Arbeidsrecht

WWZ. Arbeidsovereenkomst is ontbonden vanwege verstoorde verhoudingen, met toekenning van een…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 19 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
200.366.840
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. D. Eggen en mr. N. Entzinger, mr. S.M. Profijt
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6714
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WWZ. Arbeidsovereenkomst is ontbonden vanwege verstoorde verhoudingen, met toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De werknemen wil een hogere billijke vergoeding. De werkgever wil juist dat de transitievergoeding en billijke vergoeding worden afgewezen.

Werknemer en werkgever verwijten elkaar ernstig verwijtbaar handelen. Centraal daarin staat of een brief waarin de werknemer ontslag neemt is voorzien van de handtekening van de werknemen, of dat de werknemer de werkgever ten onrechte beschuldigt van vervalsing van die handtekening. Hof oordeelt dat niet is komen vast te staan of de handtekening echt is of vervalst. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat een van partijen ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dat resulteert erin dat de transitievergoeding in stand blijft, maar dat geen aanspraak bestaat op een billijke vergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.366.840

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11512531

beschikking van 19 oktober 2026

in de zaak van

[verzoeker] ( [verzoeker] )

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. D. Eggen en mr. N. Entzinger

en

King Food B.V. (King Food)

die is gevestigd in Hengelo

advocaat: mr. S.M. Profijt

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikkingen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 4 maart 2025 en 18 december 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikkingen). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • het beroepschrift

  • het verweerschrift met incidenteel hoger beroep

  • het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep

  • de andere stukken

  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 26 augustus 2026 is gehouden

2 De kern van de zaak

2.1

Tussen partijen heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. Volgens King Food heeft [verzoeker] (mondeling) ontslag genomen en heeft hij die ontslagname later bevestigd in een door hemzelf ondertekende ontslagbrief. [verzoeker] ontkent ontslag te hebben genomen. Volgens hem heeft King Food de brief vervalst en is de arbeidsovereenkomst blijven doorlopen.

2.2

King Food heeft voor het geval de arbeidsovereenkomst toch nog mocht bestaan de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen van [verzoeker] (art. 7:669 lid 3 onder e BW, de zogenaamde “e-grond”), dan wel omdat de arbeidsverhoudingen ernstig zijn verstoord (de zogenaamde “g-grond). [verzoeker] beschuldigt King Food namelijk ten onrechte van het vervalsen van de brief. In een kort geding dat is behandeld gelijktijdig met het ontbindingsverzoek heeft [verzoeker] doorbetaling van zijn salaris gevorderd vanaf oktober 2024. In de ontbindingsprocedure heeft hij, voor het geval de arbeidsovereenkomst toch mocht worden ontbonden, om een transitievergoeding en een billijke vergoeding verzocht. Volgens [verzoeker] heeft juist King Food ernstig verwijtbaar gehandeld.

2.3

In de kortgedingprocedure heeft de kantonrechter in een vonnis van 4 maart 2025 de vordering tot doorbetaling van loon toegewezen, met nog enkele nevenvorderingen. In de ontbindingsprocedure heeft de kantonrechter na enkele tussenbeschikkingen in de eindbeschikking van 18 december 2025 de arbeidsovereenkomst ontbonden, op de grond dat de arbeidsovereenkomst ernstig en duurzaam is verstoord (de “g-grond”). Daarbij is naast de transitievergoeding aan [verzoeker] ook een billijke vergoeding van € 1.500 bruto toegekend, omdat de arbeidsverhouding verstoord zou zijn door ernstig verwijtbaar handelen van King Food. Volgens de rechtbank heeft King Food ten onrechte eraan vastgehouden dat [verzoeker] ontslag heeft genomen en hem om die reden aanvankelijk ook maandenlang zijn salaris niet betaald.

Een verzoek dat [verzoeker] nog had gedaan om King Food te veroordelen tot uitbetaling van niet genoten vakantiedagen is afgewezen.

2.4

Van het kort geding vonnis is geen hoger beroep ingesteld. In de ontbindingsprocedure zijn partijen het er in hoger beroep over eens dat de arbeidsovereenkomst terecht ontbonden is. Het hoger beroep van [verzoeker] is erop gericht dat aan hem een hogere billijke vergoeding wordt toegekend (€ 16.524 bruto vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2026). Daarnaast wil hij dat aan hem alsnog een vergoeding wordt toegekend voor niet genoten vakantiedagen (€ 16.810,78 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 en 50% wettelijke verhoging) en dat aan hem tevens een bedrag wordt toegekend voor door hem daadwerkelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand (€ 20.889,44). Het hoger beroep van King Food is erop gericht dat de ontbinding wordt gegrond op (ernstig) verwijtbaar handelen van [verzoeker] , en dat aan hem geen billijke vergoeding wordt toegekend en de aanspraak op de transitievergoeding alsnog wordt afgewezen.

2.5

Het hof zal de beslissing van de kantonrechter voor een deel in stand laten en voor een deel vernietigen. Hij zal de ontbinding op de “g-grond” in stand laten, maar beslissen dat [verzoeker] geen aanspraak heeft op een billijke vergoeding. De verzoeken van [verzoeker] om toekenning van een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en daadwerkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand worden ook in hoger beroep afgewezen. Wel zal het hof de veroordeling tot betaling van de transitievergoeding in stand laten. Het hof licht dat hierna toe.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

de opzet van de uitspraak

3.1

Het hof zal hierna eerst het feitelijk kader van het geschil schetsen. Daarna zal het hof de bezwaren van partijen (de beroepsgronden) tegen de beslissing van de kantonrechter bespreken aan de hand van de verschillende thema’s die zij aansnijden. Tenslotte zal het hof afronden met de conclusie en de beslissing.

de feiten

3.2

King Food is een groothandel die (onder andere) foodproducten levert aan de horeca. [verzoeker] is in december 2017 bij haar in dienst getreden en was daar laatstelijk werkzaam als chauffeur voor 40 uur per week tegen een salaris van € 2.461,29 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag.

3.3

Begin september 2024 heeft [verzoeker] gesproken met de filiaalmanager van King Food in

Groningen, mevrouw [naam1] (hierna: [naam1] ). Partijen verschillen van mening over wat toen is besproken. Volgens King Food heeft [verzoeker] toen mondeling zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. Volgens [verzoeker] heeft hij toen bij [naam1] geïnformeerd naar zijn openstaande uren, omdat hij vakantie wilde opnemen.

3.4

Na 27 september 2024 is [verzoeker] niet meer op het werk verschenen.

3.5

Op 18 oktober 2024 heeft de Manager Operations van King Food, de heer [naam2] ,

telefonisch contact gezocht met [verzoeker] . Tijdens dat gesprek, waarvan door [naam2] een geluidsopname is gemaakt heeft hij [verzoeker] uitgenodigd om op 21 oktober 2024 op het kantoor in Groningen te komen voor een bespreking.

3.6

Op 21 oktober 2024 heeft de bespreking tussen [verzoeker] en [naam2] plaatsgevonden op het kantoor van King Food in Groningen. Volgens King Food heeft [verzoeker] toen een ondertekende brief overhandigd waarin hij verklaart ontslag te nemen per 27 september 2024. [verzoeker] ontkent echter die brief te hebben overhandigd.

3.7

In een brief van 23 oktober 2024 heeft de directeur van King Food, de heer [naam4] , onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:

Hiermede bevestigen wij je dat we op donderdag 27 september 2024 een brief van jou hebben ontvangen met het verzoek tot beëindiging van je arbeidsovereenkomst bij King Food B.V.

Naar aanleiding daarvan delen we je mede dat wij hiermee kunnen instemmen, zodat de arbeidsovereenkomst is beëindigd tegen donderdag 27 september 2024, dit was jouw laatste werkdag bij King Food B. V.

Als bijlage bij de brief van 23 oktober 2024 is een A-4tje met het bedrijfslogo van King Food

gevoegd met daarop de volgende tekst:

Geachte [naam2] ,

Hierbij deel ik u mede dat ik per 27-9-2024 mijn ontslag indien bij King Food. Ik wil

u bedanken voor de kansen die ik binnen het bedrijf heb gekregen en voor de

geweldige tijd.

[verzoeker]

Onderaan de tekst staan de naam [verzoeker] en een handtekening.

3.8

Namens [verzoeker] is door zijn advocaat in een brief van 12 november 2024 aan King Food bericht dat [verzoeker] geen ontslag heeft genomen en dat de handtekening onder de brief wordt betwist. In de brief staat onder meer het volgende:

Cliënt had vanaf 27 september 2024 verlof opgenomen. Na terugkeer van zijn vakantie op 31 oktober 2024 vond cliënt tot zijn verrassing een brief op zijn deurmat. In deze brief geeft u aan dat cliënt per 27 september 2024 ontslag zou hebben genomen. Bij deze brief heeft u een document toegevoegd waaruit u dit afleidt. In dit document, gericht aan de heer [naam2] , staat dat cliënt per 27 september 2024 zijn ontslag indient bij King Food. Cliënt heeft dit document niet eerder gezien. Hij heeft dit document ook niet ondertekend.

De handtekening op het document is dan ook absoluut niet van cliënt. Cliënt kan niet

anders concluderen dan dat zijn handtekening is vervalst. Cliënt betwist dus uitdrukkelijk dat hij zijn arbeidsovereenkomst zou hebben opgezegd.

(...)

De arbeidsovereenkomst van cliënt loopt dus nog onverminderd door.

In de brief wordt verder aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon over de periode vanaf 27 september 2024. Ook meldt [verzoeker] zich daarin ziek, omdat hij is geraakt door de situatie. De handelwijze van King Food wordt in de brief gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar.

3.9

Nadere correspondentie tussen partijen heeft niet geleid tot overeenstemming, waarna King Food het ontbindingsverzoek heeft ingediend.

de ontbinding op grond van de zogenaamde “g-grond” blijft in stand; geen (ernstig) verwijtbaar gedrag van [verzoeker]

3.10

King Food heeft verzocht om te oordelen dat het handelen van [verzoeker] reden had opgeleverd voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de grond dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, en dat zijn handelen tevens ernstig verwijtbaar is.
Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat [verzoeker] tegen beter weten in ontkent zijn handtekening te hebben gezet onder brief die hij op 21 oktober 2024 heeft overhandigd aan [naam2] en dat hij King Food valselijk beschuldigt van vervalsing van de handtekening onder die brief.

3.11

De kantonrechter heeft in zijn tussenbeschikking van 4 maart 2025 King Food opgedragen te bewijzen dat de handtekening van [verzoeker] staat onder de ontslagbrief.

King Food heeft ter uitvoering van die bewijsopdracht in enquête [naam2] en [verzoeker] als getuigen doen horen en heeft een (partij)deskundigenbericht van het bureau Hoffmann ingebracht.
In zijn eindbeschikking van 18 december 2025 gaat de kantonrechter onder de rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.11 in op de vraag of King Food is geslaagd in haar bewijsopdracht en komt tot de conclusie dat dit niet het geval is.

Hij overweegt, samengevat, dat de getuigenverklaringen tegenover elkaar staan. Hoewel de verklaring van [verzoeker] minder consistent is dan die van [naam2] , betekent dat niet dat aan de verklaring van [verzoeker] minder waarde moet worden gehecht. Het deskundigenbericht komt alleen tot het oordeel dat het ‘waarschijnlijker” is dat de handtekening door [verzoeker] is gezet en dat biedt in dit geval onvoldoende zekerheid.

3.12

King Food verwijt de kantonrechter dat hij de verschillende bewijsmiddelen niet in hun samenhang en verband heeft beschouwd. Daardoor heeft de kantonrechter het bewijs ten onrechte niet geleverd geacht.

3.13

Het hof verwerpt dat verwijt. Ook als de bewijsmiddelen uitdrukkelijk in onderling verband worden beschouwd, zijn zij ontoereikend voor het bewijs. Naast de verklaring van [naam2] is er geen andere verklaring dat [verzoeker] ontslag heeft genomen. Alleen heeft een collega, [naam3] , schriftelijk verklaard dat [verzoeker] op 2 september aan haar had meegedeeld dat hij ontslag had genomen. Dat [verzoeker] op of voor die dag ontslag heeft genomen wordt echter niet bevestigd door filiaalmanager [naam1] . Van haar is alleen een schriftelijke verklaring overgelegd en een aanvullende verklaring op basis van schriftelijke vragen aan haar van de heer [naam4] , directeur van King Food, In geen van die verklaringen stelt zij dat [verzoeker] bij haar mondeling ontslag heeft genomen. Zij verklaart alleen dat hij wel heeft gesproken over ontslagname, maar dat zij toen tegen hem heeft gezegd dat hij dan een ontslagbrief moest sturen en bij haar leidinggevende, [naam2] , moet zijn.

Ook in de overgelegde transcriptie van het telefoongesprek tussen [naam2] en [verzoeker] van 18 oktober 2024 komt geen voldoende duidelijke passage voor, waaruit kan blijken dat [verzoeker] toen al (mondeling) ontslag had genomen. Het hof laat dan nog buiten beschouwing welke bewijswaarde, in het geval [verzoeker] dat wel in dat telefoongesprek had gezegd, toegekend zou moeten worden aan een gesprek dat buiten medeweten van [verzoeker] is opgenomen, met als vooropgezet doel om bewijs te vergaren dat [verzoeker] ontslag had genomen, zoals [naam4] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard.

3.14

Wel heeft [naam1] de verklaring van [verzoeker] ontkend dat zij hem toestemming heeft gegeven om vijf weken vakantie op te nemen. Dat, gevoegd bij wisselende en onduidelijke verklaringen van [verzoeker] over wat hij heeft gedaan in de periode na 27 september 2024, maakt de verklaring van [verzoeker] inderdaad op dit punt weinig geloofwaardig en consistent, maar nog niet tegenstrijdig of ongeloofwaardig als het gaat om de ontkenning van de ontslagname.
Daarbij gevoegd dat het deskundigenbericht van Hoffmann niet verder komt dan de kwalificatie dat het “waarschijnlijker” is dat de handtekening is gezet door [verzoeker] dan door iemand anders, bestaat te veel twijfel over de vraag of de handtekening onder de ontslagbrief inderdaad door [verzoeker] is gezet, om het bewijs geleverd te achten. Daarmee is niet aangetoond dat [verzoeker] ten onrechte de handtekening onder de brief betwist en dat hij King Food ten onrechte beschuldigt van de vervalsing van die brief.

3.15

Bovendien, zelfs als wel zou zijn komen vast te staan dat [verzoeker] zijn handtekening heeft gezet onder de ontslagbrief, is daarmee nog niet gegeven dat [verzoeker] ook zodanig (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld, dat van King Food in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (zoals is vereist voor toewijzing van een ontbinding op de “e-grond”). In dit geval is van belang dat ook King Food steken heeft laten vallen rond de gestelde ontslagname door [verzoeker] . In het bijzonder is niet gebleken, en heeft King Food ook niet aangevoerd, dat zij zich ervan heeft vergewist dat de wil van [verzoeker] daadwerkelijk was gericht op het nemen van ontslag en dat hij ermee bekend was wat de mogelijke nadelige consequenties voor hem daarvan zouden kunnen zijn. Als [verzoeker] daadwerkelijk heeft verklaard ontslag te nemen, lijkt King Food daar vanuit haar verplichtingen als goed werkgever te snel in meegegaan te zijn en heeft zij niet voldaan aan haar zogenaamde vergewisplicht. In dat verband wordt nog opgemerkt dat uit de overgelegde transcriptie van het telefoongesprek van 18 oktober 2024 tussen [naam2] en [verzoeker] naar voren komt dat [naam2] er bij [verzoeker] op aandringt om een ontslagbrief mee te nemen naar het gesprek van 21 oktober. Uit de verklaring van [naam1] moet echter worden afgeleid dat hij voorafgaand aan het telefoongesprek nog geen ontslag had genomen.

[verzoeker] heeft geen recht op een billijke vergoeding

3.16

Dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] ten onrechte ontkent dat hij zijn handtekening onder de ontslagbrief heeft gezet, betekent echter niet dat vaststaat dat King Food ten onrechte is uitgegaan van ontslagname door [verzoeker] . Het staat op grond van de gedingstukken namelijk ook niet vast dat [verzoeker] niet heeft gezegd ontslag te nemen. Zeer wel denkbaar is dat [verzoeker] dat wel heeft gezegd en zijn handtekening heeft gezet onder de ontslagbrief. Dat staat alleen niet vast.
In die situatie kan, anders dan de kantonrechter oordeelde, het handelen van King Food gebaseerd op een ontslagname door [verzoeker] – de arbeidsovereenkomst is daardoor beëindigd en aan hem is daarom geen loon meer uitbetaald -, niet worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar. Dat King Food rond die veronderstelde ontslagname wel enkele steken heeft laten vallen (zie hiervoor) kwalificeert evenmin als ernstig verwijtbaar.

3.17

Voor toekenning van een billijke vergoeding is vereist dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever (art. 7:671b lid 9 onder c BW). In de situatie dat niet kan worden aangenomen dat sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen van King Food, komt [verzoeker] dus geen billijke vergoeding toe. De kantonrechter heeft die dan ook ten onrechte toegekend. In dat opzicht faalt het hoger beroep van [verzoeker] en slaagt het hoger beroep van King Food. [verzoeker] zal worden veroordeeld om King Food de ontvangen billijke vergoeding terug te betalen, zoals King Food ook heeft verzocht.

[verzoeker] heeft wel recht op de transitievergoeding

3.18

Bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst heeft de werknemer aanspraak op de wettelijke transitievergoeding, tenzij de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (art. 7:673 lid 7 onder c BW). In het oordeel hiervoor dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] zodanig (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld, dat van King Food de voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer mocht worden verlangd, ligt besloten dat [verzoeker] wel recht heeft op de transitievergoeding, die door de kantonrechter ook is toegewezen en waarvan de hoogte verder niet in geschil is.

[verzoeker] heeft geen recht op uitbetaling van niet genoten vakantiedagen

3.19

Volgens een door [verzoeker] in hoger beroep overgelegd overzicht had hij, gerekend vanaf het begin van zijn dienstverband tot de ontbinding daarvan, 132,27 vakantiedagen niet genoten. Omgerekend en vermeerderd met vakantiegeld heeft [verzoeker] zijn aanspraak op uitkering in geld voor niet genoten verlof berekend op € 16.810,78.

3.20

King Food heeft daartegenover in hoger beroep de jaarurenkaarten vanaf 2020 overgelegd, waarbij in het overzicht van 2020 als beginsaldo is opgenomen het restant aan niet opgenomen uren over de daaraan vooraf gaande jaren. Op die kaarten heeft King Food de vakantiedagen geregistreerd die [verzoeker] volgens haar heeft genoten. Volgens dat overzicht had [verzoeker] bij de ontbinding per saldo zelfs teveel vakantiedagen opgenomen.

3.21

[verzoeker] heeft de juistheid van dat overzicht op zichzelf niet betwist. Hij heeft alleen verwezen naar zijn eigen overzicht, maar dat houdt nog geen gemotiveerde betwisting in van het door King Food overgelegde overzicht.

Bovendien is zijn eigen overzicht ook kennelijk onjuist, want het houdt er geen rekening mee dat hij in 2024 vijf weken verlof (vanaf 27 september) heeft opgenomen. Verder wijkt het overzicht ook af van een door hem in de procedure bij de kantonrechter overgelegd overzicht, volgens welk overzicht hij 104,33 verlofdagen niet genoten zou hebben. Voor dat verschil heeft [verzoeker] geen (toereikende) verklaring gegeven.

3.22

Daarmee heeft [verzoeker] ook in hoger beroep zijn stelling dat hij nog niet genoten verlofdagen had openstaan bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst onvoldoende onderbouwd, waarmee het verzoek tot uitbetaling daarvan niet toewijsbaar is.

3.23

De stelling van King Food dat het verzoek, voor zover dat betrekking heeft op nog openstaande dagen uit de jaren 2017, 2018 en 2019, is verjaard behoeft daarmee geen bespreking. Het hof merkt daarbij volledigheidshalve nog op dat King Food aan die stelling ook niet een uitdrukkelijk rechtsgevolg heeft verbonden, terwijl zij in het door haar overgelegde overzicht de niet genoten verlofdagen in die jaren juist wel heeft meegenomen in haar berekening van het saldo bij het einde van het dienstverband.

[verzoeker] heeft geen aanspraak op vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand.

3.24

Aanspraak op vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand in het kader van een procedure bestaat slechts in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de wederpartij misbruik maakt van procesrecht of het op onrechtmatig te achten wijze laat aankomen op een gerechtelijke procedure. Buiten die uitzonderlijke gevallen geldt alleen de regeling voor forfaitaire vergoeding van dergelijke kosten.

3.25

Een dergelijke uitzonderlijke situatie doet zich hier niet voor. Dat betekent dat [verzoeker] geen aanspraak heeft op vergoeding van de door hem daadwerkelijk gemaakte kosten voor juridische bijstand.

het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen

3.26

[verzoeker] heeft slechts in algemene zin bewijs aangeboden van zijn stellingen. Zijn aanbod is daarmee niet voldoende concreet en specifiek.

3.27

King Food heeft specifiek aangeboden de heer [naam2] en mevrouw [naam3] te horen over de ontslagname. King Food heeft daarbij echter niet aangegeven wat zij meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al gedaan hebben. Een dergelijke nadere concretisering van het aanbod had in dit stadium van de procedure wel van King Food verlangd mogen worden. Daarom wordt het bewijsaanbod gepasseerd.

de conclusie

3.28

Het hoger beroep van King Food slaagt alleen gedeeltelijk en het hoger beroep van [verzoeker] slaagt niet. Omdat King Food niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is het hof van oordeel dat de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter gecompenseerd dienen te worden, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten van de beide procedures dienen te dragen.

Dat betekent dat [verzoeker] aan King Food de proceskosten dient terug te betalen waarin King Food door de kantonrechter is veroordeeld. De kosten van de (partij)deskundige blijven voor eigen rekening van King Food.

3.29

Alle beroepsgronden van [verzoeker] falen en daarom wordt hij veroordeeld in de kosten van zijn hoger beroep, aan de kant van King Food te stellen op € 851 voor griffierecht en

€ 2.580 voor salaris van de advocaat (2 punten, tarief II). De proceskosten van het door King Food ingestelde hoger beroep worden gecompenseerd.

3.30

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4 De beslissing

Het hof:

4.1

verwerpt het hoger beroep van [verzoeker] ;

4.2

verwerpt het hoger beroep van King Food, behalve voorzover de kantonrechter in zijn beschikking van 18 december 2025 King Food heeft veroordeeld:
a) onder 3.4 om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 1.500 bruto, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 14 dagen na de betekening van de beschikking en onder 3.5 om een specificatie van die betaling te verstrekken

b) onder 3.10 in de proceskosten van [verzoeker] van € 1.221;

en in zoverre opnieuw recht doende:
vernietigt die beslissingen;

4.3

veroordeelt [verzoeker] om aan King Food terug te betalen de billijke vergoeding hiervoor bedoeld en de proceskosten hiervoor bedoeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover van de dag van betaling door King Food, 18 februari 2026 voor wat betreft de proceskosten (kennelijk abusievelijk vermeldt het verzoek van King Food als datum 18 februari 2022) en 24 februari 2026 voor wat betreft de billijke vergoeding;

4.4

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt van de procedure bij de kantonrechter en het door King Food ingestelde hoger beroep bij het hof;

4.5

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van King Food in het door hem ingestelde hoger beroep, te weten:

€ 851 aan griffierecht

€ 2.580 voor salaris van de advocaat

en bepaalt dat wettelijke rente verschuldigd is over deze bedragen indien die niet binnen 14 dagen na heden zijn betaald;

4.6

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.7

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma en is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.