Gerechtshof Den Haag, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHDHA:2026:2314

Op 24 June 2026 heeft de Gerechtshof Den Haag een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 22-003482-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2026:2314. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
22-003482-25
Datum uitspraak:
24 June 2026
Datum publicatie:
15 July 2026

Indicatie

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, vrijspraak van poging doodslag. De verdachte is in een bestelbus opzettelijk met enige snelheid tegen een fatbike aangereden, waardoor de twee personen op de fatbike zijn gevallen. Veroordeling tot 150 uren taakstraf, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en het meewerken aan een gedragsinterventie voor agressie. Oplegging van ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, met aftrek. Vorderingen benadeelden deels toegewezen. Geen sprake van eigen schuld benadeelde partijen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003482-25

Parketnummer: 09-285149-24

Datum uitspraak: 24 juni 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (China) op [geboortedatum] 1982,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesverloop

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 dagen, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden – kort weergegeven – een meldplicht en gedragsinterventie. Daarnaast is aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 1 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, eveneens met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Het geschorste bevel voorlopige hechtenis is opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 september 2024 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een bestelbus tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die samen op een fatbike zaten) aan te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 september 2024 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijkter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een bestelbus tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die op samen een fatbike zaten) aan te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 september 2024 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een bestelbus tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die samen op een Fatbike zaten) aan te rijden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de advocaat-generaal een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 1 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Nu de bewijsmiddelen niet zijn uitgewerkt, kan het vonnis waarvan beroep niet in stand blijven. Het hof zal dit vonnis daarom vernietigen en opnieuw recht doen.

Vrijspraak primair ten laste gelegd feit

Het hof verenigt zich met de bewijsoverweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In navolging van de rechtbank overweegt het hof dan ook als volgt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten vast.

In de namiddag van 5 september 2024 was de verdachte in een bestelbus onderweg naar zijn woning in Bodegraven. Op het kruispunt van de Marktstraat en de Bodelolaan in Bodegraven heeft de verdachte geen voorrang gekregen van twee jongens die op een fatbike reden, de latere aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als gevolg waarvan een verkeersruzie tussen beide partijen is ontstaan. Deze ruzie heeft geleid tot een handgemeen. De verdachte heeft verklaard daarbij te zijn geslagen door één van de jongens. Die verklaring wordt ondersteund door een foto in het dossier waarop bij de verdachte een beschadiging is te zien onder het oog. De verdachte heeft vervolgens een ketting uit zijn bestelbus gepakt, waarop de aangevers zijn weggereden. De verdachte heeft daarna in zijn bestelbus de achtervolging ingezet. Kort hierna zijn de aangevers op het kruispunt van de Eendrachtsweg en de De Ruyterlaan de stoep opgereden. De verdachte heeft hen in zijn bestelbus gevolgd en is ook de stoep opgereden. Hij is ongeveer 80 tot 90 meter over de stoep achter de aangevers aangereden en heeft ten slotte met zijn bestelbus de achterkant van de fatbike geraakt, waarop hij de bestelbus heeft stilgezet. De aangevers zijn gevallen en op de straat terechtgekomen en hebben daardoor letsel opgelopen. De verdachte erkent dat hij de fatbike van de aangevers met zijn bestelbus heeft geraakt, maar ontkent dat hij de bedoeling had om de aangevers te doden.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte vol opzet had op het doden van aangevers.

De verdachte heeft steeds ontkend dat hij de intentie had aangevers hard te raken of te

overrijden. Hij heeft verklaard dat hij aangevers wilde "pakken", maar dit begrijpt het hof als een uiting van de intentie om aangevers te willen aanspreken op hun gedrag, en niet als een uiting hen te willen doden.

Naar het oordeel van het hof is ook niet bewezen dat de verdachte voorwaardelijk

opzet had op de dood van aangevers, in die zin dat hij de aanmerkelijke kans op hun dood

bewust heeft aanvaard.

Uit het dossier blijkt te weinig over de precieze omstandigheden van de aanrijding, om te kunnen vaststellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood van de aangevers bestond. Zo is niet duidelijk met welke snelheid de bestelbus van verdachte tegen de fatbike van aangevers is aangereden en met welke snelheid de fatbike reed. Verder is niet duidelijk hoe en waar de fatbike precies is geraakt en hoe de situatie was rondom de plek waar de aangevers op straat terecht gekomen zijn.

Het hof zal de verdachte derhalve - evenals de rechtbank - vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Nadere bewijsoverweging

Het hof komt wel tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging

tot zware mishandeling. De verdachte had naar het oordeel van het hof voorwaardelijk

opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het is algemeen bekend dat door met

een bestelbus met enige snelheid tegen een fiets aan te rijden, zwaar lichamelijk letsel kan

ontstaan bij het slachtoffer, zoals botbreuken of letsel aan het onbeschermde hoofd. Ook de

verdachte, een ervaren bestuurder, wist dit en heeft die kans dus bewust aanvaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 5 september 2024 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een bestelbus tegen

voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (die op samen op een fatbike zaten) aan te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Overwegingen

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een bestelbus tegen twee minderjarige jongens aan te rijden, die op een fatbike reden. De aanleiding daarvoor was een uit de hand gelopen verkeersruzie, doordat de fatbike geen voorrang had verleend aan verdachte. Het hof gaat ervan uit dat zich vervolgens een handgemeen heeft voorgedaan, waarbij de verdachte door één van de aangevers is geslagen, terwijl de verdachte in de auto zat. De verdachte heeft vervolgens een ketting gepakt, de achtervolging van de aangevers ingezet en is uiteindelijk met zijn bestelbus tegen hen aangereden. Het hof stelt vast dat de verdachte daarmee heeft gehandeld in reactie op de voorafgaande gebeurtenissen, kennelijk met het doel de aangevers tot stilstand te brengen en hen te confronteren met hun gedrag. Dat neemt niet weg dat de gedragingen van de verdachte disproportioneel en ontoelaatbaar zijn. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers en heeft hij een gevaarlijke verkeerssituatie doen ontstaan. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is voor een strafbaar feit.

Het hof betrekt bij de strafoplegging in het bijzonder de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals hiervoor is beschreven. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het handelen van de verdachte heeft plaatsgevonden in een acute conflictsituatie, die is ontstaan in het kader van een verkeersruzie, waarbij de verdachte is geslagen en waarbij over en weer sprake is geweest van agressief gedrag. Hoewel dit de ernst van het handelen van de verdachte geenszins wegneemt of rechtvaardigt, acht het hof deze context wel van betekenis voor de mate van verwijtbaarheid en de strafwaardering. Het hof acht voorts van belang dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, alsmede dat hij reeds uit eigen beweging stappen heeft gezet om inzicht te krijgen in en grip te krijgen op zijn boosheidsproblematiek. Gelet op al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 15 oktober 2025. Daaruit volgt dat de verdachte is gehuwd en vier thuiswonende kinderen heeft. De echtgenote van de verdachte kampt met psychische problematiek, hetgeen ertoe leidt dat de verdachte een groot deel van de zorg voor de kinderen draagt. De reclassering acht de kans op recidive laag en adviseert om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder een meldplicht en deelname aan een gedragsinterventie voor agressiebeheersing.

Het hof ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. Het hof acht een taakstraf, deels voorwaardelijk met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur gelijk aan de reeds ondergane ontzegging, passend en geboden.

Vorderingen tot schadevergoeding [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.

[slachtoffer 2] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.776,35. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.259,95, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 1] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.460,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Eigen schuld

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte betwist.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat mogelijk sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen en dat de beoordeling van dit verweer zodanig complex is dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Evenals de rechtbank verwerpt het hof dit verweer. Voor een beroep op eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is vereist dat feiten en omstandigheden worden gesteld waaruit kan volgen dat de schade mede een gevolg is van een aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheid. Het ligt op de weg van degene die zich op eigen schuld beroept om dergelijke feiten en omstandigheden aan te voeren. De verdediging heeft daartoe onvoldoende gesteld.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat één van de benadeelde partijen de verdachte voorafgaand aan het ten laste gelegde in het gezicht heeft geslagen tijdens een verkeersconflict, kan dit niet leiden tot het oordeel dat sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW. Dit incident staat in een te ver verwijderd verband met de uiteindelijk door de verdachte veroorzaakte aanrijding om te kunnen worden aangemerkt als een omstandigheid die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat tussen het verkeersconflict en de aanrijding een achtervolging heeft plaatsgevonden die enige tijd heeft geduurd en die de verdachte op verschillende momenten had kunnen en moeten beëindigen.

Het hof ziet daarom geen grond voor vermindering van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld. Evenmin is sprake van een zodanige juridische of feitelijke complexiteit dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partijen kunnen derhalve in hun vorderingen worden ontvangen.

Beoordeling vordering [slachtoffer 2]

Het hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106, eerste lid BW, slechts plaats is indien is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. Voor zover hier van belang kan aanspraak bestaan op vergoeding, indien sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam, dan wel van een aantasting in de persoon op andere wijze. Van laatstgenoemde categorie is volgens bestendige rechtspraak sprake indien geestelijk letsel is vastgesteld, dan wel indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van een dergelijke aantasting zonder meer kan worden uitgegaan. Buiten die (uitzonderlijke) situaties zal de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.

Voor toekenning van smartengeld wegens psychisch letsel is vereist dat sprake is van in voldoende mate objectiveerbaar geestelijk letsel. Gevoelens van angst, onveiligheid of psychisch onbehagen zijn daartoe in beginsel onvoldoende. Uit de toelichting van de benadeelde partij volgt dat hij nog steeds hinder ondervindt van hetgeen is voorgevallen, maar niet is gebleken dat sprake is van medisch of anderszins objectief vastgestelde psychische schade. Evenmin is gesteld of onderbouwd dat hij zich hiervoor onder behandeling van een professional heeft gesteld. Het hof laat deze gestelde psychische klachten daarom buiten beschouwing bij de vaststelling van de immateriële schade.

Voor het overige neemt het hof tot uitgangspunt de in de Rotterdamse Schaal vermelde vergoeding van maximaal € 1.100,00 voor oppervlakkig licht letsel, zoals schaafwonden.

Uit het dossier en uit de vordering van [slachtoffer 2] volgt dat sprake is geweest van schaafwonden aan elleboog en knie en van tijdelijke klachten aan nek, kaak en knie. Het hof acht aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden die rechtstreeks daaruit voortvloeit. Alles afwegende begroot het hof de immateriële schade naar billijkheid op € 500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 september 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige zal de vordering ten aanzien van de immateriële schade worden afgewezen.

Voorts is het hof van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft aangetoond materiële schade te hebben geleden. De vordering zal derhalve voor dat deel worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .

Beoordeling vordering [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 75,- materiële schade is geleden, bestaande uit de kosten van het beschadigde zadel van de fatbike. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij niet heeft aangetoond voor het overige materiële schade te hebben geleden. De vordering zal derhalve voor dat deel worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 75,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

en onder de bijzondere voorwaarden, dat de veroordeelde:

zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK Rotterdam, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat nodig acht;

tijdens de proeftijd actief deelneemt aan een gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Betrokkene houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 september 2024.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 75,00 (vijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75,00 (vijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 september 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts, als voorzitter, mr. H.A.G. Nijman en mr. R. Brand, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026.