Strafrecht overig
Gelet op de zogenaamde kokosnootjurisprudentie (Hoge Raad 15 december 1998, NJ 1999/207…
Gerechtshof Den Haag, 21 november 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:4613 · Gerechtshof Den Haag · 21 november 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2014-4613
Zaakgegevens
Op 21 november 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 21 november 2014
- Datum publicatie
- 27 mei 2015
- Zaaknummer
- 2200159408
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2014:4613
Samenvatting
Gelet op de zogenaamde kokosnootjurisprudentie (Hoge Raad 15 december 1998, NJ 1999/207, ECLI:NL:HR:1998:ZD1300) veroordeelt het hof de verdachte voor de invoer van één blikje (ongeveer 300 gram) cocaïne, in plaats van ongeveer 1650 kilogram. De betrokkenheid van de verdachte bij de invoer kan niet eerder worden vastgesteld dan op het moment dat het grootste deel van de partij cocaïne reeds in beslag is genomen. De door de verdachte verrichte handelingen zien derhalve niet op de invoer van ongeveer 1650 kilogram cocaïne, maar op de inhoud van het ene blikje cocaïne dat niet in beslag is genomen. Naar het oordeel van het hof neemt dit niet weg dat alle uiterlijke omstandigheden in deze zaak de verdachte moeten hebben duidelijk gemaakt dat zijn handelingen bijdroegen aan de invoer van een aanzienlijke partij cocaïne, geïmporteerd in containers, door een groep daartoe samenwerkende personen en dat het gelet hierop niet voor de hand ligt bij de straftoemeting aansluiting te zoeken bij de kwantitatieve normering als voorzien in de LOVS-oriëntatiepunten ter zake.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 21 november 2014deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2014:4613
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 maart 2016
ECLI:NL:PHR:2016:336Hoge Raad · 19 april 2016
ECLI:NL:HR:2016:826Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Strafmotivering (22-001594-08, uitspraak 21 november 2014)
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich in november 2005 samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 300 gram cocaïne. Hij is de betrouwbaar gebleken chauffeur, die nodig was zowel voor het vervoer van betrokken personen naar de loods als voor het later wegvoeren van die betrokken personen en/of van de cocaïne (maar van dat laatste is het niet meer gekomen), en die ook meehelpt bij het onttrekken van de contrabande aan het oog van de buitenwereld door dozen te vouwen en voor het raam te plaatsen, en eveneens meehelpt bij het ontmantelen van de pallets, middels het sorteren van de deklading.
Hoewel verdachte niet wordt veroordeeld voor de invoer van ongeveer 1650 kilogram cocaïne, maar slechts voor de inhoud van één blikje met cocaïne, neemt dit niet weg dat alle uiterlijke omstandigheden in deze zaak verdachte moeten hebben duidelijk gemaakt dat zijn handelingen bijdroegen aan de invoer van een aanzienlijke partij cocaïne, geïmporteerd in containers, door een groep daartoe samenwerkende personen. Het door middel van containers invoeren van partijen cocaïne vergt serieuze financiële spankracht, een (omvangrijk) netwerk van hiertoe nuttige en betrouwbare contacten en een lange termijn planning. Het zijn grotere internationaal nauw met elkaar samenwerkende functionele verbanden die in staat zijn op deze wijze cocaïne in te voeren. Deze omstandigheden brengen mee dat het niet voor de hand ligt bij de straftoemeting aansluiting te zoeken bij de kwantitatieve normering als voorzien in de LOVS-oriëntatiepunten terzake (zie Hof Den Haag 20.6.2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2455), maar uit te gaan van de specifieke daad- en daderfactoren als weergegeven.
Door deze partij in te voeren heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door de invoer van harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust in de samenleving en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de invoer van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.
De verdachte is nog niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Hij heeft zijn leven inmiddels een andere wending gegeven, is verhuisd naar een andere stad, getrouwd en vader van twee kinderen. Hij voorziet in het levensonderhoud van hem en zijn gezin als zelfstandig ondernemer.
Alles afwegend acht het hof gezien de ernst van het feit naast een taakstraf een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van in beginsel 2 jaren passend en geboden. Gezien de schending van de redelijke termijn als hiervoor besproken past het hof daarop een korting toe van 15 procent. De uitkomst in het voordeel van verdachte naar beneden afrondend komt het hof uit op 16 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren.