Rolnummer: 22-001096-24
Parketnummer: 10-313598-23
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
adres: [adres 1], [postcode] [woonplaats].
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 17 september 2023 te [plaats], openlijk, te weten aan [adres 2]
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke
plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door
- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te duwen,
- met die [slachtoffer] te worstelen, en/of
- die [slachtoffer] bij zijn T-shirt te grijpen en deze kapot te trekken.
De eindezaakverklaring
Per 1 oktober 2022 zijn de Innovatiewet Strafvordering en het Besluit innovatie strafvordering in werking getreden. Op grond van het via de Innovatiewet ingevoerde artikel 573, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 3 van het Besluit innovatie strafvordering hadden de rechtbanken in de arrondissementen Gelderland, Overijssel en Zeeland-West Brabant de mogelijkheid om onder voorwaarden een eindezaakverklaring uit te spreken na een positief afgerond mediation traject.
Door de gelijktijdige inwerkingtreding en wijziging van het Besluit innovatie strafvordering en de Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering per 1 juli 2026, is voornoemde regionale beperking opgeheven en kan de eindezaakverklaring door alle gerechten worden uitgesproken.
Voorwaarden voor het uitspreken van een eindezaakverklaring zijn een positief afgerond mediation traject en het oordeel van de rechtbank dat de zaak zonder verdere inhoudelijke behandeling kan worden beëindigd.
Een eindezaakverklaring kan niet worden uitgesproken indien de officier van justitie voortzetting van het onderzoek vordert of de verdachte of diens raadsman voortzetting van het onderzoek verzoekt (artikel 573, tweede lid, Sv).
Indien de eindezaakverklaring na een succesvolle mediation niet wordt uitgesproken dient dat extra gemotiveerd te worden (artikel 574 Sv).
Op grond van het nieuwe artikel 574a Sv, zijn de artikelen 571-574 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding voor het gerechtshof hetgeen betekent dat het per juli 2026 ook voor de gerechtshoven mogelijk is een eindezaakverklaring uit te spreken na een positief afgerond mediation traject.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht te volstaan met een eindezaakverklaring. Hij heeft hierbij gewezen op het positief verlopen mediationtraject. Verder heeft hij aangevoerd dat sprake is van een relatief kleine strafzaak, dat het tenlastegelegde feit zich inmiddels ruim twee jaar geleden heeft voorgedaan, dat naast de verdachte en het slachtoffer geen andere belanghebbenden bij de strafzaak zijn betrokken en dat de verdachte en het slachtoffer inmiddels op goede voet met elkaar verkeren.
Het standpunt van openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich na aanvullende vragen naar de persoonlijke situatie van de verdachte op het standpunt gesteld dat, gelet op de huidige stand van zaken en de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geschetste persoonlijke omstandigheden, voortzetting van het onderzoek geen redelijk strafvorderlijk belang dient. De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het uitspreken van een eindezaakverklaring.
De beoordeling door het hof
Ter zitting van het hof van 16 oktober 2025 heeft het hof de zaak aangehouden teneinde de mogelijkheid van een mediationtraject te onderzoeken.
Naar aanleiding van het gezamenlijke mediationgesprek op 26 november 2025 hebben partijen een slotovereenkomst gesloten. Deze slotovereenkomst is op 5 december 2025 door de verdachte en de mediator ondertekend en vervolgens aan het hof toegezonden. Het slachtoffer heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard de slotovereenkomst wegens praktische omstandigheden niet te hebben ondertekend, maar zich wel met de inhoud daarvan te kunnen verenigen.
In de slotovereenkomst is opgenomen dat het slachtoffer geen schadevergoeding meer wil ontvangen van verdachte, dat ze elkaar met respect behandelen en dat met de gemaakte afspraken voor hen de zaak is afgerond en het voor hen geen meerwaarde heeft als de ander vervolgd of gestraft wordt. Zij verzoeken het hof rekening te houden met de uitkomst van de mediation.
Ter terechtzitting in hoger beroep hebben zowel de verdachte als het slachtoffer verklaard dat zij het gebeurde achter zich hebben gelaten en het slachtoffer heeft verklaard dat de strafzaak wat hem betreft geen vervolg meer behoeft. De verdachte heeft verklaard spijt te hebben van hetgeen zich op 17 september 2023 heeft voorgedaan en van haar handelen te hebben geleerd.
Het hof weegt verder mee dat is gebleken dat de verdachte en het slachtoffer, die elkaars buren zijn, inmiddels op een vriendelijke wijze met elkaar omgaan en het incident achter zich hebben gelaten. De verdachte en het slachtoffer zijn met de auto gezamenlijk naar het hof gekomen.
Vanwege het voorgaande en gelet op de standpunten van de verdachte, haar raadsman, de advocaat-generaal en gezien het standpunt van het slachtoffer en zijn raadsvrouw, kan de zaak naar het oordeel van het hof zonder verdere inhoudelijke behandeling worden beëindigd. Het hof zal daarom verklaren dat de strafzaak tegen de verdachte is geëindigd.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart dat de zaak is geëindigd vanwege een in het kader van een mediation tussen de verdachte en het slachtoffer bereikte positieve uitkomst.
Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts, als voorzitter, mr. O.M. Harms, en, mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juli 2026.
mr. O.M. Harms en mr. T. Kherad zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.