Rolnummer: 22-002423-24
Parketnummer: 09-316732-22
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [ dag] 1988,
[adres]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juni 2022 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, [locatie]zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte aldaar,
- terwijl het erg druk was een voor hem rijdende fietser in heeft gehaald, althans doende was in te halen en/of (daarbij) over de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of
- bij het teruggaan naar de rechter rijbaan niet, althans in onvoldoende mate op die ingehaalde fietser die naast en/of rechts dicht achter hem reed heeft gelet en/of is blijven letten waardoor de vrije doorgang voor die fietser werd belemmerd en/of versperd en/of (vervolgens)
- in botsing is gekomen met die fietser waardoor die fieter ten val is gekomen, waardoor een ander te weten die fietser (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een oogkas fractuur en/of een hersenscheldel fractuur en/of een jukbeenfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 juni 2022 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de [locatie], als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte aldaar,
- terwijl het erg druk was een voor hem rijdende fietser in heeft gehaald, althans doende was in te halen en/of (daarbij) over de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of - bij het teruggaan naar de rechter rijbaan niet, althans in onvoldoende mate op die ingehaalde fietser die naast en/of rechts dicht achter hem reed heeft gelet en/of is blijven letten waardoor de vrije doorgang voor die fietser werd belemmerd en/of versperd en/of (vervolgens)
- in botsing is gekomen met die fietser waardoor die fieter ten val is gekomen, waardoor een ander te weten die fietser (genaamd [slachtoffer])letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Overweging aangaande het bewijs
Standpunten verdediging en openbaar ministerie
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De verklaringen van de getuigen [getuige A] en [getuige B] kunnen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Deze getuigen hebben vanuit hun posities niet goed kunnen waarnemen waardoor hun verklaringen onbetrouwbaar zijn. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat vanwege tegenstrijdige verklaringen niet kan worden vastgesteld wat er exact is gebeurd. Tot slot is aangevoerd dat sprake van een manoeuvre van de fietser naar links waarop de verdachte niet bedacht hoefde te zijn zodat van aanmerkelijke onvoorzichtigheid in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet (hierna: WVW) geen sprake was. Er was volgens de verdediging voldoende ruimte tussen beiden.
De advocaat-generaal heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld nu hij zijn verkeersgedrag onvoldoende heeft afgestemd op de breedte van de weg en de overige verkeersdeelnemers door onvoldoende ruimte te laten aan de fietser waardoor de fietser ten val is gekomen.
Feiten en omstandigheden
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 13 juni 2022 omstreeks 16:20 uur reed de verdachte met zijn auto met daarachter een aanhanger op [locatie]in [plaats]. Hij reed in een Ford f-150, een pick-up truck van ongeveer 2,2 meter breed (inclusief zijspiegels 2,46 meter breed) en 5,6 meter lang. De aanhanger was ongeveer 6 meter lang. De totale lengte van de auto en aanhanger was dus ongeveer 12 meter. De verdachte reed ongeveer 30 kilometer per uur. Het was licht, er waren geen slechte weersomstandigheden. Hij kende de weg, hij reed daar vaker. Het was er naar zijn eigen zeggen altijd druk.
[locatie]bestaat uit een grijze rijstrook met aan weerszijden rode fietsstroken begrensd door een onderbroken belijning. De rijstrook is 2,25 meter breed en beide fietsstroken zijn 1,15 meter breed. In totaal is de weg dus 4,55 meter breed.
Op het moment dat de verdachte op [locatie] reed, was het erg druk. Er bevonden zich verschillende soorten weggebruikers. Er reed in ieder geval één auto (met getuige [getuige A]) en één fietser (het latere slachtoffer) vóór de verdachte. De fietser reed op een elektrische fiets met een kindje in een kinderzitje voorop. Tegemoetkomend liepen of fietsten aan de linkerkant van de weg twee meisjes.
Nadat de getuige [getuige A] de fietser had ingehaald, is ook de verdachte de fietser gaan inhalen. Op het moment dat de aanhanger ter hoogte van de fietser was, is zij ten val gekomen. Zij heeft daarbij ernstig letsel aan haar hoofd opgelopen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, toen hij ging inhalen, iets naar links reed, maar op het grijze deel van de weg bleef rijden. Hij kon niet verder naar links omdat hij dan de twee meisjes zou laten schrikken. De fietser bleef op de rode fietsstrook rijden, maar maakte tijdens het inhalen plaats door iets meer naar rechts te gaan. Omdat de fietser op enig moment naar links kwam, nog steeds rijdend op de rode fietsstrook, raakte zij de aanhanger; volgens de verdachte omdat zij wellicht de aanhanger niet verwachtte.
De getuige [getuige A] heeft bij de politie verklaard dat hem op enig moment twee fietsers tegemoet kwamen, dat hij inschatte dat hij nog wel kon inhalen, toen zag dat de auto achter hem de fietser ook ging inhalen en meteen dacht “dat past niet”. Hij zag dat de fietser een lichte stuurbeweging maakte, zag dat zij bijna geen ruimte had om te fietsen en zag toen dat de fietser met het stuur de auto raakte. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij deze verklaring bevestigd. Hij heeft daar nog verklaard “Met mijn eigen auto dacht ik dat gaat net passen, dus vandaar dat ik dacht voor het verkeer achter mij past het niet meer”.
Betrouwbaarheid getuigenverklaring
Het hof acht deze verklaring van getuige [getuige A] betrouwbaar nu de verklaring van deze getuige ziet op de inhaalmanoeuvre die hij zelf heeft gemaakt en de daaraan voorafgaande inschatting waarover hij uit eigen waarneming en ondervinding kon verklaren. Het hof zal de verklaring van getuige [getuige B] niet voor het bewijs bezigen zodat het verweer aangaande de verklaringen van die getuige geen bespreking behoeft.
Toetsingskader 6 WVW
Onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel wordt een grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van het Wetboek van Strafrecht bestaat die ‘schuld’ als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte “minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen”, dus of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. (vlg ECLI:NL:HR:2024:1398, r.o.v. 2.6.1.). Daarnaast geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld.
Toepassing toetsingskader
Wegen zoals de [locatie], waarbij de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer en fietspaden niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zijn wegen die vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vragen. Dit geldt in het bijzonder voor de verdachte die niet alleen reed in een brede voertuigcombinatie welke (inclusief spiegels) breder was dan het grijze deel van de weg waarop hij reed, maar ook in een (zo’n 12 meter) lange combinatie, terwijl ook kwetsbare verkeersdeelnemers als fietsers en/of voetgangers van dezelfde weg gebruik maakten.
Door op deze weg met deze combinatie een fietser te gaan inhalen en deze fietser, vanwege de drukte (de tegemoetkomende meisjes), slechts de ruimte te laten van de eigen fietsstrook terwijl de fiets een evenwichtsvoertuig is waarbij altijd een beetje slingerend wordt gereden, werd de vrije doorgang voor de fietser belemmerd waardoor deze ten val is gekomen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich daarmee verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen. Immers schoot de verdachte tekort in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Dat niet de verdachte naar rechts, maar de fietser (te vroeg) naar links zou zijn gegaan doet aan het voorgaande niet af, nu de verdachte gelet op de lange combinatie waarin hij reed, rekening had moeten houden met dergelijk gedrag. Bovendien reed de fietser al die tijd op de rode fietsstrook.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 13 juni 2022 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto met aanhangwagen), daarmede rijdende over de weg, [locatie]zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen: hij, verdachte aldaar,
- terwijl het erg druk was een voor hem rijdende fietser in heeft gehaald, althans doende was in te halen en/of (daarbij) over de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden en/of
- - bij het teruggaan naar de rechter rijbaan niet, althans in onvoldoende mate op die ingehaalde fietser die naast en/of rechts dicht achter hem reed heeft gelet en/of is blijven letten waardoorde vrije doorgang voor die fietser werd heeft belemmerd en/of versperd en/of (vervolgens)
- in botsing is gekomen met die fietser waardoor die fietser ten val is gekomen, waardoor een ander te weten die fietser (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een oogkasfractuur en/of een hersenschedelfractuur en/of een jukbeenfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich als bestuurder van een auto met aanhangwagen op de weg zodanig aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Hij heeft op een erg drukke weg – nadat hij een fietser had ingehaald, althans doende was die fietser in te halen – de vrije doorgang voor die fietser belemmerd. Als gevolg daarvan is hij in botsing gekomen met die fietser waardoor die fietser ten val is gekomen. Daardoor heeft de fietser zwaar lichamelijk letsel, te weten een oogkasfractuur, een hersenschedelfractuur en een jukbeenfractuur, opgelopen. Uit de door het slachtoffer overgelegde verklaring van de revalidatiearts blijkt dat zij zo’n twee jaar na het ongeval nog steeds beperkingen ondervindt in haar dagelijks functioneren waarbij het de verwachting is dat zij blijvend rekening zal moeten houden met een lagere belastbaarheid als gevolg van door de aanrijding opgelopen hersenletsel.
De hiervoor genoemde gedraging rekent het hof de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 april 2026, waaruit blijkt dat aan de verdachte, zij het langere tijd geleden twee maal eerder een onherroepelijke strafbeschikking is opgelegde vanwege Wegenverkeerswetfeiten. Omdat die veroordelingen van langere tijd geleden zijn, zal het hof die niet ten nadele van de verdachte meewegen in de straftoemeting.
Daarnaast heeft het hof de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in zijn oordeel over de op te leggen straffen en de hoogte daarvan betrokken.
Die oriëntatiepunten houden voor een feit als het onderhavige als uitgangpunt voor bestraffing in een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren in combinatie met een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden.
In het onderhavige geval weegt voor het hof bij het bepalen van de strafsoort en de zwaarte ervan echter de aard van het gedrag van de verdachte zwaarder dan de aard van het (zwaar lichamelijk) letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen. Dat gedrag van de verdachte was weliswaar een aanmerkelijk onvoorzichtige inhaalmanoeuvre, maar in de kern geen van gangbaar verkeersgedrag afwijkend gedrag. De verdachte heeft dat gelet op de verkeersomstandigheden ter plaatse op een aanmerkelijk onvoorzichtige wijze gedaan.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte als zelfstandig ondernemer met personeel in dienst in grote mate afhankelijk is van zijn rijbewijs om per auto klanten te bezoeken en bij hen werkzaamheden te verrichten, alsmede dat de gevolgen van de botsing voor het slachtoffer de verdachte blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring niet onberoerd laten en dat hij het slachtoffer dat heeft laten weten. Ook laat het hof het tijdverloop in de onderhavige zaak meewegen in de straftoemeting.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een geldboete van 2.000 euro in combinatie met een geheel onvoorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden een passende en geboden reactie vormt.
Voor een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, bestaat naar het oordeel van het hof, in het bijzonder gelet op het eerdergenoemde Uittreksel Justitiële Documentatie, geen aanleiding, terwijl gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, voorzitter, mr. H. Steenhuis en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 mei 2026.