Insolventierecht
Niet-ontvankelijk; Hoger beroep tegen de afwijzing van het bevel tot instemming met een schuldregeling is…
Gerechtshof Den Haag, 13 februari 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:229 · Gerechtshof Den Haag · 13 februari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/insolventierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2018-229
Zaakgegevens
Op 13 februari 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 13 februari 2018
- Datum publicatie
- 13 februari 2018
- Zaaknummer
- 200.230.169/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.A. Hupkes te Amsterdam.
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2018:229
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet-ontvankelijk; Hoger beroep tegen de afwijzing van het bevel tot instemming met een schuldregeling is uitgesloten indien het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is gehandhaafd en door de rechtbank is toegewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.230.169/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/535933 / FT EA 17/1998
arrest van 13 februari 2018
inzake
[naam 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. M.A. Hupkes te Amsterdam.
tegen
1. [schuldeiser] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
2. Finata Bank N.V. vertegenwoordig door Hoist Kredit AB),
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerden.
Het geding
Bij verzoekschriften, ingekomen ter griffie van het hof op 27 december 2017, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2017, waarbij haar verzoek tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling is afgewezen en haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is toegewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarbij haar verzoek tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling is afgewezen te vernietigen en voorwaardelijk, voor zover het hof mocht overgaan tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling, het vonnis waarbij de schuldsaneringsregeling op [appellante] van toepassing is verklaard, te vernietigen. Op 31 januari 2018 en 1 februari 2018 zijn de processtukken van de eerste aanleg en een aantal producties aan het hof toegezonden.
Bij brief van 31 januari 2018 heeft [schuldeiser] haar reactie op het verzoek van [appellante] aan het hof doen toekomen en medegedeeld dat zij niet ter zitting aanwezig zal zijn.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Verschenen zijn: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat, en [naam 2] , werkzaam bij Hoist Kredit AB, namens Finata Bank Amsterdam.
Beoordeling van het hoger beroep
1. Ter zitting in hoger beroep is in de eerste plaats aan de orde gesteld of [appellante] in haar beroep ontvankelijk is. Daarover wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 292 lid 3 Faillissementswet (Fw) kan de schuldenaar tegen de uitspraak tot afwijzing van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger beroep komen. Wanneer het verzoekschrift tevens een verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a, eerste lid, Fw inhield, wordt dit (afgewezen) verzoek eveneens aan het gerechtshof voorgelegd. In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966) beslist dat een redelijke en met de behoeften van de praktijk strokende uitleg van artikel 292 Fw meebrengt dat de schuldenaar die zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling door de rechtbank afgewezen ziet, terwijl hij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet handhaaft, in hoger beroep kan opkomen tegen afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. Indien het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is gehandhaafd en toegewezen, is hoger beroep tegen de afwijzing van het bevel tot instemming met een schuldregeling uitgesloten; zie rechtsoverweging 3.6.2 van het arrest van de Hoge Raad.
2. Het verzoek van [appellante] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is door de rechtbank toegewezen. In het eveneens vandaag gewezen arrest met betrekking tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft het hof – kort samengevat – overwogen dat de rechtbank ervan uit mocht gaan dat [appellante] haar schuldsaneringsverzoek wenste te handhaven. Het hof heeft [appellante] dan ook niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis waarbij de schuldsaneringsregeling werd uitgesproken. Nu de schuldsaneringsregeling (nog steeds) van toepassing is op [appellante] staat artikel 292 Fw, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2012, aan de ontvankelijkheid van [appellante] in haar beroep tegen de afwijzing van het bevel tot instemming met een schuldregeling in de weg.
3. Gelet op het voorgaande dient [appellante] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep.
Beslissing
Het hof verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2017.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, H.J. van Kooten en P.W. van Baal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.