Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een bestelbus tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die samen op een fatbike zaten) aan te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijkter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een bestelbus tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die op samen een fatbike zaten) aan te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een bestelbus tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die samen op een Fatbike zaten) aan te rijden.
Vrijspraak primair ten laste gelegd feit
Het hof verenigt zich met de bewijsoverweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In navolging van de rechtbank overweegt het hof dan ook als volgt.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten vast.
In de namiddag van 5 september 2024 was de verdachte in een bestelbus onderweg naar zijn woning in Bodegraven. Op het kruispunt van de Marktstraat en de Bodelolaan in Bodegraven heeft de verdachte geen voorrang gekregen van twee jongens die op een fatbike reden, de latere aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg waarvan een verkeersruzie tussen beide partijen is ontstaan. Deze ruzie heeft geleid tot een handgemeen. De verdachte heeft verklaard daarbij te zijn geslagen door één van de jongens. Die verklaring wordt ondersteund door een foto in het dossier waarop bij de verdachte een beschadiging is te zien onder het oog. De verdachte heeft vervolgens een ketting uit zijn bestelbus gepakt, waarop de aangevers zijn weggereden. De verdachte heeft daarna in zijn bestelbus de achtervolging ingezet. Kort hierna zijn de aangevers op het kruispunt van de Eendrachtsweg en de De Ruyterlaan de stoep opgereden. De verdachte heeft hen in zijn bestelbus gevolgd en is ook de stoep opgereden. Hij is ongeveer 80 tot 90 meter over de stoep achter de aangevers aangereden en heeft ten slotte met zijn bestelbus de achterkant van de fatbike geraakt, waarop hij de bestelbus heeft stilgezet. De aangevers zijn gevallen en op de straat terechtgekomen en hebben daardoor letsel opgelopen. De verdachte erkent dat hij de fatbike van de aangevers met zijn bestelbus heeft geraakt, maar ontkent dat hij de bedoeling had om de aangevers te doden.
Het hof acht niet bewezen dat de verdachte vol opzet had op het doden van aangevers.
De verdachte heeft steeds ontkend dat hij de intentie had aangevers hard te raken of te
overrijden. Hij heeft verklaard dat hij aangevers wilde "pakken", maar dit begrijpt het hof als een uiting van de intentie om aangevers te willen aanspreken op hun gedrag, en niet als een uiting hen te willen doden.
Naar het oordeel van het hof is ook niet bewezen dat de verdachte voorwaardelijk
opzet had op de dood van aangevers, in die zin dat hij de aanmerkelijke kans op hun dood
bewust heeft aanvaard.
Uit het dossier blijkt te weinig over de precieze omstandigheden van de aanrijding, om te kunnen vaststellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood van de aangevers bestond. Zo is niet duidelijk met welke snelheid de bestelbus van verdachte tegen de fatbike van aangevers is aangereden en met welke snelheid de fatbike reed. Verder is niet duidelijk hoe en waar de fatbike precies is geraakt en hoe de situatie was rondom de plek waar de aangevers op straat terecht gekomen zijn.
Het hof zal de verdachte derhalve - evenals de rechtbank - vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Het hof komt wel tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging
tot zware mishandeling. De verdachte had naar het oordeel van het hof voorwaardelijk
opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het is algemeen bekend dat door met
een bestelbus met enige snelheid tegen een fiets aan te rijden, zwaar lichamelijk letsel kan
ontstaan bij het slachtoffer, zoals botbreuken of letsel aan het onbeschermde hoofd. Ook de
verdachte, een ervaren bestuurder, wist dit en heeft die kans dus bewust aanvaard.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een bestelbus tegen
voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die op samen op een fatbike zaten) aan te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een bestelbus tegen twee minderjarige jongens aan te rijden, die op een fatbike reden. De aanleiding daarvoor was een uit de hand gelopen verkeersruzie, doordat de fatbike geen voorrang had verleend aan verdachte. Het hof gaat ervan uit dat zich vervolgens een handgemeen heeft voorgedaan, waarbij de verdachte door één van de aangevers is geslagen, terwijl de verdachte in de auto zat. De verdachte heeft vervolgens een ketting gepakt, de achtervolging van de aangevers ingezet en is uiteindelijk met zijn bestelbus tegen hen aangereden. Het hof stelt vast dat de verdachte daarmee heeft gehandeld in reactie op de voorafgaande gebeurtenissen, kennelijk met het doel de aangevers tot stilstand te brengen en hen te confronteren met hun gedrag. Dat neemt niet weg dat de gedragingen van de verdachte disproportioneel en ontoelaatbaar zijn. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers en heeft hij een gevaarlijke verkeerssituatie doen ontstaan. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is voor een strafbaar feit.
Het hof betrekt bij de strafoplegging in het bijzonder de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals hiervoor is beschreven. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het handelen van de verdachte heeft plaatsgevonden in een acute conflictsituatie, die is ontstaan in het kader van een verkeersruzie, waarbij de verdachte is geslagen en waarbij over en weer sprake is geweest van agressief gedrag. Hoewel dit de ernst van het handelen van de verdachte geenszins wegneemt of rechtvaardigt, acht het hof deze context wel van betekenis voor de mate van verwijtbaarheid en de strafwaardering. Het hof acht voorts van belang dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, alsmede dat hij reeds uit eigen beweging stappen heeft gezet om inzicht te krijgen in en grip te krijgen op zijn boosheidsproblematiek. Gelet op al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 15 oktober 2025. Daaruit volgt dat de verdachte is gehuwd en vier thuiswonende kinderen heeft. De echtgenote van de verdachte kampt met psychische problematiek, hetgeen ertoe leidt dat de verdachte een groot deel van de zorg voor de kinderen draagt. De reclassering acht de kans op recidive laag en adviseert om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder een meldplicht en deelname aan een gedragsinterventie voor agressiebeheersing.
Het hof ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. Het hof acht een taakstraf, deels voorwaardelijk met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur gelijk aan de reeds ondergane ontzegging, passend en geboden.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
en onder de bijzondere voorwaarden, dat de veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK Rotterdam, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat nodig acht;
tijdens de proeftijd actief deelneemt aan een gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Betrokkene houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 september 2024.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 75,00 (vijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75,00 (vijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 september 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts, als voorzitter, mr. H.A.G. Nijman en mr. R. Brand, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026.