Verbintenissenrecht
Onrechtmatige daad, bewijscriterium in civielrechtelijke procedure. Appellant is in een strafrechtelijke…
Gerechtshof Den Haag, 8 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2702 · Gerechtshof Den Haag · 8 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2702
Zaakgegevens
Op 8 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 september 2026
- Datum publicatie
- 25 augustus 2026
- Zaaknummer
- 200.349.669/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.W. van der Heijden, mr. M.P. de Klerk
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2702
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onrechtmatige daad, bewijscriterium in civielrechtelijke procedure. Appellant is in een strafrechtelijke procedure door de rechtbank tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens een poging tot het vermoorden van geïntimeerde sub 1, maar is in hoger vrijgesproken. Geïntimeerden hebben vervolgens appellant in een civielrechtelijke procedure tot schadevergoeding aangesproken. De rechtbank heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat appellant de schutter was. Het hof acht dat voorshands bewezen en laat appellant toe tegenbewijs te leveren.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 19 juni 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:9296Gerechtshof Den Haag · 8 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2702
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.349.669/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/649793 HA ZA 23-569
Arrest van 8 september 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant]
advocaat: mr. M.W. van der Heijden, kantoorhoudend in Vught,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna samen te noemen [geïntimeerden] en afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]
advocaat: mr. M.P. de Klerk, kantoorhoudend in Den Haag.
1 De zaak in het kort
[appellant] is door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens een poging tot het vermoorden van [geïntimeerde 1] . In hoger beroep is hij hiervan vrijgesproken. [geïntimeerden] hebben vervolgens schadevergoeding gevorderd van [appellant] wegens onrechtmatig handelen. De meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, team handel, heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [appellant] de schutter was en heeft hem veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [geïntimeerden] . [appellant] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
Het hof oordeelt dat [geïntimeerden] voorshands hebben bewezen dat [appellant] degene is die [geïntimeerde 1] op 6 mei 2020 heeft beschoten. [appellant] wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.
2 Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
-
de dagvaarding van 18 september 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 juni 2024;
-
het herstelexploot van 25 november 2024;
-
de memorie van grieven van [appellant] , met bijlage;
-
de memorie van antwoord van [geïntimeerden] .
Op 14 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht, mr. Van der Heijden aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd.
3 Feitelijke achtergrond
Op 6 mei 2020 om 22.47 uur is [geïntimeerde 1] in de deuropening van zijn woning in Den Haag van dichtbij beschoten. Het daardoor ontstane letsel bij [geïntimeerde 1] betrof een verbrijzelingsfractuur van de bovenkaak rechts. De kogel is via zijn kaak in zijn hoofd gekomen en heeft via zijn hals zijn lichaam verlaten. In verband daarmee is [geïntimeerde 1] op 7 en 8 mei 2020 opgenomen geweest in het ziekenhuis en is hij op 11 mei 2020 geopereerd, waarbij zijn onder- en bovenkaak gedurende zes weken aan elkaar zijn vastgezet.
[geïntimeerde 1] heeft zich na het schietincident onder behandeling gesteld van een psycholoog, die in een brief van 3 november 2020 voor zover van belang het volgende heeft geschreven:
“(…) Hij wordt sinds 9 juni 2020 tot heden door mij behandeld.
(...)
DSM 5 diagnose :
(...) post traumatische stress-stoornis
(...) Depressieve episode, eenmalig ernstig (...)
(…)
De prognose:
De cliënt heeft een langdurige behandeling nodig. Hij heeft psychische problemen en levensdruk die het gevolg zijn van dit ongeval (…).”
Ook [geïntimeerde 2] , die haar partner kort na het schietincident aantrof met een schotverwonding in het gezicht, kampt sindsdien met psychische klachten.
Bij vonnis van 9 februari 2021 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag is [appellant] in verband met het schietincident veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. Hij is schuldig bevonden aan poging tot moord en diefstal van kentekenplaten op 6 mei 2020. In dit vonnis is voor zover hier van belang overwogen:
“3.3.2.2 Was de verdachte de schutter?
(...)
Gebeurtenissen in de aanloop naar 6 mei 2020
De verdachte heeft een relatie met [betrokkene] . (...)
In februari 2020 kwam de verdachte erachter dat [betrokkene] een verhouding had met [geïntimeerde 1] .
(…)
Op 11 april 2020 heeft de verdachte met [geïntimeerde 1] afgesproken op het Centraal Station. Hij wilde dat het contact tussen [geïntimeerde 1] en [betrokkene] zou stoppen en heeft hem dat gezegd.
(...)
Tussenconclusie
De rechtbank leidt uit voormelde bewijsmiddelen het volgende af.
De verdachte was in de directe omgeving van de plaats-delict toen op [geïntimeerde 1] werd geschoten, en hij is kort daarna vertrokken. Uit de camerabeelden is immers af te leiden dat om 22:47 uur op [geïntimeerde 1] is geschoten. De verdachte bevond zich toen al meer dan een uur in de directe omgeving van de plaats-delict, afgaande op de historische verkeersgegevens van het nummer van de telefoon die hij die avond bij zich had. Dat nummer maakte vervolgens voor het laatst verbinding in de omgeving van de plaats-delict om 22:49 uur, en voor het eerst om 0:36 uur in Aarle-Rixtel, terwijl de reistijd tussen deze plaatsen ongeveer anderhalf uur bedraagt.
De verdachte had de beschikking over een pistool. Hij heeft verklaard dat hij dat pistool op 4 en 5 mei 2020 heeft meegenomen naar Den Haag. Nadien zou hij het hebben weggegooid, maar hij weet niet meer wanneer en waar. De rechtbank ziet in deze vage verklaring van de verdachte geen reden om aan te nemen dat de verdachte het pistool op 6 mei 2020 niet meer in zijn bezit had.
De schutter vuurde met links, terwijl de verdachte, die rechtshandig is, aangewezen was op zijn linkerhand, omdat zijn rechterhand in het gips zat. Zo heeft hij die avond ook met links getankt.
De verdachte kán dus de schutter zijn geweest: hij was op dat moment in de buurt, hij had de beschikking over een pistool en hij was die dag aangewezen op zijn linkerhand.
Daarbij komt het volgende.
In de ochtend van 6 mei 2020 vond een voor de verdachte ingrijpende gebeurtenis plaats. Hij vernam toen de vertaling van een gesprek tussen [geïntimeerde 1] en [betrokkene] , waarin zij spraken over het zoeken van een appartement om elkaar te kunnen blijven ontmoeten. De verdachte ervoer dit naar eigen zeggen als een klap in zijn gezicht.
Vervolgens voorzag de verdachte de auto van zijn vader van gestolen kentekenplaten, waarna hij met die auto in de avond van 6 mei 2020 van Helmond naar Den Haag reed. De verklaring die de verdachte daarvoor heeft gegeven, komt de rechtbank onaannemelijk voor. Volgens de verdachte was hij bezorgd dat [betrokkene] de auto van zijn vader zou herkennen. De dagen daarvoor was de verdachte echter met zijn eigen Seat naar Den Haag gereden, een auto die [betrokkene] veel eerder zou herkennen. Bovendien heeft de verdachte niet verklaard dat [betrokkene] , wier bewegingen hij kon volgen, op 6 mei 2020 in Den Haag was, zodat onduidelijk is waarom hij voor herkenning zou hebben moeten vrezen.
In de ochtend van 7 mei 2020, zo’n tien uur na terugkomst in Helmond, zegde de verdachte zijn abonnement op Geoloc op. Deze dienst gebruikte de verdachte om de locatie van de telefoon van [betrokkene] te achterhalen. Kennelijk zag de verdachte op 7 mei 2020 geen noodzaak meer voor het gebruik van deze dienst.
De rechtbank ziet in het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende aanwijzingen dat de verdachte de schutter was. Daarbij ziet de rechtbank de ‘klap in het gezicht’ als directe aanleiding, bezien tegen de achtergrond van de vele ‘laatste kansen’ die de verdachte [betrokkene] had gegeven en zijn vurige wens dat haar verhouding met [geïntimeerde 1] zou stoppen. Het plaatsen van de gestolen kentekenplaten kan worden geduid als een poging van de verdachte om geen herleidbare sporen achter te laten, terwijl hij zijn abonnement op Geoloc heeft opgezegd omdat hij wist dat [betrokkene] nu toch niet meer met [geïntimeerde 1] kon afspreken. De rechtbank merkt hierbij op dat de verdachte tegenover al deze aanwijzingen voor zijn betrokkenheid geen eigen scenario heeft geplaatst. Hij heeft bij herhaling verklaard dat hij geen herinnering heeft aan wat hij op 6 mei 2020 in Den Haag heeft gedaan. Dat valt op, te meer omdat hij over zowel eerdere als latere gebeurtenissen wél gedetailleerd heeft kunnen verklaren.”
[geïntimeerden] hebben als benadeelde partijen vorderingen (tot betaling van € 72.157,29 aan [geïntimeerde 1] en € 1.010,09 aan [geïntimeerde 2] ) ingesteld die door de rechtbank zijn toegewezen tot een bedrag van € 20.983,33 aan [geïntimeerde 1] (waarvan € 12.994,00 ziet op immateriële schade) en volledig aan [geïntimeerde 2] (waarvan € 925,00 ziet op immateriële schade).
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Bij arrest van de meervoudige strafkamer van het hof Den Haag van 22 december 2022 is dit vonnis vernietigd en is [appellant] vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot moord. De veroordeling tot diefstal van kentekenplaten hield stand. In dit arrest is voor zover van belang overwogen:
“Het hof stelt daarbij de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte is er begin februari 2020 achter gekomen dat zijn partner een verhouding had met aangever, die op dat moment woonachtig was in Den Haag. Hij heeft vervolgens een GPS-tracker met een simkaart in de auto waarmee zijn partner veelal reed geplaatst om de gangen van zijn partner na te gaan.
Op 11 april 2020 heeft de verdachte contact gehad met het slachtoffer op station Den Haag Centraal. De verdachte heeft toen uitgelegd dat hij wilde dat het contact tussen zijn partner en aangever zou stoppen. De verdachte is er vervolgens achter gekomen dat het contact tussen zijn partner en aangever niet is gestopt. Om rust te krijgen is de verdachte op 3 mei 2020 bij zijn vader in Helmond gaan logeren, vanwaar hij op 4 en 5 mei 2020 telkens naar Den Haag in de buurt van de woning van aangever en weer terug naar Helmond is gereden. De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij tijdens de rit op 4 mei 2020 de beschikking had over een pistool.
Op 6 mei 2020 heeft de verdachte omstreeks 01:40 uur kentekenplaten van een Renault Megane Scenic gestolen. Vervolgens is hij diezelfde dag in de avond naar Den Haag gereden in de auto van zijn vader, te weten een Renault Megane Scenic, met daarop de eerder die dag gestolen kentekenplaten. Uit de telefoongegevens van de verdachte en de verklaring van de verdachte leidt het hof af dat de verdachte in de periode van 21:35:06 tot en met 22:49:17 uur, en dus tijdens het schietincident omstreeks 22:47:30 uur, in de buurt van de woning van aangever is geweest. Voorts was de rechtshandige verdachte ten tijde van het schietincident aangewezen op zijn linkerhand als gevolg van een ongeluk en heeft de schutter heeft geschoten met de linkerhand.
Op 7 mei 2020, de dag na het schietincident, heeft de verdachte bovendien zijn abonnement op Geoloc opgezegd. De verdachte gebruikte deze dienst eerder om de locatie van de telefoon van zijn partner te achterhalen. Daarnaast heeft de verdachte op deze dag op zijn telefoon op internet gezocht op de zoekterm “schietpartij den haag” en verschillende nieuwsartikelen die betrekking hebben op het onderhavige schietincident bekeken.
Gelet op het voorgaande stelt hof vast dat de verdachte zich tijdens het schietincident in de buurt van de woning van aangever bevond. Daartegenover bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de schutter is geweest die de aangever in het portiek van zijn woning heeft beschoten. Daarbij kent het hof gewicht toe aan de omstandigheid dat het door de getuigen opgegeven signalement van de schutter niet zonder meer overeenkomt met het signalement van de verdachte. Bovendien zijn er op de twee aangetroffen hulzen bij de plaats delict geen sporen van de verdachte gevonden.
Verder overweegt het hof dat niet alleen verdachte maar juist ook aangever wisselend en innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over relevante feiten en omstandigheden en bijvoorbeeld over zijn naar boven gekomen contacten vaag is gebleven. In verband daarmee kan het hof – mede gelet op de door getuige [getuige 3] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring – niet uitsluiten dat aangever verkeert in en zaken doet met personen in een milieu waarbij moet worden gedacht aan drugs en/of fraude en kan het hof niet uitsluiten dat in verband daarmee de aangever slachtoffer is geworden van de onderhavige beschieting. Voorts is veelzeggend de omstandigheid dat de raadsheer-commissaris tijdens het verhoor van aangever (...) naar aanleiding van het verhoor van genoemde [getuige 3] is over gegaan tot het beëdigen van de aangever en hem daarna heeft gewezen zich bloot te stellen aan strafrechtelijke vervolging indien hij in strijd met de waarheid verklaart. Gelet op deze omstandigheden moet het hof de bewijsmiddelen nog meer dan gebruikelijk met de grootst mogelijke behoedzaamheid wegen en komt dan ook tot het oordeel dat ondanks de tot en met de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep bestaande ernstige verdenking jegens verdachte, waarbij het naar voren gekomen hem belastende bewijs betrokkenheid bij het hem ten laste niet uitsluit, met het huidige naar voren gekomen wettig (indirect) bewijs niet buiten redelijke twijfel bewezen kan worden verklaard dat het de verdachte is geweest die het onder I tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.”
Omdat [appellant] is vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot moord zijn [geïntimeerden] door het hof niet-ontvankelijk verklaard in de door hen als benadeelde partijen ingestelde vorderingen.
4 Procedure bij de rechtbank
[geïntimeerden] hebben [appellant] gedagvaard en hebben een verklaring voor recht gevorderd dat hij onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [geïntimeerden] geleden schade, alsmede een veroordeling tot vergoeding van die schade, primair zoals verzocht in de strafprocedure (€ 72.157,29 en € 1.010,09), subsidiair zoals toegewezen door de rechtbank in eerste aanleg in de strafprocedure (€ 20.983,33 en € 1.010,09), te vermeerderen met de wettelijke rente, en meer subsidiair nader op te maken bij staat.
De rechtbank is op basis van verschillende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel gekomen dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [appellant] op 6 mei 2020 de schutter was (r.o. 4.3).
De rechtbank heeft de verweren van [appellant] dat een alternatief scenario mogelijk is (r.o. 4.5-4.7), dat hij niet voldoet aan het signalement zoals dat is geschetst door omwonenden (r.o. 4.8-4.12) en dat forensisch bewijs ontbreekt (r.o. 4.13), verworpen.
De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] een bedrag van € 20.983,33 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2020. Dit bedrag is opgebouwd uit: medische kosten (€ 7.739,33), kledingschade/reiniging interieur (€ 250,00) en immateriële schadevergoeding (€ 12.994,00). Daarnaast is [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde 2] een bedrag van € 1.010,09 te betalen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2020. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor het opvragen van medische informatie (€ 85,09) en immateriële schadevergoeding (€ 925,-). [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.
5 Beoordeling in hoger beroep
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld. Hij heeft zes grieven aangevoerd.
Met grieven I tot en met IV voert [appellant] , samengevat, aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde 1] op 6 mei 2020 door [appellant] is beschoten. De door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden vormen slechts bewijs van het ‘stalkersgedrag’ van [appellant] op 6 mei 2020. [geïntimeerde 1] is toevalligerwijs tijdens het stalkersgedrag van [appellant] het slachtoffer geworden van een afrekening in het criminele circuit. Een dergelijk alternatief scenario is voldoende aannemelijk. Daarvan is immers ook het hof uitgegaan in de strafrechtelijke procedure en daarvoor biedt ook de op 2 augustus 2020 door [geïntimeerde 1] gedane aangifte van bedreiging steun. Het signalement dat volgt uit de afgelegde getuigenverklaringen komt niet overeen met dat van [appellant] . De conclusie van de rechtbank in r.o. 3.6 dat Yussuf niet de schutter kan zijn geweest omdat zijn telefoon tussen 11 december 2019 tot en met 11 mei 2020 niet een zendmast in de omgeving van Den Haag heeft aangestraald, is onbegrijpelijk omdat iemand die actief is in het criminele milieu niet zijn persoonlijke telefoon zal meenemen bij het plegen van een moordaanslag. Er is geen forensisch bewijs dat naar [appellant] wijst.
Grief V houdt in dat de rechtbank een te hoog bedrag aan immateriële schadevergoeding heeft toegewezen aan [geïntimeerde 1] . Volgens [appellant] heeft de rechtbank haar overweging “rekening houdend (…) met bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegewezen” (r.o. 4.21) ten onrechte niet van een motivering voorzien. [appellant] verwijst ter staving van dit standpunt naar Rb. Den Haag 3 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10971, waarin € 5.000,- werd toegewezen. Volgens [appellant] ziet dit vonnis op een vergelijkbaar geval.
Grief VI is gericht tegen de proceskostenveroordeling.
[geïntimeerden] hebben de grieven bestreden.
Beoordelingskader
Het hof stelt voorop dat [geïntimeerden] moeten stellen, en – bij gemotiveerde betwisting – moeten bewijzen dat [appellant] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door [geïntimeerde 1] te beschieten.
Het feit dat [appellant] door de meervoudige strafkamer van het hof Den Haag is vrijgesproken, betekent niet dat vaststaat dat hij de feiten waarvan hij verdacht is geweest, het beschieten van [geïntimeerde 1] daaronder begrepen, niet heeft gepleegd. De meervoudige strafkamer heeft slechts vastgesteld dat zij het bewijs niet wettig en overtuigend geleverd acht. De civiele kamer van het hof moet aan de hand van de in deze zaak naar voren gebrachte stellingen vaststellen of [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerden] heeft gehandeld door [geïntimeerde 1] te beschieten. Daarbij is van belang dat in het burgerlijk (proces)recht niet is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan. Voor bewijs kan volstaan dat de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden (zie onder meer HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182 en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278). Ook de rechtbank is hier (in r.o. 4.2 van haar vonnis) van uitgegaan en [appellant] heeft tegen deze overweging (terecht) geen grieven gericht.
Voorshands bewezen dat [appellant] de schutter was
Het hof gaat er voorshands vanuit dat [appellant] degene is die [geïntimeerde 1] op 6 mei 2020 heeft beschoten en zal [appellant] toelaten tot tegenbewijs tegen dit door het hof voorshands aangenomen feit. De feiten genoemd in r.o. 4.3 van het vonnis van de rechtbank, waarvan ook het hof uitgaat omdat [appellant] die niet of onvoldoende heeft bestreden, wijzen daar immers zeer sterk op.
[appellant] had een duidelijk motief voor het plegen van de aanslag; het was zijn vurige wens dat er een eind zou komen aan de amoureuze verhouding tussen [geïntimeerde 1] en [betrokkene] . [appellant] heeft een apparaat in de auto van [betrokkene] geplaatst, waarmee hij haar kon volgen en waarmee hij in de auto gevoerde gesprekken kon afluisteren. Om een einde te maken aan de verhouding sprak hij af met [geïntimeerde 1] op het Centraal Station te Den Haag en bracht hij een bezoek aan [geïntimeerde 2] om haar over de verhouding te vertellen. Er was ook een duidelijke aanleiding voor het plegen van de aanslag; op de dag van de aanslag, 6 mei 2020, ontving [appellant] de vertaling van een tussen [betrokkene] en [geïntimeerde 1] gevoerd gesprek, waaruit bleek dat zij op zoek waren naar een appartement om hun relatie te kunnen voortzetten. [appellant] heeft verklaard dat hij dit als een klap in het gezicht heeft ervaren, omdat [betrokkene] hem had gezegd dat de verhouding beëindigd was. [appellant] had ook een gelegenheid om de aanslag te plegen: uit telefoongegevens blijkt dat hij op 6 mei 2020 van 21:35:06 uur tot en met 22:49:17 uur – en dus tijdens de aanslag – in de buurt was van de woning van [geïntimeerde 1] . Hij was daarnaartoe gereden met de Seat van zijn vader, die hij van gestolen kentekenplaten had voorzien. Voorts heeft [appellant] enige tijd voor de aanslag een vuurwapen gekocht. [appellant] heeft daarover weliswaar verklaard dat hij dit deed om, in verband met de verhouding van [betrokkene] met [geïntimeerde 1] , een einde aan zijn eigen leven te kunnen maken en dat hij het wapen op 5 mei 2020 al had weggegooid. [appellant] heeft deze stellingen echter niet aannemelijk kunnen maken. Zo heeft hij niet verklaard van wie hij het wapen had gekocht en ook niet kunnen aanwijzen waar hij het wapen heeft weggegooid.
Tegen de achtergrond van de onder 5.9 vermelde, voor [appellant] belastende feiten is het bovendien vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat [geïntimeerde 1] door een ander dan [appellant] is beschoten. De politie heeft uitgebreid onderzoek verricht naar aanleiding van de moordaanslag, maar er is geen enkele andere verdachte concreet in beeld gekomen. Meer specifiek bieden de stukken in het dossier vooralsnog onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de aanslag is gepleegd door ‘ [naam] ’, door in de drugshandel concurrerende ‘Pakistanen’ of ‘Turken’ of door de persoon die [geïntimeerde 1] (na de moordaanslag) via WhatsApp heeft willen afpersen, waarvan [geïntimeerde 1] aangifte heeft gedaan.
Het hof sluit zich verder aan bij de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het signalement van de dader zoals dat volgt uit de getuigenverklaringen (r.o. 4.3, onder 11 en r.o. 4.8-4.12 van het vonnis) en maakt deze tot de zijne. De getuigen hebben verklaard dat zij denken dat het om een jongeman ging, vanwege de manier waarop de dader rende, diens postuur en diens kleding. Geen van de getuigen heeft met zekerheid kunnen verklaren dat de wegrennende schutter een jongeman was. De getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bieden bovendien juist steun aan de aanname dat [appellant] de schutter was. Zij zagen immers dat de wegrennende schutter een blauw mondkapje droeg. [appellant] was eerder op de dag gefilmd bij een tankstation en toen droeg hij een blauw mondkapje. Over deze feitelijke vaststelling van de rechtbank is in hoger beroep niet geklaagd.
Ook voor wat betreft het gebrek aan forensisch bewijs sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank (r.o. 4.13 van het vonnis) en maakt deze tot de zijne. Hieraan voegt het hof nog toe dat [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat, toen hij het door hem gekochte vuurwapen verkreeg, een ander de patroonhouder met patronen daarin heeft gedaan. Dit kan verklaren waarom het DNA van een onbekend gebleven persoon is aangetroffen op de hulzen die bij de plaats-delict werden aangetroffen.
Immateriële schadevergoeding
Voor het geval [geïntimeerde 1] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, overweegt het hof dat het door de rechtbank aan [geïntimeerde 1] toegewezen bedrag van € 12.994,00 aan immateriële schadevergoeding passend is. [geïntimeerde 1] heeft zwaar lichamelijk letsel in de vorm van een verbrijzelde kaak en een posttraumatische stressstoornis overgehouden aan het schot door zijn hoofd. Uit medische stukken in het dossier is af te leiden dat [geïntimeerde 1] fysieke klachten zal blijven houden. Het toegewezen bedrag ligt binnen de bandbreedte van € 12.000 tot € 21.000 die in de Rotterdamse Schaal is geïndiceerd voor Complexe breuk met blijvende gevolgen, zoals beperkingen bij het openen van de mond of bij eten, of paresthesie (een stoornis in de gevoelswaarneming) rond de kaak.
Conclusie
Zoals hiervoor in r.o. 5.8 is overwogen, zal het hof [appellant] – zoals hij heeft aangeboden – in de gelegenheid stellen tegenbewijs te leveren tegen het door het hof voorshands aangenomen feit dat [appellant] degene is die [geïntimeerde 1] op 6 mei 2020 heeft beschoten. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Beslissing
Het hof:
-
stelt [appellant] in de gelegenheid om tegenbewijs te leveren tegen het door het hof voorshands aangenomen feit dat [appellant] degene is die [geïntimeerde 1] op 6 mei 2020 heeft beschoten;
-
bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. K. Engel, op vrijdag 23 oktober 2026 om 09.00 uur;
-
bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden oktober tot en met december 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
-
deelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;
-
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Engel, D.A. Schreuder en F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.