Strafrecht overig

Mishandeling en belediging. Oplegging isd-maatregel. Zorgmachtiging geen toereikend alternatief. Ambtshalve…

Zaakgegevens

Op 3 juli 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 juli 2026
Datum publicatie
7 juli 2026
Zaaknummer
22-002134-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2222
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Mishandeling en belediging. Oplegging isd-maatregel. Zorgmachtiging geen toereikend alternatief. Ambtshalve tussentijdse beoordeling bepaald. Toewijzing schadevergoeding

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-002134-25

Parketnummers: 09-077156-25 en 13-055172-25

Datum uitspraak: 3 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-077156-25 tenlastegelegde en het bij dagvaarding met parketnummer 13-055172-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: isd-maatregel) voor de duur van twee jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

onder parketnummer 09-077156-25:

hij op of omstreeks 12 maart 2025 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld door met zijn vuist op/tegen zijn hoofd te slaan;

onder parketnummer 13-055172-25:

1.
hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2] , in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door voornoemde [slachtoffer 2] in/tegen zijn gezicht en/of kleding te spugen;

2.
hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2] , in het openbaar mondeling, heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "zwarte, racist, klootzak" en/of "je bent een zwarte, je bent een rascist! Klootzak", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

onder parketnummer 09-077156-25:

1.
hij op of omstreeks 12 maart 2025 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld door met zijn vuist op/tegen zijn hoofd te slaan;

onder parketnummer 13-055172-25:

1.
hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2] , in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door voornoemde [slachtoffer 2] in/tegen zijn gezicht en/of kleding te spugen;

2.
hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2] , in het openbaar mondeling, heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "zwarte, racist, klootzak" en/of "je bent een zwarte, je bent een racist! Klootzak", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging t.a.v. het onder parketnummer 13-055172-25, onder 2 bewezenverklaarde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van de tenlastegelegde mondelinge belediging dient te worden vrijgesproken. Kortgezegd heeft hij hiertoe aangevoerd dat de verschillende door de verdachte gebruikte bewoordingen niet als een (strafbare) belediging kunnen worden opgevat, met name niet als er sprake is van een emotionele ontlading bij een op dat moment psychisch ontwricht persoon.

Het hof is echter van oordeel dat de door de verdachte gekozen woorden “Je bent een zwarte, je bent een racist! Klootzak” een onmiskenbaar beledigend karakter hebben. Het beledigende karakter wordt nog eens versterkt door de gebruikte woorden in samenhang te bezien en gelet op de context waarin deze zijn gebruikt, te weten dat de verdachte de aangever ook heeft bespuugd. Gelet hierop hadden de woorden onmiskenbaar de strekking om de aangever in zijn eer en goede naam aan te tasten en moeten deze daarom als beledigend worden aangemerkt. Het hof overweegt voorts dat een uitlating ook beledigend kan zijn wanneer zij uit emotie wordt gedaan en dat dit niet afdoet aan het beledigende karakter van die uiting.

Het hof verwerpt het gevoerde verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder parketnummer 09-077156-25 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder parketnummer 13-055172-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:

eenvoudige belediging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

De oplegging van een maatregel

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, zoals in eerste aanleg door de rechtbank beslist, aan de verdachte de isd-maatregel moet worden opgelegd voor de duur van twee jaren.

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke isd-maatregel moet worden opgelegd. In plaats daarvan heeft de raadsman verzocht de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in combinatie met een voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden die voorzien in een civiel of forensisch zorgkader. De raadsman heeft ook de optie genoemd om de isd-maatregel voorwaardelijk op te leggen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, door uit het niets een willekeurige voorbijganger op straat met de vuist tegen het hoofd te slaan. Daarnaast heeft de verdachte een beveiliger van de [naam museum] in Amsterdam beledigd door hem uit te schelden en in het gezicht te spugen. Met zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden en hun een gevoel van onveiligheid bezorgd. Daarnaast hebben de feiten plaatsgevonden in de openbare ruimte, waardoor gevoelens van onveiligheid in de samenleving in het algemeen teweeg worden gebracht.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf en taakstraf, voor het plegen van andersoortige en soortgelijke strafbare feiten, waaronder (winkel-)diefstallen, vernielingen en mishandeling.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport, d.d. 3 juni 2026, waarin de reclassering het hof adviseert om bij veroordeling een onvoorwaardelijke isd-maatregel aan de verdachte op te leggen. Dat advies is voornamelijk tot stand gekomen op basis van dossierinformatie en de informatie vanuit het PPC – waar de verdachte op dit moment verblijft – omdat de verdachte nauwelijks met de reclassering in gesprek wilde en weigerde mee te werken aan hernieuwde diagnostiek.

De reclassering ziet risico’s op het gebied van het psychosociaal functioneren van de verdachte, en sluit niet uit dat daarbij problematisch middelengebruik een rol speelt. Verder ziet de reclassering op alle leefgebieden van de verdachte instabiliteit. Het ontbreekt de verdachte aan structurele dagbesteding en huisvesting, er is geen zicht op een eventueel steunend sociaal netwerk en naar inschatting van de reclassering kan de verdachte niet financieel rondkomen. Het ontbreekt de verdachte aan zelfinzicht en ziektebesef en hij mijdt iedere vorm van hulpverlening.

De verdachte is reeds sinds enige tijd bekend bij de reclassering in het kader van adviesrapportage, toezicht, vroeghulp en werkstraffen. De medewerking van de verdachte is steeds minimaal geweest en werkstraffen werden nooit door de verdachte uitgevoerd. In het kader van een lopend toezicht in een andere zaak is de verdachte nooit op een meldplicht-afspraak verschenen. De reclassering schat het recidiverisico en het risico dat de verdachte zich aan voorwaarden zal onttrekken in als hoog.

De reclassering ziet geen alternatief in de vorm van een zorgmachtiging, omdat een dergelijke machtiging geen forensische, maar civiele zorg betreft die niet gericht is op het voorkomen van recidive. Met het oog op het voorkomen van strafbare feiten in de toekomst, acht de reclassering een forensisch psychiatrische kliniek beter uitgerust om de langdurige behandeling te bieden die de verdachte nodig heeft. Voorts acht de reclassering een voorwaardelijk kader niet toereikend. De verdachte heeft een zorgmijdende houding, ziet geen noodzaak tot hulpverlening en eerdere interventies zijn niet van de grond gekomen. Zowel binnen een eerdere zorgmachtiging als binnen een voorwaardelijke veroordeling lukte het niet om het recidiverisico te beïnvloeden. Het striktere kader van de onvoorwaardelijke isd-maatregel is nodig om verandering teweeg te brengen, waarbij binnen het PPC bepaald kan worden wat de invulling van de maatregel zal zijn met het oog op het toewerken naar een extramurale fase, aldus de reclassering.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet in gesprek wilde met de reclassering, omdat hij in het verleden geen baat heeft gehad bij behandeling en hem niets mankeert. Het hof constateert dat de verdachte weinig realiteitszijn lijkt te hebben. Zo heeft hij verklaard dat er “ontdekkingen geestelijk uit hem zijn gehaald” waardoor er rijkdom voor hem klaarligt, maar hij daar verder niet over kan uitweiden en op dit moment niet bij zijn geld kan omdat dit moet via iemand die ingewijd is. Voorts heeft hij verklaard dat hij met zijn vriendin, die hij kent via Snapchat, gaat samenwonen in een chateau in Frankrijk, maar dat hij haar nog niet in het echt heeft ontmoet.

Het hof stelt vast dat is voldaan aan alle voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een isd-maatregel stelt. De verdachte wordt thans veroordeeld voor onder andere mishandeling, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit eerdergenoemd strafblad van de verdachte blijkt dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit arrest bewezenverklaarde feiten zijn begaan nadat die straffen geheel ten uitvoer zijn gelegd. De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie. Uit zijn strafblad blijkt immers dat tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren meer dan tien processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten zijn opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf. Verder dient er, gezien het strafblad en het reclasseringsrapport waarin het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, waarbij de veiligheid van personen en/of goederen in het geding is.

Oplegging van de isd-maatregel is dus mogelijk. De vraag is of dat in dit geval noodzakelijk is. Voorop staat dat de isd-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van een verdachte. Het is – zeker in onvoorwaardelijke vorm – evenwel een uiterst middel, waartoe in beginsel slechts wordt besloten indien alle reële mogelijkheden voor hulpverlening zijn uitgeput. Het hof constateert dat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt door het plegen van strafbare feiten. De herhaaldelijke oplegging van straffen, al dan niet met bijzondere voorwaarden, en ook behandeling in het kader van een zorgmachtiging, hebben niet geleid tot gedragsverandering bij de verdachte. Een voorwaardelijk kader – zoals door de raadsman is verzocht – acht het hof ontoereikend om het recidiverisico in te dammen, nu de verdachte zich blijkens het reclasseringsrapport niet wil committeren aan voorwaarden en daartoe in het verleden ook niet in staat is gebleken. Hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, sterkt het hof in zijn overtuiging dat de verdachte daartoe ook in de (nabije) toekomst niet toe bereid en in staat zal zijn.

Omdat de verdachte misdrijven blijft plegen en er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte dat opnieuw zal doen, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke isd-maatregel noodzakelijk ter beveiliging van de maatschappij en om de recidive van de verdachte te beëindigen. De isd-maatregel heeft immers mede tot doel om de maatschappij te beschermen. Met de isd-maatregel wordt bewerkstelligd dat door de verdachte tijdens zijn vrijheidsbeneming geen soortgelijke of andersoortige strafbare feiten kunnen worden gepleegd. Binnen het isd-kader kan ingezet worden op een aanpak op maat, waaronder diagnostiek en behandeling, en kan gezocht worden naar mogelijkheden om de (middelen-)problematiek van de verdachte te behandelen, zodat het recidiverisico wordt verminderd.

Gelet op de kennelijk hardnekkige problematiek van de verdachte zal het hof ter optimale bescherming van de maatschappij en om de oplossing van de problematiek van de verdachte alle kansen te geven, de isd-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren. Een isd-maatregel van kortere duur acht het hof ontoereikend. Het hof zal de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de ten uitvoer te leggen maatregel nu een dergelijke aftrek zich naar het oordeel van het hof niet verdraagt met het karakter van de in het geval van deze verdachte aan de maatregel te geven invulling.

Om de vinger aan de pols te houden ten aanzien van het verloop van de isd-maatregel, zal het hof ambtshalve bepalen dat binnen één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting daarvan dient plaats te vinden.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding met parketnummer 13-055172-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 400,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de raadsman deels betwist, in die zin dat vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde is bepleit.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde beledigingen. Op basis van het dossier en de gegeven onderbouwing door de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij in zijn eer en goede naam is aangetast doordat hij door de verdachte is verbaal is beledigd en is beledigd door te worden bespuugd. De grond voor immateriële schadevergoeding is daarmee gegeven.

De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de hoogte van de schadevergoeding betreft heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt alsmede de onderbouwing van de vordering, in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 400,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor is vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-077156-25 en in de zaak met parketnummer 13-055172-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-077156-25 en in de zaak met parketnummer 13-055172-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat het openbaar ministerie binnen 1 (één) jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank Den Haag zal berichten over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-055172-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-055172-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 februari 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, mr. G. Knobbout en mr. N.M. Boersma, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juli 2026.

Mr. E.E.N. Birkhoff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.