Arbeidsrecht

Arbeidszaak. Kantonrechter wijst verzochte uitbetaling van een transitievergoeding en een tegoed aan…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
200.369.504/01
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. W. Sallé, mr. S.M.C. Verheyden
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6347
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Arbeidszaak. Kantonrechter wijst verzochte uitbetaling van een transitievergoeding en een tegoed aan verlofuren toe, onder afwijzing van het beroep door werkgeefster op verrekening met een schuld uit geldlening. De bewindvoerster van werkneemster komt in hoger beroep omdat zij een andere motivering van dezelfde beslissing wil. Daarbij heeft de bewindvoerster geen rechtens te respecteren belang zodat het hoger beroep wordt verworpen. Hoger beroep van ECLI:NL:RBMNE:2026:822.

Procesgang

  1. Rechtbank Midden-Nederland · 24 februari 2026

    ECLI:NL:RBMNE:2026:822
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 5 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHARL:2026:6347

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.369.504/01

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11957309

beschikking van 5 oktober 2026

in de zaak van

Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Flevoland

die kantoor houdt in Lelystad

als bewindvoerster over de goederen van [appellant]

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. W. Sallé

en

[geïntimeerde] B.V.

die is gevestigd in [vestigingsplaats]

advocaat: mr. S.M.C. Verheyden

Betrokkenen zullen hierna worden aangeduid als de bewindvoerster, werkneemster en werkgeefster.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

De bewindvoerster heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 24 februari 2026 heeft gegeven.

1.2

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

• het beroepschrift met producties dat is binnengekomen bij het hof op 26 mei 2026

• het verweerschrift

• de mededelingen van partijen dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan.

2 De kern van de zaak

2.1

Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschikt-heid ontstaat een geschil over de uitbetaling van de transitievergoeding en het tegoed aan opgebouwde maar niet-genoten verlofuren. Werkneemster heeft dit aan de kantonrechter voorgelegd, waarop werkgeefster is veroordeeld tot uitbetaling maar de bewindvoerster is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter om producties van werkgeefster toe te laten omdat volgens haar het verweerschrift te laat was ingediend. De bewindvoerster is het ook niet eens met de motivering voor afwijzing van een beroep van werkgeefster op verrekening met een schuld uit geldlening.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1

Werkneemster is [in] 2007 in dienst getreden bij werkgeefster en was daar laatstelijk werkzaam als teamleider.

3.2

Werkneemster en werkgeefster hebben de arbeidsovereenkomst met ingang van 19 augustus 2025 met wederzijds goedvinden beëindigd in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid van werkneemster.

3.3

Partijen hebben hun afspraken over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso). In de vso is onder meer opgenomen dat werkgeefster aan werkneemster zal betalen een brutobedrag voor de transitievergoeding, en de vergoeding voor opgebouwde vakantietoeslag en voor het openstaande verlofsaldo.

3.4

In een brief van 2 september 2025 heeft de heer [naam1] van werkgeefster werkneemster gesommeerd een aan haar verstrekte lening van € 6.000 binnen zeven dagen aan hem terug te betalen.

3.5

Op 19 september 2025 heeft werkneemster van werkgeefster € 583,25 netto ontvangen.

3.6

In een beschikking van 23 december 2025 is over de goederen van werkneemster bewind ingesteld met de benoeming van bewindvoerster.

4 Het geschil, de beslissing van de kantonrechter en het verzoek in hoger beroep

4.1

Werkneemster heeft op 5 november 2025 de kantonrechter verzocht werkgeefster te veroordelen tot betaling van i) de transitievergoeding van € 10.355,20 bruto minus € 583,25 netto, ii) opgebouwde vakantietoeslag en de waarde van niet-genoten verlofuren met vakantietoeslag, te vermeerderen met wettelijke rente, en tot verstrekking van bruto/netto specificaties en een positief getuigschrift, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag, een en ander onder veroordeling van werkgeefster in de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft deze verzoeken toegewezen, behalve de te verstrekken specificaties en de dwangsom.

4.3

De bedoeling van het hoger beroep van de bewindvoerster is dat de beschikking van 24 februari 2026 wordt vernietigd en dat het hof opnieuw, met een gewijzigde motivering, toewijst wat de kantonrechter in haar beschikking heeft toegewezen, onder veroordeling van werkgeefster in de proceskosten van beide instanties.

4.4

Het hof zal beslissen dat de bewindvoerster geen belang heeft bij het hoger beroep en dat dat beroep moet worden verworpen. Dat wordt hierna toegelicht, nadat is vastgesteld dat het hoger beroep tijdig is ingesteld.

5 De toelichting op de beslissing van het hof

Tijdigheid van het hoger beroep

5.1

Ingevolge artikel 358 Rv bedraagt termijn waarbinnen beroep tegen een beschikking kan worden ingesteld drie (kalender)maanden. Het beroepschrift waarmee tegen de beschikking van 24 februari 2026 wordt opgekomen, is ontvangen op 26 mei 2026. Omdat de beroepstermijn van drie maanden in dit geval eindigde op 24 mei 2025 en die datum een zondag was en de datum van 25 mei 2026 een erkende feestdag was, is de beroepstermijn verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is (artikel 1 lid 1 Algemene termijnenwet). Daarmee is het beroepsschrift tijdig ingediend en kan de bewindvoerster in haar beroep worden ontvangen.

Belang bij het hoger beroep

5.2

De bewindvoerster heeft vier beroepsgronden (door haar ‘grieven’ genoemd) tegen de beschikking opgeworpen. Die gronden staan alle in verband met het door werkgeefster gedane maar door de kantonrechter verworpen beroep van werkgeefster op verrekening met een door werkneemster aangegane lening. Deze gronden houden geparafraseerd in dat de kantonrechter meerdere malen buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden (gronden 1 en 4), ten onrechte door werkgeefster te laat ingediende stukken in de beoordeling heeft betrokken (grond 2) en ten onrechte een bijlage bij het verweerschrift van werkgeefster heeft geaccepteerd (grond 3). De bedoeling van die gronden is, gezien het in het beroep verwoorde verzoek, echter niet dat een andere uitkomst wordt bereikt, maar dat de beslissing van wat is toegewezen anders wordt gemotiveerd omdat een dragende overweging onjuist is.

5.3

De rechter in hoger beroep heeft ambtshalve te toetsen of de partij die tegen een uitspraak een rechtsmiddel instelt daarbij voldoende belang heeft, ofwel of het hoger beroep voor die partij ‘enig nuttig effect teweegbrengt’. Als dat niet het geval is, volgt verwerping van het hoger beroep. Als geen ander dictum wordt beoogd, bestaat alleen dan voldoende belang als die partij opkomt tegen in zijn nadeel genomen beslissing van de eerste rechter over de rechtsbetrekking in geschil, ook als die beslissing niet heeft doorgewerkt in het dictum van de beslissing van de eerste rechter. Op die wijze kan die partij voorkomen dat die in zijn nadeel genomen beslissing gezag van gewijsde krijgt.

5.4

Deze procedure is tussen werkneemster en werkgeefster. Zij zijn de (materiële) procespartijen en hun geschil is daarmee ‘de rechtsbetrekking in geschil’. In rov. 3.4 van de beschikking heeft de kantonrechter overwogen dat werkgeefster wat betreft de lening geen vordering op werkneemster heeft. Het is die beslissing die gezag van gewijsde kan krijgen – en bij gebrek aan hoger beroep van werkgeefster heeft gekregen. Dat geldt niet voor de daaraan voorafgegane overweging van de kantonrechter – wat daar verder ook van zij – dat werkneemster heeft erkend dat zij de lening van € 6.000 met [naam1] in privé is aangegaan. [naam1] is in deze procedure geen partij; de eventuele rechtsbetrekking tussen hem en werkneemster is daarmee niet de rechtsbetrekking in geschil. Daarmee krijgt wat de kantonrechter heeft overwogen over de erkenning door werkneemster geen gezag van gewijsde. Daarom heeft de bewindvoerster, anders dan zij kennelijk meent, geen voldoende belang bij een andere motivering van dezelfde beslissing. Dat geldt ook voor de andere redenen die de bewindvoerster aanvoert voor het kunnen passeren van het beroep op verrekening.

5.5

Tot slot, voor zover de bewindvoerster zich keert tegen de manier waarop de kantonrechter de zaak heeft behandeld, geldt dat alleen op de processuele gang van zaken bij de kantonrechter wordt ingegaan als het belang van de rechtspleging dat eist. Die situatie doet zich hier niet voor. De bewindvoerster wenst immers geen andere uitkomst van de procedure.

De conclusie

5.6

Het voorgaande betekent dat de bewindvoerster geen rechtens te respecteren belang heeft bij het hoger beroep. Dat beroep zal worden verworpen.

5.7

Omdat de bewindvoerster in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

5.8

De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6 De beslissing

Het hof:

6.1

verwerpt het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 24 februari 2026;

6.2

veroordeelt de bewindvoerster tot betaling van de volgende proceskosten van werkgeefster:

  • € 851 aan griffierecht

  • € 912 aan salaris van de advocaat van werkgeefster (1 procespunt × tarief I in hoger beroep)

6.3

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.4

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.F. Boele, J.H. Kuiper en M.E.L. Fikkers, en is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.

De beschikking is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2026:822. Vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, en HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7594. Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784. HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.