderingen en daarna – na de inzage – (opnieuw) over de primaire vorderingen.
5 Beoordeling in hoger beroep
De primaire vorderingen nemen tot uitgangspunt dat [geïntimeerde 1] het concurrentiebeding heeft overtreden omdat B. [klant] (hierna: [klant]), een voormalige klant van EU- Tax, tijdens de looptijd van het concurrentiebeding, namelijk begin 2020, klant van de onderneming van [geïntimeerde 2] is geworden. Deze overgang van [klant] naar [geïntimeerde 2] heeft via [geïntimeerde 1] plaatsgevonden. Daarnaast is van een overtreding sprake omdat [geïntimeerde 1] bij de bediening van [klant] betrokken is bij het verrichten van administratieve handelingen ten aanzien van deze klant. [geïntimeerde 2] handelt volgens EU-Tax onrechtmatig omdat hij zich doelbewust heeft ingelaten met de bediening van een door het concurrentiebeding afgeschermde relatie, althans daarvan doelbewust heeft geprofiteerd.
De primaire vorderingen houden verklaringen voor recht in (i) dat [geïntimeerde 1] het concurrentiebeding in de VSO heeft overtreden en (ii) dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig jegens EU-Tax heeft gehandeld. Verder houden deze vorderingen een hoofdelijke veroordeling in van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot het betalen van de contractuele boete en tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Boetes
De vordering ten aanzien van de boetes (primair onder 4.) is hoe dan ook niet toewijsbaar, ook niet als wordt aangenomen dat het concurrentiebeding door [geïntimeerde 1] is overtreden. Gevorderd ter zake is volgens het petitum een “vast bedrag per overtreding en de daaruit volgende dagboete”. Een berekening met toelichting daarop ontbreekt. Evenmin is toegelicht waarom [geïntimeerde 2], die niet aan het concurrentiebeding is gebonden, (hoofdelijk) gehouden is deze boete(s) te betalen. Debat over deze punten heeft niet plaatsgevonden. Deze vordering is daarmee onvoldoende bepaald en toewijzing daarvan kan tot executiegeschillen leiden. Deze vordering zal dus worden afgewezen.
Overtreding concurrentiebeding
Het geschil ziet uitsluitend op de overgang van [klant] van EU-Tax naar [geïntimeerde 2]. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft [geïntimeerde 1] ter zake [klant] het concurrentiebeding niet overtreden. Dit wordt als volgt toegelicht.
Niet in geschil is dat [klant] klant was van EU-Tax. De stelling van EU-Tax dat [geïntimeerde 1] de overgang van [klant] naar [geïntimeerde 2] heeft geïnitieerd en/of bevorderd is onvoldoende onderbouwd. Dat geldt ook als juist is dat [geïntimeerde 2] heeft verklaard dat deze overgang ‘via’ [geïntimeerde 1] is verlopen. Dat impliceert – anders dan EU-Tax kennelijk aanneemt – niet zonder meer een actieve rol van [geïntimeerde 1]. EU-Tax heeft geen verdere concrete en feitelijke invulling gegeven aan een dergelijke actieve rol.
EU-Tax heeft gesteld dat [klant] begin 2020 – dus tijdens de werkingsduur van het concurrentiebeding – naar [geïntimeerde 2] is overgestapt. Daarbij is verwezen naar een schriftelijke verklaring van [geïntimeerde 2], overgelegd als productie 5 bij memorie van grieven. Dit is onvoldoende gemotiveerd door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] weersproken. Zo is de juistheid van de verklaring van [klant] op dit punt niet weersproken.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben wel aangevoerd dat zij pas in 2021, dus na afloop van de werkingsduur van het concurrentiebeding zijn gaan samenwerken. Daarbij wordt verwezen naar een bericht van [geïntimeerde 2] dat hij op 15 november 2021 aan zijn klanten heeft geschreven. Daarin staat – volgens de overlegde vertaling in het Nederlands – dat [geïntimeerde 1] vanaf oktober (2021) is toegetreden tot het team. EU-Tax heeft de inhoud van dit bericht niet weersproken. Maar volgens EU-Tax sluit dit bericht niet uit dat [geïntimeerde 1] in de relevante periode betrokken was bij de bediening van het dossier [klant]. Het hof gaat hieraan voorbij omdat het vaag is en miskent dat de stelplicht bij EU-Tax berust. EU-Tax heeft geen concrete feiten gesteld die wijzen op betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de bediening van [klant] tijdens de werkingsduur van het concurrentiebeding. Deze concretisering is verder van belang omdat niet goed is in te zien waarom [geïntimeerde 2] zijn klanten heeft bericht dat [geïntimeerde 1] pas in oktober 2021 deel uitmaakt van het team, als dat al (veel) eerder het geval was. De datum strookt ook met de startdatum van de eenmanszaak van [geïntimeerde 1], [naam], van 11 oktober 2021. De werking van het concurrentiebeding liep af op 30 juni 2020. Dat is meer dan een jaar en drie maanden voor oktober 2021. EU-Tax gaat ook daar niet op in.
Kortom, [klant] werd vanaf begin 2020 bediend door [geïntimeerde 2], maar niet kan worden geoordeeld dat [geïntimeerde 1] al voor 30 juni 2020 – het einde van de werkingsduur van het concurrentiebeding – daarbij op enigerlei wijze betrokken was.
Omdat als gezegd EU-Tax haar stellingen op het punt van de feitelijke betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de overgang van [klant] van EU-Tax naar [geïntimeerde 2], en de bediening van deze klant door [geïntimeerde 1] bij [geïntimeerde 2], onvoldoende heeft geconcretiseerd gaat het hof voorbij aan de bewijsaanbiedingen van EU-Tax.
Onrechtmatige daad
Gezien het voorgaande is - naar het voorlopige oordeel van het hof - van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] geen sprake.
Voorlopige slotsom primaire vorderingen
Bij deze stand van zaken is de voorlopige conclusie dat de primaire vorderingen van EU- Tax niet toewijsbaar zijn. Het hof zal dan de subsidiaire vorderingen beoordelen.
Inzagevorderingen
De inzagevorderingen zien – zo begrijpt het hof – op een uittreksel van de metadata en auditlogs van [geïntimeerde 1] betreffende haar zakelijke accounts/gebruikers-ID’s binnen de praktijk van [geïntimeerde 2] ten aanzien van [klant], in de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020. Het betreft hier metadata en auditsporen (headers, agenda/telefonie metadata, CRM- en boekhoudlogs). Volgens EU-Tax leveren deze precies de relevante gegevens op: wie logde in, wie maakte of wijzigde de klantkaart, welke gebruikers-ID’s waren betrokken en wanneer, zonder de inhoud van de communicatie te vermelden. Deze metadata en auditlogs zouden zich bevinden bij [geïntimeerde 2] en (mogelijk) bij een door [geïntimeerde 1] gevoerd ZZP/KAT Administratie- account. EU-Tax vraagt het hof een gerechtsdeurwaarder/IT- deskundige aan te wijzen en een bewaarbevel te geven.
EU-Tax stelt dat het gaat om relevante gegevens over de begindatum van de samenwerking tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met betrekking tot (de rechtsopvolger van) [klant].
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voeren aan dat niet duidelijk is dat deze gegevens bestaan en er geen redelijke grond is om aan te nemen dat zij over de betreffende gegevens beschikt. EU-Tax heeft volgens hen niet goed onderbouwd welk belang zij heeft bij de gevorderde gegevens.
Het hof begrijp dat de inzagevordering van EU-Tax ziet op een overzicht van de digitale handelingen die [geïntimeerde 1] in de systemen van praktijk van [geïntimeerde 2] en als zzp’er daarbuiten heeft uitgevoerd rondom [klant], gedurende de periode dat zij gebonden was aan het concurrentiebeding uit de VSO. Het hof zal de inzagevordering toewijzen onder – hierna te noemen – voorwaarden. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
De inzagevorderingen dienen te worden beoordeeld op grond van art. 194 Rv. Deze bepaling geeft een partij bij een rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking tegenover degene die over deze gegevens beschikt. De partij die aanspraak maakt op inzage, dient te stellen (en al naar gelang van betwisting aannemelijk te maken) dat sprake is van: (a) een rechtsbetrekking waarbij zij partij is, (b) (het bestaan van) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, (c) het beschikken door de aangesproken partij over deze gegevens en (d) voldoende belang bij inzage.
Niet in geschil is dat er tussen partijen rechtsbetrekkingen bestaan.
De metadata en auditlogs zijn computerbestanden op de computersystemen van [geïntimeerde 2], gerelateerd aan de gebruiker [geïntimeerde 1]. Alle computersystemen kennen metadata en auditlogs. Er mag van uit worden gegaan dat ook de computersystemen van [geïntimeerde 2] deze metadata en auditlogs kennen.
EU-Tax refereert ook aan een door [geïntimeerde 1] gevoerd – het hof begrijpt: los van de systemen van [geïntimeerde 2] staande – ZZP/KAT Administratie- account. De vorderingen ten aanzien van deze account zijn niet toewijsbaar omdat niet aannemelijk is gemaakt dat deze account bestaat. Dit geldt ook voor een mogelijk eerder door [geïntimeerde 2] als eenmanszaak gebruikt systeem of account.
De metadata en auditlogs zijn voldoende nauwkeurig afgebakend. Het gaat volgens EU-Tax om e-mailheaders, telefonie/WhatsApp-metadata, CRM-audittrail en boekhoud-/dossier-auditlogs op het klantdossier [klant].
Er mag worden aangenomen dat een uittreksel van de bedoelde metadata en auditlogs inzicht geeft in de kalenderdata waarop [klant] is bediend en of dat door [geïntimeerde 1] is gebeurd. Als daaruit volgt dat [geïntimeerde 1] tijdens de werkingsduur van het concurrentiebeding activiteiten voor of ten aanzien van [klant] heeft verricht kan dit wijzen op een overtreding van dit beding. EU-Tax heeft daarmee belang bij de inzage. Of er daadwerkelijk sprake is van een overtreding van het concurrentiebeding zal later, nadat partijen zich hebben uitgelaten over de door de inzage verkregen gegevens, worden beoordeeld.
Van een zwaarwegend belang of gewichtige redenen die zich tegen inzage verzet is niet gebleken.
Het hof ziet geen aanleiding een specifieke deurwaarder of IT- specialist aan te wijzen voor het verrichten van de inzagehandelingen. Dat ligt op de weg van EU-Tax. Het hof stelt wel de voorwaarde dat degene die de inzagehandelingen verricht onafhankelijk is en zich conformeert aan de door het hof op te leggen voorwaarden voor de inzage. Om dit te borgen zal het hof bepalen dat de gerechtsdeurwaarder de inzagehandelingen verricht, al dan niet met behulp van een IT-deskundige.
Uit het voorgaande volgt dat het hof zal bepalen dat EU-Tax inzage dient te krijgen in de metadata en auditlogs van de computersystemen van [geïntimeerde 2] (headers, agenda/telefonie metadata, CRM- en boekhoudlogs) gerelateerd aan de gebruiker [geïntimeerde 1] betreffende de klant [klant], over de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020.
Het hof ziet geen aanleiding om op voorhand de mogelijkheden van inzage uit te breiden.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
6 Beslissing
Het hof:
in het incident:
- staat toe dat de gerechtsdeurwaarder al dan niet met behulp van een IT- deskundige een uittreksel maakt van de metadata en auditlogs van de computersystemen van [geïntimeerde 2] (headers, agenda/telefonie metadata, CRM- en boekhoudlogs), gerelateerd aan de gebruiker [geïntimeerde 1] en de klant [klant], over de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020, en dat deze aan EU- Tax vervolgens door afgifte van dit uittreksel de beschikking geeft over, althans inzage geeft in deze gegevens;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak:
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, mr. M.D. Ruizeveld en mr. P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier.