Personen- en familierecht

Kort geding omgang. Moeder met gezag over minderjarige, die bij haar verblijft. Man vordert nadere omlijning…

Gerechtshof Den Haag, 3 februari 2026

Zaakgegevens

Op 3 februari 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 februari 2026
Datum publicatie
20 juli 2026
Zaaknummer
200.358.354/01
Procedure
Hoger beroep kort geding
Advocaat
mr. M.B Chylinska, mr. T Kahya-Ekinci
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2351
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding omgang. Moeder met gezag over minderjarige, die bij haar verblijft. Man vordert nadere omlijning omgangsregeling en dat de moeder die regeling nakomt op straffe van lijfsdwang. Kort geding behelst ordemaatregel en leent zich niet voor de door de vader gevraagde wijziging (uitbreiding) van de omgangsregeling. Grief tegen overweging ten overvloede. Vordering tot lijfsdwang jegens de moeder afgewezen; dwangsom jegens de vader in stand gelaten.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 18 juli 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:18465
  2. Gerechtshof Den Haag · 3 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2351

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer hof : 200.358.354/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/684703 / KG ZA 25-407

Arrest van 3 februari 2026 in kort geding

in de zaak van

[de man] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.B. Chylinska, kantoorhoudend in Zaandam,

tegen

[de vrouw] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci, kantoorhoudend in Rijswijk.

Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.

1 De zaak in het kort

1.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna: de minderjarige. De man heeft [minderjarige] naar Pools recht erkend. De vrouw is – naar Nederlands recht – alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De afgelopen jaren hebben de ouders veelvuldig geprocedeerd over de omgang tussen de man en de minderjarige. In dit kort geding vordert de man nadere omlijning van de omgangsregeling en dat de vrouw de omgangsregeling nakomt op straffe van lijfsdwang.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • de dagvaarding van 14 augustus 2025 met producties, waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 juli 2025 (hierna: het bestreden vonnis), en die de grieven in hoger beroep bevat;

  • het arrest van dit hof van 16 september 2025, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast;

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 19 november 2025. Tijdens deze mondelinge behandeling is de memorie van antwoord van de vrouw, met bijlagen, door de vrouw op de rol genomen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat het hof op basis van de hiervoor vermelde stukken arrest zal wijzen en zij afstand doen van een mondelinge behandeling ten overstaan van een meervoudige kamer.

3 Procedure bij de rechtbank

3.1

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter:

in conventie

­ de vrouw veroordeeld tot stipte nakoming van de vakantie- en feestdagenregeling zoals opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2024 en de nadere uitwerking daarvan zoals in het bestreden vonnis is opgenomen en de reguliere omgangsregeling zoals is opgenomen in de beschikking van het dit hof van 9 april 2025;

­ de vrouw veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat zij geen uitvoering geeft aan de hiervoor weergegeven veroordeling, met een maximum van € 10.000,00;

­ dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

­ bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt;

­ het meer of anders gevorderde afgewezen;

in reconventie

­ de vakantie- en feestdagenregeling zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 januari 2024 aangevuld:

­ de man veroordeeld tot stipte nakoming van de vakantie- en feestdagenregeling zoals opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2024 en de nadere uitwerking daarvan zoals in het bestreden vonnis is opgenomen en de reguliere omgangsregeling zoals is opgenomen in de beschikking van het dit hof van 9 april 2025;

­ de man veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij geen uitvoering geeft aan de hiervoor weergegeven veroordeling, met een maximum van € 10.000,00;

­ dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

­ bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt;

­ het meer of anders gevorderde afgewezen.

4 Vorderingen in hoger beroep

4.1

De man vordert – naar het hof begrijpt - het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • de inleidende vorderingen van de man alsnog toe te wijzen,

  • de inleidende vorderingen van de vrouw af te wijzen,

Daarnaast heeft hij zijn eis vermeerderd, in die zin dat hij vordert dat het hof bepaalt dat:

­ de vakanties ingaan op vrijdag uit school tot een opvolgende maandag,

­ dat het de man is toegestaan de minderjarige op zijn vrijdagen op te halen vanuit de opvang/school wanneer hij klaar is met zijn werk en niet stipt om 17.00 uur,

­ dat bijzondere dagen de hele dag beslaan tot de volgende ochtend,

­ dat de vrouw de minderjarige bij de man thuis ophaalt,

met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

4.2

De vrouw voert daartegen gemotiveerd verweer. Zij vordert de man niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans de grieven te verwerpen en het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.

5 Beoordeling in hoger beroep

Spoedeisend belang

5.1

Naar het oordeel van het hof heeft de man gezien de aard van de procedure – nakoming van een omgangsregeling - in beginsel voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen.

Nadere omlijning van de omgangsregeling (grief 1)

5.2

In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de omgangsregeling verduidelijkt in die zin dat hij voor de bijzondere dagen en de vakanties de begin- en eindtijden heeft bepaald. Verder heeft de voorzieningenrechter bepaald dat voor zover de vrouw is verhinderd door werkomstandigheden, de overdracht zal plaatsvinden door een derde uit haar directe omgeving, waaronder haar moeder, haar meerderjarige zoon of een vriendin. De man meent dat deze nadere omlijning van de omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is. Hij wenst dat het gaat om hele dagen tot de volgende ochtend naar school dan wel naar de vrouw zodat hij beter invulling aan zijn tijd met de minderjarige kan geven. Voor wat betreft de vakanties komt het de man praktisch voor dat deze ingaan op vrijdag uit school en niet op de zaterdagochtend. De man is soms voor zijn werk in de buurt van de woonplaats van de minderjarige, maar mag de minderjarige dan van de vrouw niet eerder ophalen. Volgens de man staat er niets aan in de weg dat hij zelf bepaalt wanneer hij de minderjarige ophaalt. Daarnaast wenst de man, die nu volledig het halen en brengen voor zijn rekening neemt, dat de vrouw de minderjarige bij hem ophaalt. Met de overdracht via de zoon of derden heeft de man moeite.
De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd bestreden.

5.3

Het hof overweegt als volgt. De voorzieningenrechter heeft gezien de onduidelijkheid die er bestond bij partijen, de begin- en eindtijden van de eerder vastgestelde omgangsregeling verduidelijkt. De man vordert in hoger beroep echter een uitbreiding van de oorspronkelijke regeling. Het hof is van oordeel dat een kort geding zich niet leent voor deze door de man gevorderde uitbreiding van de zorgregeling. Niet alleen ontbreekt het de man aan een spoedeisend belang bij deze vorderingen, maar ook hoort de bepaling van deze feitelijke invulling thuis in een bodemprocedure. De vorderingen gaan voorbij aan het karakter van dit kort geding, dat een ordemaatregel behelst. Dit betekent dat grief 1 faalt.

Overweging voorzieningenrechter over het procederen door partijen (grief 2)

5.4

In rechtsoverweging. 4.4 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de oplossing niet is gelegen in procederen en strijden tegen elkaar, dat partijen sinds juni 2023 deze tactiek hanteren en het erop lijkt dat dit tot nu toe niets positiefs heeft opgeleverd. Aangezien de voorzieningenrechter geen enkele conclusie heeft verbonden aan deze overweging, maar slechts een alternatieve vorm van geschillenbeslechting meegeeft, kan grief 2 – waarin de man hierover klaagt – niet leiden tot een andere beslissing en behoefte deze grief verder geen bespreking.

Lijfsdwang en aan man opgelegde dwangsom (grief 3)

5.5

De man meent dat aan de veroordeling van de vrouw tot medewerking aan de omgangsregeling lijfsdwang moet worden verbonden. Het hof overweegt daarover als volgt. Het hof is niet gebleken dat de vrouw na het bestreden vonnis geen medewerking aan de omgang heeft verleend. De door de man aangehaalde momenten dat de vrouw haar medewerking niet verleende, zijn uit de periode voor het bestreden vonnis. Het hof ziet dan ook geen enkele aanleiding voor het opleggen van lijfsdwang zoals door de man gevorderd. Verder is het hof van oordeel dat de voorzieningenrechter (ook) de man terecht heeft veroordeeld tot medewerking aan de omgangsregeling op straffe van een dwangsom, aangezien hij ook meerdere keren zijn medewerking niet heeft verleend. Dat dit gerechtvaardigd was omdat de derde die de minderjarige ophaalde naar alcohol rook, heeft de man niet onderbouwd.

Proceskosten (grief 4)

5.6

Het hof ziet, mede gezien de uitkomsten van het hoger beroep en de familierechtelijke aard van deze procedure, geen aanleiding om de vrouw dan wel de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

6 Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt het bestreden vonnis;

  • compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A.F. Donders, mr. H.J. Wieman-Bart en mr. G.G.B. Boelens en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de jongste raadsheer.