Personen- en familierecht

Kort geding zorgregeling. De vordering van de vrouw wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend…

Gerechtshof Den Haag, 27 januari 2026

Zaakgegevens

Op 27 januari 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
27 januari 2026
Datum publicatie
20 juli 2026
Zaaknummer
200.356.835/01
Procedure
Hoger beroep kort geding
Advocaat
mr. A.R Bissessur, mr. H.H.R Bruggeman
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2341
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding zorgregeling. De vordering van de vrouw wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang. Voorts wordt zij veroordeeld in de proceskosten.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 5 juni 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:17266
  2. Gerechtshof Den Haag · 27 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2341

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.356.835/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/684635 / KG ZA 25-400

Arrest van 27 januari 2026 in kort geding

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. A.R. Bissessur, kantoorhoudend in Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman, kantoorhoudend in Leiderdorp.

Het hof noemt partijen hierna de vrouw en de man.

1 De zaak in het kort

1.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest tot [huwelijksdatum] 2023 en zijn de – gezamenlijk met het gezag belaste – ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).

1.2

In de echtscheidingsbeschikking van 13 december 2022 is een zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de minderjarige om de week van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur bij de man verblijft, de zomervakantie in onderling overleg bij helfte wordt verdeeld en de reguliere zorgregeling doorloopt in de overige vakanties, waarbij de man de minderjarige ophaalt en terugbrengt naar de vrouw.

1.3

Aan de orde is de vraag of de vrouw spoedeisend belang heeft bij haar vordering om de vader te veroordelen de zorgregeling na te komen op straffe van een dwangsom, en zo ja, of er aanleiding is voor deze veroordeling.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 27 juni 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 5 juni 2025 (hierna: het bestreden vonnis);

  • de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen;

  • de memorie van antwoord van de man, met bijlage.

2.2

De man heeft arrest gevraagd en het procesdossier overgelegd.

3 Procedure bij de rechtbank en in hoger beroep

3.1

De vrouw heeft de man gedagvaard en gevorderd dat de man de zorgregeling zoals door de rechtbank Den Haag op 13 december 2022 is vastgesteld nakomt, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte daarvan dat de man niet voldoet aan het gevorderde. De man heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd en gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen over en weer afgewezen en bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.2

De vrouw vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de voorzieningenrechter, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.

3.3

De man voert daartegen gemotiveerd verweer en vordert de vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

4 Beoordeling in hoger beroep

4.1

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van de vrouw afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang. De vrouw stelt in hoger beroep dat zij wel degelijk spoedeisend belang heeft bij deze procedure omdat de man de zorgregeling veelvuldig niet nakomt. De man bestrijdt dit.

4.2

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de man de afgelopen drie jaar zes keer verhinderd is geweest om een afspraak voor omgang na te komen. Gezien dat aantal in die tijdspanne is er onvoldoende grond voor het oordeel dat de man de zorgregeling veelvuldig niet nakomt. Dat sprake is geweest van meer dan die zes verhinderingen zoals de vrouw stelt, is niet gebleken. Dat de man in een periode van drie jaar 6 keer geen invulling heeft kunnen geven aan de zorgregeling is niet zodanig dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

Proceskosten

4.4

Hoewel de procedure van familierechtelijke aard is en proceskosten in dergelijke procedures in beginsel worden gecompenseerd, ziet het hof toch aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Het hof komt op twee gronden tot dit oordeel. Ten eerste op de volgende inhoudelijke grond. In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw op goede gronden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang. In hoger beroep heeft de vrouw dit belang niet nader onderbouwd. Ten tweede op de volgende proceshoudingsgrond. Nadat de man zijn memorie van antwoord heeft ingediend, zijn partijen via de rol in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de verdere voortgang van de procedure. Het is vervolgens alleen de man geweest die heeft gevraagd om arrest te bepalen en die het procesdossier heeft overgelegd. Van de zijde van de vrouw zijn geen proceshandelingen meer verricht. Zo heeft zij niet laten weten of zij een zitting wenste of een arrest. Het is dan ook de man geweest op wiens kosten het procesdossier is gefourneerd.

4.3

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de man op:

griffierecht € 362,-

salaris advocaat € 1.214,- (1 punt × tarief II)

nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 1.754,-

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt het bestreden vonnis;

  • veroordeelt de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de man begroot op € 1.754,- vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de vrouw deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;

  • verklaart dit arrest met betrekking tot de proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd;

Dit arrest is gewezen door mr. A.N. Labohm, mr. A.A.F. Donders en mr. E.B.J. van Elden en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.