Gerechtshof Den Haag, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHDHA:2026:2316

Op 8 July 2026 heeft de Gerechtshof Den Haag een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 22-004400-19, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2026:2316. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
22-004400-19
Datum uitspraak:
8 July 2026
Datum publicatie:
15 July 2026

Indicatie

Cyberkamer. Opiumwet. Medeplegen verlengde invoer 343 kilo cocaïne vanaf haventerrein met gebruikmaking van toegangspas. Verwerping alternatief scenario dat de pas zou zijn gekloond. Oplegging gevangenisstraf van 35 maanden, gelet op persoonlijke omstandigheden en aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004400-19

Parketnummer: 10-750079-19

Datum uitspraak: 8 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1981,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesverloop

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Tevens zijn beslissingen genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 3 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 498,7 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 maart 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 343,9 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 te Rotterdam en/of Ridderkerk, en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 498,7 kilo, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

- met één of meer mededader(s) ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via Whats App en/of per e-mail contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die (pakketten) cocaïne, en/of

- zijn toegangspas tot de ECT-Delta terminal beschikbaar gesteld, en/of

- meermalen, althans éénmaal, zich en/of zijn mededader(s) met voornoemde toegangspas (onbevoegd) de toegang verschaft tot het terrein van de ECT-Delta terminal, en/of

- meermalen, althans éénmaal, met een bestelauto (met een vals kenteken en vervalste ECT-logo-magneetstickers) het terrein van de ECT-Delta terminal opgereden, en/of

- het zegel van de container met nummer [containernummer] met een betonschaar verbroken en/of de deuren van de container [containernummer] geopend, en/of

- ( vervolgens) 16, althans één of meer, (sport)tassen met die cocaïne uit die container gehaald en/of

- 11, althans één of meer, (sport)tassen met die cocaïne in voornoemde bestelauto geplaatst, en/of

- een stopteken van een ECT-beveiliger genegeerd, en/of

- ( vervolgens) met die bestelauto een slagboom van het ECT-terrein kapot gereden en/of (aldus) die (sport)tassen met cocaïne, van het terrein weggevoerd, en/of

- een betonschaar voorhanden gehad en/of gebruikt;

3.

hij op of omstreeks 04 maart 2019 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een slagboom (op het bedrijfsterrein van Europe Container Terminals B.V. (ECT) gelegen aan de Maasvlakteweg), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Europe Container Terminals BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een auto tegen/door die gesloten slagboom te rijden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van de bewijsmiddelen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf. Zij heeft gevorderd dat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd en dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Overwegingen

Bewijsoverwegingen

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Daartoe is allereerst aangevoerd dat de verdachte stellig ontkent op 3 en/of 4 maart 2019 op het terrein van ECT geweest te zijn, laat staan als chauffeur van een Peugeot Partner bestelbus. Voor zover er al mogelijk belastend bewijs jegens hem zou bestaan, moeten daar de nodige vraagtekens bij worden gesteld. Doorslaggevend is echter dat sprake is van een aannemelijk alternatief scenario dat de verdachte geheel vrijpleit, aldus de verdediging.

De beoordeling

Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 3 maart 2019 rond 23:06 uur is een witte Peugeot Partner (hierna: de Peugeot) met kenteken [kenteken] (naar achteraf bleek een vals kenteken) het ECT-terrein opgereden. Daarbij is gebruikgemaakt van een ECT-toegangspas op naam van de verdachte. Aan de hand van camerabeelden is vastgesteld dat de Peugeot tussen 23:06 uur en 23:48 uur rondreed over het terrein en vervolgens tussen 23:49 uur en 23:57 uur meerdere keren het DDN-containerstack in reed. De bestuurder negeerde een stopteken van een beveiliger en reed rond 00:04 uur met hoge snelheid dwars door de slagboom bij de uitgang van het ECT-terrein. Volgens de beveiliger reed de bestuurder, nadat hij door de slagboom heen reed, met hoge snelheid in de richting van de N15 richting Rotterdam. De beveiliging heeft ook waargenomen dat de bestuurder zijn verlichting uitdeed en dat hij ongeveer een halve minuut naast een ander voertuig reed.

Blijkens camerabeelden kwam de Peugeot op 4 maart 2019 rond 00:11 uur tot stilstand aan de Hoofdweg in Oostvoorne en stapten de bestuurder en een passagier uit de Peugeot. Kort daarna stopte een andere personenauto direct achter de Peugeot, overhandigde de bestuurder van de Peugeot iets aan de passagier van de andere personenauto waarna dit door de passagier in de kofferbak van de andere personenauto werd geplaatst. De Peugeot reed vervolgens rond 00:13 uur in de richting van het industrieterrein De Pinnepot.

Rond 00:40 uur hebben verbalisanten de toen inmiddels verlaten Peugeot aangetroffen op het parkeerterrein aan De Pinnepot in Oostvoorne. Het is aannemelijk dat deze daar al sinds circa 00:15 uur geparkeerd stond. De afstand tussen die plek en de laatste waarneming van de Peugeot op genoemde camerabeelden is namelijk ongeveer 400 meter. Er werd vastgesteld dat zowel de motorkap als de A-stijlen van de Peugeot beschadigd waren en dat in deze beschadigingen rode verf was achtergebleven. Ambtshalve waren de verbalisanten bekend met het feit dat de slagbomen die in gebruik waren bij ECT rood en wit van kleur waren. De Peugeot is onderzocht en daaruit bleek het volgende. In de laadruimte zijn elf tassen aangetroffen met daarin in totaal 343,9 kilogram cocaïne. Een aantal van de tassen heeft de opdruk ‘ [naam van opdruk] ’ en op de verpakking van een aantal blokken is de tekst [omschrijving tekst] vermeld dan wel een foto van een adelaar. Het droogstempel op een deel van de blokken cocaïne is [omschrijving stempel] .

Op grond van deze feiten en omstandigheden trekt het hof de tussenconclusie dat de aangetroffen Peugeot dezelfde auto is die kort daarvoor met een noodvaart dwars door de slagboom was gereden. Daarnaast kan het niet anders zijn dan dat de erin aangetroffen cocaïne afkomstig was van het besloten ECT-terrein. Ongeveer tien minuten na het verlaten van dat terrein is de Peugeot definitief tot stilstand gekomen op een parkeerplaats. Er is geen gelegenheid geweest om op een ander moment elf goedgevulde tassen cocaïne in de auto te stoppen. Op de hierboven beschreven camerabeelden is weliswaar activiteit te zien rond de toen even geparkeerde Peugeot, maar dat was in elk geval niet het beladen van de Peugeot met elf tassen. Het is ondenkbaar dat deze cocaïne pas op de parkeerplaats De Pinnepot zou zijn ingeladen om vervolgens de dan gevulde auto achter te laten. Het gaat immers om 343,9 kilogram cocaïne met een verkoopwaarde van ruim 15 miljoen euro. Tot slot is evenmin voor te stellen dat de auto het ECT-terrein was opgereden met deze cocaïne er al in.

De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte de bestuurder is geweest van de Peugeot. Het hof stelt daartoe de volgende feiten en omstandigheden vast.

Enkele uren voor bovenstaande gebeurtenissen, namelijk op 3 maart 2019 om 06:39 uur, is gebruikgemaakt van de ECT-toegangspas op naam van de verdachte om het ECT-terrein te betreden. Diezelfde pas is later die ochtend, te weten om 09:36 uur, door de bestuurder van een witte Peugeot met kenteken [kenteken] gebruikt om uit te checken bij de uitgang van het ECT-terrein. De politie heeft op een door een bewakingscamera gemaakte foto’s bij de (pas)zuil waargenomen dat de bestuurder een man betreft met een getinte huidskleur en een donkerkleurig baardje, gekleed in een oranje jas met een lichtgekleurde helm op. Verbalisanten hebben kort na het uitchecken de auto gecontroleerd. Bij deze controle werd gezien dat een manspersoon met een donkere huidskleur en een groot postuur in de auto zat en er werden geen bijzonderheden geconstateerd aan de ECT-toegangspas die de bestuurder moest tonen. Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben de bestuurder van de witte Peugeot herkend als de verdachte.

Het NFI heeft een gezichtsvergelijkend onderzoek verricht, te weten een vergelijking van de foto’s van de persoon bij de zuil met de politiefoto’s van de verdachte. Het NFI heeft op 22 juni 2023 gerapporteerd. Het NFI heeft gebruik gemaakt van twee hypothesen.

Hypothese 1: De persoon afgebeeld in de opnamen van de zuil is dezelfde als de persoon afgebeeld in de opnames van de verdachte.

Hypothese 2: De persoon afgebeeld in de opnamen van de zuil is een ander persoon dan de persoon afgebeeld in de opnames van de verdachte.

Het NFI kwam tot de conclusie dat het veel waarschijnlijker is als hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 2 waar is.

Het hof sluit zich, zonder voorbehoud, aan bij die eindconclusie. De onderliggende bevindingen en beweegredenen zijn begrijpelijk, transparant en inzichtelijk onderbouwd.

De verdediging heeft desalniettemin verzocht om “uiterst behoedzaam” om te gaan met die eindconclusie. Het hof zal de verdediging daar niet in volgen. Het enkele feit dat, zoals ook is gerelateerd in het rapport, “geen van de overeenkomsten zijn aan te wijzen als sterk identificerend” doet geen afbreuk aan de waarde en kracht van de eindconclusie. Onder sterk identificerende/individualiserende kenmerken moet worden begrepen zeer specifieke kenmerken, zoals littekens of moedervlekken die zich op beide beelden op dezelfde plaats bevinden. Als dergelijke kenmerken in dit onderzoek er wél zouden zijn geweest, zou de eindconclusie een nóg grotere bewijskracht hebben gehad.

Gelet op al het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte in de ochtend van 3 maart 2019 de bestuurder is geweest van de witte Peugeot met kenteken [kenteken] . Hetzelfde type Peugeot met hetzelfde kenteken is in de avond van 3 maart 2019 op het ECT-terrein geweest en is even later, in de nacht, in Oostvoorne aangetroffen. In de avond van 3 maart 2019 is, net zoals in de ochtend van 3 maart 2019, gebruikgemaakt van een ECT-toegangspas op naam van de verdachte. Met de bewuste pas is niet meer uitgecheckt, hetgeen klopt met het feit dat de Peugeot het ECT-terrein heeft verlaten door de slagboom te rammen. Daar komt bij dat uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat de telefoon op 3 maart 2019 aan het begin van de avond aanstraalde op een mast in de buurt van de woning van de verdachte in Ridderkerk en dat in de periode tussen 23:10 uur en 0:01 uur (4 maart 2019) de telefoon twee verschillende masten aanstraalde in de directe nabijheid van het ECT-terrein. Dit zijn precies de tijden waarop de Peugeot op het ECT-terrein aanwezig was. De verdachte heeft hiervoor geen aannemelijke (ontlastende) verklaring gegeven.

Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat de verdachte in de ochtend van 3 maart 2019 en in de nacht van 3 op 4 maart 2019 de bestuurder is geweest van de Peugeot waarin uiteindelijk 343,9 kilogram cocaïne is aangetroffen.

Vervolgens is de vraag of dit betekent dat de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor de invoer van deze cocaïne. Het hof stelt daartoe de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 3 maart 2019 zijn in de middag in laan 10 van het DDN-containerstack van het ECT-terrein vijf sporttassen aangetroffen met daarin pakketten cocaïne (154,7 kilogram). De pakketten waren afkomstig uit container [containernummer] en deze container was op 12 februari 2019 geladen op een containerschip in Salvador (Brazilië). Op 2 maart 2019 is deze container gelost op het ECT-terrein. Eén van de sporttassen waarin cocaïne is aangetroffen bevatte de opdruk ‘ [naam van opdruk] ’. In de verpakking van een aantal blokken was de tekst ‘ [omschrijving tekst] ’ vermeld en op een andere een foto van een adelaar. Het droogstempel op de blokken cocaïne was [omschrijving stempel] .

Het hof stelt op grond van de overeenkomsten in de tassen, de verpakkingswijze, de afbeeldingen en de droogstempels vast dat de cocaïne die in de middag van 3 maart 2019 is aangetroffen op het ECT-terrein en de 343,9 kilogram cocaïne die in de nacht van 4 maart 2019 is aangetroffen in de Peugeot op het parkeerterrein in Oostvoorne afkomstig zijn uit dezelfde partij (al dan niet geladen in dezelfde container), die afkomstig was uit Brazilië.

Voorgaande vaststellingen voeren het hof tot de conclusie dat de verdachte betrokken is geweest bij de (verlengde) invoer van 343,9 kilogram cocaïne en daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht. Dat heeft hij tezamen en in vereniging met anderen gedaan. Het hof betrekt daarbij de omstandigheid dat er ten minste, zo blijkt uit de beschreven camerabeelden, nog één ander persoon in de Peugeot zat. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat de logistiek rond de invoer van – met name grote partijen –verdovende middelen complex is en dat daarbij veelal meerdere personen betrokken zijn. Alle handelingen van personen die betrekking hebben op die complexe logistiek moeten daarom in beginsel worden geacht gericht te zijn op het binnen het grondgebied van – in dit geval – Nederland brengen van deze verdovende middelen. In de onderhavige zaak kan daarbij gedacht worden aan het plaatsen van de tassen met cocaïne in de container, het verwijderen van die tassen na aankomst van de container in Rotterdam en het wegvoeren van de tassen met cocaïne vanaf het ECT-terrein. Het kan niet anders dan dat er met de verdachte duidelijke afspraken zijn gemaakt met betrekking tot zijn aandeel in deze operatie. Hij werd ook in de gaten gehouden. Direct na het verlaten van het ECT-terrein werd de Peugeot gevolgd door een andere auto. En de inzittenden van deze twee auto’s hebben met elkaar gehandeld, zo is eveneens te zien op de beschreven camerabeelden. Het hof benadrukt nog maar eens dat het ging om een enorme hoeveelheid cocaïne met een verkoopwaarde van ruim 15 miljoen euro.

Het hof acht derhalve het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Wel zal het hof de verdachte vrijspreken voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de op 3 maart 2019 in de middag op het ECT-terrein aangetroffen 154,7 kilogram cocaïne. Weliswaar was de verdachte die ochtend ook op het terrein en was deze cocaïne afkomstig uit dezelfde partij als de 343,9 kilogram waarmee de verdachte die avond bemoeienis had, maar mede gelet op het tijdsverloop tussen de aanwezigheid van de verdachte in de ochtend en het aantreffen van de 154,7 kilogram in de middag, kan niet worden vastgesteld dat en in welke mate de verdachte ook bij die cocaïne betrokken was.

Tot slot zal ook het onder 3 tenlastegelegde (de vernieling van de ECT-slagboom) bewezen worden verklaard.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een alternatief scenario opgeworpen, te weten dat de enige verklaring voor het gebruik van de ECT-toegangspas van de verdachte moet zijn dat deze was “gekloond” en dat dus iemand anders vervolgens met die gekloonde pas in de hand toegang heeft verkregen tot het ECT-terrein.

Het hof overweegt dat de verdediging niet meer heeft gedaan dan het opperen van een theoretische mogelijkheid, zonder dat een concreet alternatief scenario naar voren is gebracht. Dat een ECT-toegangspas in theorie zou kunnen worden ‘gekloond’, maakt nog niet dat het aannemelijk is dat dit in deze zaak ook daadwerkelijk is gebeurd met de pas van de verdachte. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Hierbij acht het hof het ook van belang dat de verdachte bij hoog en bij laag heeft volgehouden dat hij zijn toegangspas nooit is kwijtgeraakt en dat hij daar erg zuinig mee omging en dat bij fysieke controle van de pas in de ochtend van 3 maart 2019 er geen afwijkingen zijn gesignaleerd. Daar komt bij dat het gestelde scenario strijdig is met een aantal van de hierboven besproken bewijsmiddelen. Zo is daarmee niet verklaard dat de telefoon van de verdachte is aangestraald in de directe nabijheid van het ECT-terrein en evenmin is daarmee de uitkomst van het gezichtsvergelijkende onderzoek verklaard. Het hof heeft dit alternatieve scenario dan ook als niet aannemelijk gepasseerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 3 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 343,9 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 maart 2019 tot en met 4 maart 2019 te Rotterdam en/of Ridderkerk, en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 343,9 kilo, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

hebbende/zijnde verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

- met één of meer mededader(s) ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via Whats App en/of per e-mail contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die (pakketten) cocaïne, en/of

- zijn toegangspas tot de ECT-Delta terminal beschikbaar gesteld, en/of

- meermalen, althans éénmaal, zich en/of zijn mededader(s) met zijn toegangspas (onbevoegd) de toegang verschaft tot het terrein van de ECT-Delta terminal, en/of

- meermalen, althans éénmaal, met een bestelauto (met een vals kenteken en vervalste ECT-logo-magneetstickers) het terrein van de ECT-Delta terminal opgereden, en/of

- het zegel van de container met nummer [containernummer] met een betonschaar verbroken en/of de deuren van de container [containernummer] geopend, en/of

- (vervolgens) 16, althans één of meer, (sport)tassen met die cocaïne uit die container gehaald en/of

- 11, althans één of meer, (sport)tassen met die cocaïne in voornoemde bestelauto geplaatst, en/of

- een stopteken van een ECT-beveiliger genegeerd, en/of

- (vervolgens) met die bestelauto een slagboom van het ECT-terrein kapot gereden en/of (aldus) die (sport)tassen met cocaïne, van het terrein weggevoerd, en/of

- een betonschaar voorhanden gehad en/of gebruikt;

3.hij op of omstreeks 04 maart 2019 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een slagboom (op het bedrijfsterrein van Europe Container Terminals B.V. (ECT) gelegen aan de Maasvlakteweg), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Europe Container Terminals BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield, en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een auto tegen/door die gesloten slagboom te rijden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:

eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen

en

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, vervoermiddelen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de verlengde invoer van ruim 343 kilogram cocaïne in Nederland. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het (inter)nationale drugscircuit, en de daarmee gepaard gaande maatschappij-ontwrichtende en ondermijnende criminaliteit. Cocaïne is een voor de gezondheid zeer schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het is algemeen bekend dat de handel in cocaïne uitermate winstgevend is. Hierdoor wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat in het bijzonder bij grensoverschrijdende handel dit in de invoer- en uitvoerlanden vaak gepaard gaat met vele vormen van (zware) criminaliteit.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Tevens is de verdachte na de onderhavige feiten niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie.

Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat hij nog steeds samen woont met zijn vrouw en vier kinderen, dat hij werkzaam is als ondernemer en dat hij zijn leven op orde heeft, ook in financieel opzicht. Blijkens een brief van de reclassering van 8 maart 2024 heeft de verdachte zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis, die is ingegaan op 1 maart 2021, gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden en zijn de doelen uit het toezichtplan bereikt.

Gelet op de ernst van de feiten en de hoeveelheid cocaïne is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden passend en geboden. Het hof heeft daarbij enerzijds meegewogen dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn ECT-pas, maar anderzijds dat hij vermoedelijk een ondergeschikte rol heeft gespeeld binnen de organisatie van het transport, mede in aanmerking genomen de risico’s die hij heeft gelopen. Niet is komen vast te staan dat de verdachte er financieel van heeft geprofiteerd.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, acht het hof het onwenselijk dat de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte al te zeer zouden worden doorkruist door het ondergaan van langdurige detentie. Het hof waardeert het positief dat de verdachte, na het ondergaan van ruim 23 maanden voorlopige hechtenis, zijn leven heeft herpakt. Zijn voorlopige hechtenis is inmiddels ruim vijf jaar geschorst en in die periode heeft hij zijn leven op orde gekregen en is hij niet opnieuw met justitie in aanraking gekomen. Het hof zal daarom de op te leggen straf matigen, in die zin dat het hof een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden een passende en geboden reactie acht.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De in dit geval redelijk te achten termijn bedraagt voor de fase van het hoger beroep twee jaar. Deze termijn is in aanzienlijke mate overschreden, te weten met bijna 5,5 jaar. Het ligt voor de hand dat een dergelijke overschrijding wordt verdisconteerd in de strafoplegging.

De advocaat-generaal heeft zich echter verzet tegen ook maar enige verdiscontering, daartoe stellende dat deze overschrijding (groten)deels aan de verdediging te wijten is. De advocaat-generaal heeft gewezen op de (aanvullende) onderzoeken die zijn verricht op verzoek van de verdediging, terwijl inmiddels duidelijk is geworden dat deze waren gebaseerd op “verzonnen scenario’s”. Het hof zal de advocaat-generaal hierin niet volgen. Het stond allereerst de verdediging vrij om onderzoekswensen in te dienen. Het was vervolgens aan het hof om deze al dan niet toe te wijzen. Tijdens een regiezitting van 30 september 2020 heeft dit hof een aantal onderzoekswensen toegewezen, waaronder ook het horen van een getuige ter terechtzitting. Tijdens de zitting van 19 december 2022 is de behandeling van de zaak voortgezet, waren een aantal onderzoekshandelingen (deels) voltooid en is de getuige gehoord. Vervolgens heeft het hof besloten, zelfs onder aanwijzing van een gedelegeerd raadsheer-commissaris, om het onderzoek te schorsen om nader onderzoek te verrichten. Het ging onder meer om een nader NFI-onderzoek (gezichtsvergelijking), een onderzoek dat de toenmalige advocaat-generaal noodzakelijk achtte en de verdediging niet (meer).

Het hof zal de termijnoverschrijding dus verdisconteren in de strafoplegging en zal in plaats van de passend geachte gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden opleggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Het hof zal de inbeslaggenomen Peugeot Partner met (vals) kenteken [kenteken] en het daarbij behorende inspectieboekje en de inbeslaggenomen iPhone verbeurdverklaren, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde is begaan, terwijl de iPhone toebehoort aan de verdachte en van de Peugeot niet is kunnen worden vastgesteld aan wie hij toebehoort. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen Samsung telefoon zal het hof een last geven tot teruggave aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47, 55, 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Peugeot Partner met (vals) kenteken [kenteken] ( [nummer 1] ) en het daarbij behorende inspectieboekje ( [nummer 2] );

- iPhone ( [nummer 3] ).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- Samsung mobiele telefoon ( [nummer 4] ).

Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, en mr. F.W. van Lottum en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.