Verbintenissenrecht
benoeming deskundige in een bouwzaak
Gerechtshof Den Haag, 8 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2760 · Gerechtshof Den Haag · 8 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2760
Zaakgegevens
Op 8 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 september 2026
- Datum publicatie
- 1 september 2026
- Zaaknummer
- 200.338.262/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. T.J van Veen, mr. R Bravenboer, mr. B.M Stroetinga, mr. P.A Visser
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2760
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
benoeming deskundige in een bouwzaak
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 30 augustus 2023
ECLI:NL:RBROT:2023:8313Gerechtshof Den Haag · 8 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2760
Overig
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.338.262/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/634026 / HA ZA 22-169
Arrest van 8 september 2026
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
2. [appellant 2] ,
beiden wonend in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 4] B.V.,
hierna: [appellant] (enkelvoud),
advocaat: mr. T.J. van Veen, kantoorhoudend in Ede (Gld),
tegen
1 B.V. Bogaerds,
gevestigd in Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard,
geïntimeerde 1;
hierna: Bogaerds,
advocaat: mr. R. Bravenboer, kantoorhoudend in Oud-Beijerland,
2. Vcon Bouwconstructies,
3. [geïntimeerde 3],
gevestigd, respectievelijk wonend, in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerden 2 en 3,
hierna samen: Vcon,
advocaat: mr. B.M. Stroetinga, kantoorhoudend in Eindhoven,
4. [geïntimeerde 4] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde 4 in het principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna: [geïntimeerde 4] ,
advocaat: mr. P.A. Visser, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen, zoals ook in het tussenarrest van 27 januari 2026, [appellant] , Bogaerds, Vcon, [geïntimeerde 3] (samen VCON) en [geïntimeerde 4] .
1 Het verdere procesverloop
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep wijst het hof naar zijn tussenarrest van 27 januari 2026, waarin het hof heeft geoordeeld dat een deskundigenonderzoek nodig is en waarbij het hof een aantal vragen aan partijen heeft voorgelegd. .
Vervolgens hebben partijen ieder apart een akte genomen op 24 februari 2026, waarbij zij zich hebben kunnen uitlaten over de te stellen vragen en de keuze van de deskundige. Zij zijn daarbij niet tot een gezamenlijke keuze van de persoon van de deskundige gekomen.
Het hof heeft partijen in maart 2026 op de hoogte gesteld van het defungeren van de oorspronkelijke voorzitter mr. Tan-de Sonnaville en heeft partijen daarbij gewezen op hun recht om een nieuwe mondelinge behandeling te verzoeken. Partijen hebben laten weten dat niet nodig te vinden.
Hierna heeft nog een mailwisseling met het hof plaatsgevonden, onder meer over de door het hof voorgestelde persoon van de deskundige en de hoogte en de onderbouwing van het voorschot.
2 De verdere beoordeling in hoger beroep
De keuze van de deskundige
Partijen hebben ingestemd met de benoeming als deskundige van de heer Ing. [deskundige] (van ONE Expertise B.V.). Deze heeft verklaard dat hij vrij staat ten opzichte van partijen, ervaring heeft en de zaak ook inhoudelijk kan oppakken. Gelet hierop zal het hof hem als zodanig benoemen.
Vragen aan de deskundige
[appellant] en Bogaerds hebben ingestemd met de vragen die het hof in zijn tussenarrest (rov. 6.7) heeft geformuleerd. Vcon en [geïntimeerde 4] hebben aanvullende vragen voorgesteld. Het hof heeft laatstbedoelde vragen – voor zover niet een juridische beoordeling van het hof vergend – in de vraagstelling verwerkt. Dit leidt tot de volgende vragen:
Ten aanzien van de aanbouw :
-
Welke bouwtechnische gebreken zijn aanwezig aan de aanbouw?
-
Wat is naar uw oordeel de oorzaak van deze technische gebreken?
-
Als er meerdere oorzaken mogelijk zijn, in hoeverre sluiten deze oorzaken elkaar uit dan wel werken zij (mogelijk) cumulatief?
-
Is daarbij relevant dat ervoor is gekozen om de stelconplaat te laten liggen en een vorstrandconstructie toe te passen? Zo ja, is deze keuze juist geweest? Zo nee, waarom niet?
-
Is voor onderzoek hiernaar destructief onderzoek nodig? Zo ja, op welke wijze?
-
Voldoet de uitvoering van de werkzaamheden aan de aanbouw aan de geldende normen? Op basis van welke normen komt u tot deze conclusie?
Ten aanzien van de opbouw :
Wat is de oorzaak van de scheurvorming/de gebreken in de opbouw? Is de belasting uit de kap op de onderliggende constructie daarbij relevant geweest? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Is herstel technisch mogelijk en zo ja, wat is de minimaal noodzakelijke herstelmaatregel en wat zijn hiervan de kosten?
Ten aanzien van de aanbouw en de opbouw:
Is de fundering toereikend om het gewicht van de woning na verbouwing, c.q de aanbouw en opbouw, te dragen, mede gelet op het feit dat de woning dateert uit 1970 en niet op palen is gefundeerd?
Is voor het achterhalen van de oorzaak sonderings- en/of funderingsonderzoek van de bodem nodig? Zo ja, wat kost dat?
Had het uitvoeren van een sonderings-/funderingsonderzoek voor aanvang van de werkzaamheden de huidige problemen kunnen voorkomen? Zo ja, wie bepaalt gebruikelijkerwijs of sonderings-/funderingsonderzoek noodzakelijk/wenselijk is (de architect, de constructeur of de aannemer, of allen tezamen)? Zo ja, wie had in dit concrete geval moeten bepalen/adviseren om een dergelijk onderzoek uit te voeren? Is hierbij nog van belang dat [appellant] (als consument) telkens opdrachtgever was van de drie betrokken partijen (en er dus geen sprake was van hoofd- en onderaanneming)?
Zijn er andere herstelopties en wat zijn hiervan de kosten?
Had [appellant] schadebeperkende maatregelen kunnen nemen, gelet op de gegeven adviezen van de door hem (na klachten) ingeschakelde deskundigen? Zo ja welke maatregelen en tegen welke kosten?
Heeft de deskundige verder nog opmerkingen, die van belang zijn?
Het hof zal deze vragen voorleggen aan de deskundige.
Het voorschot
Het hof zal het honorarium van de deskundige voorlopig bepalen op € 7.130,- exclusief btw (€ 8.627,30 inclusief btw) en, zoals overwogen in het tussenarrest, bepalen dat
[appellant] dit bedrag als voorschot moet storten. Het hof acht het door de deskundige gevraagde voorschot voldoende onderbouwd en redelijk, gelet op de aard van de zaak.
De overige gang van zaken
Het hof benoemt tot raadsheer-commissaris mr. M.P.J. Ruijpers. Het hof bepaalt dat de deskundige het onderzoek in beginsel zelfstandig zal doen. De raadsheer-commissaris kan later beslissen dat het onderzoek onder haar leiding plaatsvindt.
Als de deskundige vragen heeft over de inhoud van zijn opdracht of over de te volgen procedure, kan hij contact opnemen met de raadsheer-commissaris via de contactpersoon mr. [contactpersoon] , e-mailadres: [e-mailadres] (hierna: de contactpersoon), onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer. De contactpersoon of de raadsheer-commissaris zal de deskundige berichten.
Het hof wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Het hof zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan het hof daaraan de gevolgen verbinden die het geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
Als een partij schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartijen verstrekken.
Nadat de deskundige zijn rapport heeft gedeponeerd, zal de zaak naar de rol worden verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellant] . Daarna krijgen geïntimeerden gelegenheid voor het nemen van een memorie van antwoord na deskundigenbericht.
In afwachting van het deskundigenbericht houdt het hof iedere verdere beslissing aan.
3 Beslissing
Het hof:
- beveelt een onderzoek door de deskundige om aan het hof bericht uit te brengen over de in rov. 2.3 genoemde vragen;
benoemt tot deskundige:
De heer ing. [deskundige] (bedrijfsnaam ONE Expertise BV):
correspondentieadres: [contactgegevens]
[contactgegevens]
e-mailadres: [e-mailadres] ;
- benoemt tot raadsheer-commissaris mr. M.P.J. Ruijpers.
het voorschot
-
bepaalt dat de deskundige niet aan zijn onderzoek hoeft te beginnen voordat [appellant] een bedrag van € 8.627,30 (inclusief btw) heeft gestort als voorschot kosten van het deskundigenonderzoek. Hiervoor ontvangt [appellant] een factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) met betaalinstructies;
-
bepaalt dat dit voorschot uiterlijk vier weken na factuurdatum moet zijn voldaan;
-
bepaalt dat de deskundige in elk geval met zijn onderzoek zal beginnen nadat de griffier van het hof hem heeft bevestigd dat het voorschot door het LDCR is ontvangen;
-
bepaalt dat de advocaat van [appellant] contact opneemt met de contactpersoon als [appellant] de factuur van het LDCR niet heeft ontvangen binnen vier weken nadat dit arrest is gewezen, of als de griffier niet binnen twee weken na betaling van die factuur aan de deskundige heeft laten weten dat hij met zijn onderzoek kan beginnen;
het onderzoek
-
bepaalt dat de deskundige zijn onderzoek zelfstandig zal doen. De raadsheer-commissaris kan later beslissen dat het onderzoek onder haar leiding plaatsvindt;
-
wijst de deskundige erop dat:
o de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundige(n) in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundige(n) in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl);
o de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier over de betaling van het voorschot;
o de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de contactpersoon, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn. Na uitlating van partijen zal dan indien nodig een aanvullend voorschot worden vastgesteld;
o de deskundige waar nodig en waar mogelijk bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken;
o de deskundige het concept-rapport eerst aan de partijen moet voorleggen en partijen in de gelegenheid stelt te reageren op het rapport. De opmerkingen van partijen met reactie van de deskundige moeten worden opgenomen in het definitieve rapport.
-
bepaalt dat partijen verplicht zijn mee te werken aan het deskundigenonderzoek;
-
wijst partijen erop dat als zij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige sturen, zij daarvan meteen een kopie aan de wederpartij moeten sturen;
het schriftelijk rapport
-
bepaalt dat de deskundige het definitieve rapport vóór 17 november 2026 zal sturen aan de griffie handel van dit hof (Postbus 20302, 2500 EH Den Haag, P2-267A) onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;
-
bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit rapport een declaratie van loon en kosten bij de griffie zal indienen onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;
-
bepaalt dat [appellant] het procesdossier binnen twee weken na heden aan de deskundige zal sturen;
-
verwijst de zaak naar de rol van 17 november 2026 voor deskundigenbericht. Als de deskundige zijn rapport niet op tijd aan het hof kan toesturen, moet de deskundige uiterlijk twee weken voor deze datum via de contactpersoon verzoeken om een nieuwe datum;
-
nadat de deskundige zijn rapport heeft gedeponeerd, zal de zaak naar de rol worden verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellant] ;
overige bepalingen
-
bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zendt;
-
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers, mr. A.M. Voorwinden en mr. E. Bauw en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.