Strafrecht overig

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna tien maanden samen met een of meer anderen schuldig…

Zaakgegevens

Op 19 februari 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
19 februari 2018
Datum publicatie
2 maart 2018
Zaaknummer
22-004083-17
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2018:394
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna tien maanden samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan het dealen in harddrugs.

Daarnaast heeft de verdachte harddrugs aanwezig gehad.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verder stelt het hof om recidive te voorkomen een aantal bijzondere voorwaarden op.

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-004083-17

Parketnummers: 09-808835-16 en 09-205744-16

Datum uitspraak: 19 februari 2018

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1995,

[adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn EMD te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

5 februari 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de akte rechtsmiddel van

20 september 2017 niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

1:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari 2016 tot en met 26 februari 2017 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:

Ter berechting gevoegd: 09/205744-16:

hij op of omstreeks 10 juli 2015 te Rijswijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 3,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof komt tot een gedeeltelijk andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari mei 2016 tot en met 26 februari 2017 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:


hij op of omstreeks 10 juli 2015 te Rijswijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 3,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De advocaat–generaal heeft zich ten aanzien van de periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het dealen van cocaïne op het standpunt gesteld dat rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de verdachte tot eind maart gedetineerd was in Engeland en derhalve niet op 1 februari 2016, maar op 1 april 2016 met dealen is begonnen.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat slechts bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het dealen in cocaïne voor een periode van vier maanden (namelijk globaal gesproken van juli tot en met oktober 2016).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij rond 25/26 maart 2016 in Nederland is teruggekeerd, nadat hij 7 maanden in Engeland in detentie had gezeten, en dat hij toen enkele weken nodig heeft gehad om zijn contacten weer te regelen.

Het hof is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat op grond van de observaties door de politie en de verklaringen van de gebruikers is komen vast te staan dat de verdachte zich samen met een of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan het dealen in cocaïne vanaf 1 mei 2016 tot en met 26 februari 2017. Het hof komt tot deze conclusie nu meermalen is waargenomen dat de verdachte frequent telefonisch contact alsmede (zeer) korte ontmoetingen heeft gehad met personen die bij de politie bekend staan als harddrugsgebruikers. Een aantal van deze personen is door de politie als getuige gehoord, waarbij verklaard is dat de verdachte de persoon is geweest die drugs aan hen leverde.

Met betrekking tot de bewezenverklaarde periode overweegt het hof tenslotte dat het aannemelijk is dat de verdachte na zijn terugkomst uit Engeland tijd nodig had om een netwerk op te bouwen. De politie heeft voorts gerelateerd dat de verdachte na de mislukte aanhouding op 25 november 2016 op dezelfde wijze van een ander telefoonnummer gebruik is gaan maken en getuige Zaandam heeft over dit nieuwe telefoonnummer verklaard in relatie tot verdachte.

Het hof is voorts van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich samen met een of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan het dealen. Het hof komt hiertoe op grond van de door de verdachte ter terechtzitting hieromtrent afgelegde verklaring, de verklaring van de getuigen dat zij verdachte of iemand anders aan de lijn kregen als zij telefonisch hun drugs bestelden en de omstandigheid dat de verdachte ook samen met een ander is gesignaleerd in de auto waarin naar de kopers werd gereden en waarin de overdrachten plaatsvonden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert op:

1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna tien maanden samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan het dealen in harddrugs.

Daarnaast heeft de verdachte harddrugs aanwezig gehad.

Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 januari 2018 en de informatie over de verdachte uit het European Criminal Records Information System, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder in het Verenigd Koninkrijk in december 2015 voor handel in heroïne.

Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die blijken uit de zich in het dossier bevinden reclasseringsrapporten en het besprokene ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof het noodzakelijk om aan het voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf na te melden bijzondere voorwaarden te verbinden ter vermindering van het recidiverisico.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

6 (zes) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte voor het einde van de proeftijd van

2 (twee) jarenna te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- medewerking zal verlenen aan het reclasserings-toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland op de door de reclasseringsinstelling te bepalen tijdstippen, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt en zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclasseringsinstelling hem geeft;

- dat het de veroordeelde wordt verboden om drugs en alcohol te gebruiken en dat de controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde ondersteund zal worden door middel van urinecontrole;

- dat de veroordeelde moet deelnemen aan de gedrags-interventie ‘GI-RN Cognitieve Vaardigheden (CoVa)’, voor zover de veroordeelde deze nog niet heeft afgerond, en deelname noodzakelijk wordt geacht door de reclassering.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 februari 2018.