Gerechtshof Den Haag, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHDHA:2026:2535

Op 5 August 2026 heeft de Gerechtshof Den Haag een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 22-002447-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2026:2535. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
22-002447-25
Datum uitspraak:
5 August 2026
Datum publicatie:
5 August 2026

Indicatie

Doodslag op 3 maanden oude baby door Abusive Head Trauma.

Uitspraak

Rolnummer: 22 -002447-25

Parketnummer: 09-255002-24

Datum uitspraak: 5 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum 1] 1983,

thans gedetineerd in [naam P.I.] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesverloop

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2024) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- die [het slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) te schudden, althans (met kracht) heen en weer te bewegen (waarbij het hoofd van die [het slachtoffer] voor- en achterwaartse en/of draaiende bewegingen maakte) en/of

- anderszins hevig geweld en/of een forse krachtinwerking op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] uit te oefenen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Overwegingen

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt het hof de volgende feiten vast. Op 5 augustus 2024 om 06:13 uur liep de verdachte met [het slachtoffer] , zijn zoon, een baby van op dat moment drie maanden oud en één van een tweeling, naar de receptie van het hotel in Kijkduin waar zij op dat moment verbleven. Hij vroeg om hulp. Toevallig reed er net een ambulance langs en [het slachtoffer] is daar naartoe gebracht. De verdachte vertelde het ambulancepersoneel dat [het slachtoffer] zich had verslikt tijdens het drinken uit de fles. [het slachtoffer] was bleek en ademde niet.

[het slachtoffer] is ter plekke gereanimeerd en met een hartslag per traumahelikopter naar het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam gebracht. Daar werd geconstateerd dat [het slachtoffer] in een diep comateuze toestand was. In het ziekenhuis werd na onderzoek gezien dat [het slachtoffer] onder andere subdurale bloedingen onder het harde netvlies in het hoofd en retinabloedingen in het netvlies van beide ogen had.

Op 5 augustus 2024 in de middag heeft de politie de verdachte en zijn vrouw [de moeder] als getuigen gehoord.

Het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling werd ingeschakeld en kwam op 8 augustus 2024 met een rapportage. Daarnaast werd Veilig Thuis ingeschakeld die op 8 augustus 2024 bij de politie een melding van het vermoeden van mishandeling heeft gedaan.

Gelet op de aard en ernst van het letsel bij [het slachtoffer] , in combinatie met het ontbreken van een passende verklaring voor de oorzaak daarvan, is een strafrechtelijk onderzoek gestart. De verdachte en zijn vrouw [de moeder] zijn aangehouden op 8 augustus 2024. [de moeder] werd op 20 augustus 2024 in vrijheid gesteld nadat uit onderzoek was gebleken dat zij die nacht en ochtend niet bij [het slachtoffer] op de hotelkamer was geweest; zij sliep met haar oudere dochter op een andere kamer. De verdachte zit sinds 8 augustus 2024 gedetineerd.

Nadat [het slachtoffer] ongeveer een maand heeft verbleven in het ziekenhuis werd besloten zijn behandeling te staken. [het slachtoffer] is op 6 september 2024 overleden.

Op 7 september 2024 werd postmortaal radiologisch onderzoek verricht via Maastricht UMC+ en op 8 september 2024 is door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, forensisch patholoog Eurofins-TMFI een gerechtelijke sectie verricht op het lichaam van [het slachtoffer] . In het definitieve deskundigenrapport forensische pathologie van 13 januari 2025 is vermeld dat het lichaam van [het slachtoffer] een normale ontwikkeling toonde en er geen aanwijzingen zijn voor aangeboren afwijkingen. Daarnaast is in het rapport weergegeven welke diagnostiek in het ziekenhuis bij leven van [het slachtoffer] is verricht en wat bij het postmortaal radiologisch onderzoek en bij de gerechtelijke sectie is vastgesteld. Samengevat zijn door de forensisch patholoog bij [het slachtoffer] de volgende letsels waargenomen:

1. Een subduraal hematoom: (een bloeduitstorting in het hoofd onder het harde hersenvlies subduraalbeiderzijds, links meer dan rechts;

2. Een subgaleaal hematoom: een bloeduitstorting tussen het schedeldak en de schedelhuid, dus buitenwaarts van het schedeldak; links-achterwaarts, werd een bloeduitstorting gezien van circa 5 x 3,5 cm;

3. In beide ogen netvlies (=retina)bloedingen (= uitgebreid in meerdere lagen van het netvlies en resten van bloedingen (ijzerpigmentdeposities en siderofagen) ; in het rechteroog een glasvochtbloeding en in beide oogzenuwen resten van bloedingen (ijzerpigmentdeposities).

Met betrekking tot de doodsoorzaak van [het slachtoffer] is in het rapport vermeld:

De ernstige bevindingen in het hoofd hebben geleid tot een klinische noodsituatie, reanimatiebehoeftig worden, noodzaak tot hospitalisatie, verwikkelingen: krimping van hersenen (hersensatrofie-afname van hersenvolume-hersenparenchymverlies) en algehele hersenschade (postanoxische encephalopathie) en hersenfunctiestoornissen

(met daardoor epilepsie). Verwikkelingen van infectieuze aard (zoals een longontsteking) zijn niet gebleken (ook niet lichtmicroscopisch).

Er was een slecht vooruitzicht en noodzaak tot het beëindigen van de behandeling ruim vier weken na hospitalisatie, waarna de dood intrad.

In deze strafzaak moet het hof beoordelen of de verdachte het letsel bij [het slachtoffer] heeft toegebracht en zo ja, of hij dat opzettelijk heeft gedaan.

De lichamelijke staat van [het slachtoffer] in de nacht en vroege ochtend van 5 augustus 2024

De verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat zijn vrouw op 5 augustus 2024 tussen 00:30 uur en 01:30 uur voor het laatst [het slachtoffer] en zijn tweelingzusje [naam] heeft gevoed. Dat was in hotelkamer [nummer] , alwaar de verdachte met de tweeling verbleef. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier dat er toen iets mis was met [het slachtoffer] . Het hof stelt vast dat [het slachtoffer] omstreeks 01:30 uur in normale doen was.

De verdachte heeft tijdens zijn verhoren bij de politie op 10 en 11 augustus 2024 verklaard dat [het slachtoffer] na het voeden door zijn vrouw ongeveer 4 of 5 uur geslapen heeft. Op grond van zijn verklaring stelt het hof voorts vast dat op 5 augustus 2024 om iets voor 06:00 uur [naam] , de tweelingzus van [het slachtoffer] , wakker werd, omdat zij honger had. Uit de verklaring van de verdachte en uit zijn telefoongegevens blijkt verder dat hij om 05:59 uur zijn vrouw heeft gebeld om te vragen of zij hem kon helpen met het voeden van de tweeling. Toen hij geen gehoor kreeg heeft hij besloten zijn vrouw te laten slapen en heeft hij zelf een fles melk klaar gemaakt voor [naam] . Hij heeft haar vervolgens de fles gegeven. Hierna werd [het slachtoffer] wakker en heeft de verdachte ook hem gevoed.

Over de staat van [het slachtoffer] toen hij omstreeks 06:00 uur wakker werd heeft de verdachte bij de politie op 10 en 11 augustus 2024 verklaard dat de ogen van [het slachtoffer] open en duidelijk waren en dat hij huilde op de manier waarop hij huilt als hij honger heeft. [het slachtoffer] heeft op een normale manier ongeveer tien slokjes van de melk genomen, met de hevigheid zoals hij drinkt als hij honger heeft. Ter terechtzitting in hoger beroep op 22 juli 2026 heeft de verdachte verklaard dat [het slachtoffer] een beetje witjes was maar verder gezond leek. Met de rechtbank gaat het hof ervan uit dat [het slachtoffer] gelet op het voorgaande om 5.59 uur in normale doen was en dat zijn lichamelijke staat goed was.

Wie was er op de hotelkamer bij [het slachtoffer] ?

Uit de verklaring van de verdachte bij de politie en ter zitting van de rechtbank blijkt dat hij vanaf 01:30 uur alleen op de hotelkamer was met [het slachtoffer] en zijn tweelingzusje [naam] . Zijn vrouw sliep in een andere hotelkamer met haar 13-jarige dochter. Uit het opsporingsonderzoek zijn geen aanknopingspunten gebleken die wijze op een andere situatie. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep niets anders verklaard, hij heeft bevestigd dat hij vanaf 01.30 uur alleen was met de tweeling. Op grond daarvan stelt het hof vast dat de verdachte sinds 01:30 uur in de hotelkamer alleen is geweest met [het slachtoffer] en [naam] .

Wanneer is de noodsituatie ontstaan?

Het hof gaat er met de rechtbank vanuit dat [het slachtoffer] omstreeks 05:59 uur, het moment dat hij zijn vrouw belde - volgens zijn verklaring om te helpen met het voeden van [naam] - nog normaal functioneerde. De verdachte liep om 06:13 uur met [het slachtoffer] naar de receptie van het hotel om hulp te vragen. Kort daarna is de ambulanceverpleegkundige van de op dat moment toevallig aanwezige ambulance de reanimatie van [het slachtoffer] gestart. Op grond hiervan stelt het hof vast dat [het slachtoffer] om 06:13 uur in een klinische noodsituatie verkeerde.

Uit de bevindingen van de forensisch patholoog concludeert het hof dat het incident dat de klinische noodsituatie heeft veroorzaakt, zich heeft voorgedaan kort voordat de medische noodsituatie zich voordeed. De forensisch patholoog overweegt in het rapport met betrekking tot de 'timing' van het oplopen van het (uiteindelijk) fataal letsel bij [het slachtoffer] immers (en onweersproken) het volgende:

Bovengenoemd geweld (het incident) dat heeft geleid tot de letsels in het hoofd en uiteindelijk overlijden is ontstaan op een moment korte tijd voordat de klinische (medische) noodsituatie (onwel wording van de baby) op 05-08-2024 ontstond. De baby zal na het oplopen van dat ernstig geweld niet meer normaal hebben gefunctioneerd (kon bijvoorbeeld niet meer een flesje normaal opdrinken, kon niet meer normaal reageren). En zal geen lucide interval (periode van tijdelijk bewustzijnsverlies, gevolgd door herstel van bewustzijn) hebben doorgemaakt. Dergelijk hoofdletsel als bij baby [het slachtoffer] geeft ofwel direct symptomen ofwel geen symptomen. Een uitgestelde reactie (lucide interval) komt niet voor bij dergelijk hoofdtrauma.

Het hof maakt hieruit op dat het uitgesloten is dat dit letsel al was ontstaan voordat de verdachte – naar eigen zeggen – de baby de fles gaf en dat het pas mis ging toen deze zich tijdens het drinken opeens verslikte.

Op basis van voorgaande tijdlijn en de bevindingen van de forensisch patholoog, stelt het hof met de rechtbank vast dat de klinische noodtoestand van [het slachtoffer] tussen 05:59 uur en 6:13 uur is ontstaan, toen de verdachte alleen met hem (en zijn zusje) op de hotelkamer aanwezig was.

Hoe is de klinische noodtoestand van [het slachtoffer] veroorzaakt?

De forensisch patholoog stelt in het rapport vast dat de letsels niet kunnen worden toegeschreven aan medische oorzaken. Volgens de forensisch patholoog kunnen de letsels van [het slachtoffer] alleen door trauma worden veroorzaakt en dat staat naar het oordeel van het hof ook niet ter discussie.

De forensisch patholoog maakt een onderscheid tussen toegebracht ernstig hoofdtrauma (Abusive Head Trauma (AHT) en accidenteel hoogenergetisch trauma.

De forensisch patholoog heeft diens bevindingen als volgt samengevat. De bij [het slachtoffer] vastgestelde bevindingen kunnen alleen op traumatische grond worden verklaard. De bevindingen, uitgebreidheid en lokalisatie van bevindingen (lokalisatie van het subduraal hematoom, uitgebreidheid en lokalisatie van oogbevindingen) en de combinatie van bevindingen eerder wijzen op toegebracht ernstig hoofdtrauma (Abusive Head Trauma: AHT) dan op accidenteel hoog-energetisch trauma (zoals een val van grote hoogte of een transportongeval). Er is sprake geweest van één ernstig incident dat ernstig hoofdtrauma heeft veroorzaakt en tot de klinische (medische) noodsituatie en uiteindelijk overlijden van [het slachtoffer] heeft geleid.

In de LOEF-rapportage (Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO) van 11 november 2024 wordt nadere duiding en interpretatie gegeven aan de letsels en medische bevindingen die zijn aangetroffen bij [het slachtoffer] . Daarbij worden het bewustzijnsverlies, de epileptische aanvallen in het ziekenhuis, de subdurale bloedingen, een subgaleale bloeding en netvliesbloedingen betrokken. Volgens de deskundigen zijn er geen aanwijzingen voor een medische oorzaak of voor het ontstaan van het letsel bij de geboorte. De combinatie van letsels is waarschijnlijker onder de hypothese van niet-accidenteel letsel dan onder de hypothese van letsel dat accidenteel is ontstaan.

Het alternatieve scenario

De verdediging heeft allereerst benadrukt dat de rechtbank het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario onjuist heeft geïnterpreteerd en geduid. Het is dus niet zo dat wordt gesteld dat het letsel van [het slachtoffer] door verslikking alléén kan zijn veroorzaakt.

In hoger beroep wordt een en ander door de verdediging nader gepreciseerd. Het alternatief scenario, beter gezegd de alternatieve verklaring, houdt in dat de verdachte op geen enkele wijze gewelddadig is geweest jegens [het slachtoffer] . De verdachte heeft het letsel niet opzettelijk toegebracht. Het letsel moet zijn ontstaan door elkaar snel opeenvolgende gebeurtenissen. [het slachtoffer] verslikte zich tijdens het drinken van de fles, de verdachte klopte [het slachtoffer] toen op de rug en toen de situatie verslechterde rende hij in paniek met [het slachtoffer] naar de receptie, waarbij het hoofdje mogelijk (hevig) heen en weer is geschud.

Het hof begrijpt het scenario aldus, dat volgens de verdediging dit gestelde handelen geen opzet op de dood van [het slachtoffer] kan inhouden en dat daarom een integrale vrijspraak moet volgen. Dit samenstel van handelingen (en de daaraan te verbinden conclusie) is overigens voor het eerst in hoger beroep op deze wijze gepresenteerd.

Met de rechtbank overweegt het hof ten aanzien van het verslikken het volgende. De deskundigen van de LOEF-rapportage stellen dat verslikking geen verklaring kan zijn voor het ontstaan van het letsel zoals dit bij [het slachtoffer] is beschreven. Bij verslikking wordt verwacht dat er puntbloedingen ontstaan op de huid of in de slijmvliezen, als gevolg van de druk die bij verslikking in het hoofd en/of hoog in de borst ontstaat. Die verschijnselen die zouden passen bij verslikken zijn bij [het slachtoffer] niet geconstateerd. Ook beschrijven de deskundigen dat bij een kort tijdsbestek van zuurstoftekort door verslikking geen netvliesbloedingen, geen subgaleale en/of subdurale bloedingen kunnen ontstaan. De bij [het slachtoffer] aangetroffen letsels kunnen volgens de deskundigen dus niet verklaard worden door een kort moment van zuurstoftekort door verslikken.

Het hof neemt de conclusies van het LOEF over, dat het letsel van [het slachtoffer] niet kan zijn ontstaan bij verslikking.

Zoals hiervoor al is overwogen volgt uit het eindrapport van de forensisch patholoog dat het geven van 'klopjes' op de rug de bevindingen bij [het slachtoffer] evenmin kunnen verklaren.

Het hof stelt vervolgens vast dat het hoogst onaannemelijk is dat het letsel zou zijn veroorzaakt tijdens het door de verdachte (in paniek) brengen van [het slachtoffer] vanaf de hotelkamer naar de receptie. Dat oordeel is met name gegrond op hetgeen de verdachte zélf hierover heeft verklaard.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij [het slachtoffer] bij het rennen stevig tegen zijn borst aan hield met de ene hand ondersteunend onder de billen en de andere hand hoog bij de rug. Dit heeft hij tevens voorgedaan ter zitting.

Het hof ziet in het relaas van de verdachte geen enkel moment of incident dat kan worden geduid als hoogenergetisch trauma dat de letsels bij [het slachtoffer] kan hebben veroorzaakt. Integendeel. Hij schetst een beeld van een zorgzame vader die - ook - in een panieksituatie het nodige deed om het welzijn van [het slachtoffer] te waarborgen. Niet voorstelbaar is dat bij die handelwijze het hoofd van de baby heftig heen en weer zou zijn gegaan. Gedragingen zoals door hem omschreven en voorgedaan hebben alles weg van verzorgingshandelingen. Dergelijke handelingen bij een baby leiden vanzelfsprekend niet tot repeterend acceleratie-deceleratie of rotatoir bewegen van het hoofdje (met AHT als gevolg) . Andere mogelijke in dit rennende tijdsbestek door de verdachte gedane gedragingen die onopzettelijk tot AHT kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.

Dit alles leidt tot de vaststelling dat hetgeen namens de verdachte in deze is aangevoerd hem niet kan baten. Onopzettelijke - doch AHT veroorzakende handelingen - zijn niet komen vast te staan danwel aannemelijk geworden.

Tussenconclusie van het hof

Voor de combinatie van bevindingen zoals bij [het slachtoffer] aangetroffen, is volgens de deskundigen alleen ernstig hoofdtrauma een verklaring voor de dood. Daaronder wordt verstaan hevig schudtrauma (acceleratie-deceleratie-impacttrauma op het hoofd), hevig stomp botsend geweld op het hoofd met point of impact op de plek waar de subgaleale bloeding gevonden is, of een combinatie van schudden en hevig stomp botsend geweld. De deskundigen hebben geconcludeerd dat de combinatie van letsels bij [het slachtoffer] waarschijnlijker is ontstaan door niet-accidenteel (toegebracht) letsel dan door accidenteel letsel. De deskundigen van het LOEF hebben overwogen dat de combinatie van letsels veel waarschijnlijker is onder de hypothese van heftig schudden dan onder de hypothese van verslikking/verstikking.

De deskundigen hebben vervolgens onweersproken geconcludeerd dat de combinatie van letsels veel waarschijnlijker is onder de hypothese van heftig schudden dan onder de hypothese van verzorgingshandelingen.

Op grond van de bevindingen van de forensisch patholoog en de deskundigen van het LOEF stelt het hof met de rechtbank vast dat het letsel niet is veroorzaakt door en hoogenergetisch ongeluk (accidenteel trauma). Naar het oordeel van het hof is het letsel aan [het slachtoffer] toegebracht op 5 augustus 2024 tussen 05:59 uur en 06:13 uur door hevig schudden, uitoefening van hevig stomp botsend geweld op het hoofd of een combinatie van beiden.

Het moge duidelijk zijn dat dergelijk geweld absoluut niet kan worden geduid als zijnde verzorgingshandelingen.

Wie heeft het letsel toegebracht?

Nu de verdachte met [het slachtoffer] en [naam] alleen op de hotelkamer was en geen aannemelijke verklaring heeft gegeven ten aanzien van het letsel, stelt het hof met de rechtbank op basis van het voorgaande vast dat de verdachte het letsel aan [het slachtoffer] heeft toegebracht door hem te schudden en/of hevig stomp botsend geweld op het hoofd uit te oefenen, wat heeft geleid tot het latere overlijden van [het slachtoffer] . De verdachte was voortdurend de enige in de directe nabijheid van [het slachtoffer] .

Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [het slachtoffer] ?

Om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag te komen, dient het hof vast te stellen dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – op de dood van [het slachtoffer] was gericht. Het is niet vast komen te staan dat verdachte vol opzet had op het hem van het leven te beroven. De te beantwoorden vraag is daarom of de verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [het slachtoffer] .

Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat een baby van nog geen vier maanden oud bijzonder kwetsbaar is. De kans dat het uitoefenen van een forse kracht op het hoofdje van de baby en/of het (heftig) schudden van een baby, de dood van die baby kan veroorzaken, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. De verdachte had ook een speciale, op baby’s toegesneden, EHBO-cursus gevolgd.

Omdat de verdachte niet heeft verklaard op welke wijze het letsel aan [het slachtoffer] is toegebracht, komt het hof tot een beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van de aan hem verweten gedragingen. Hierbij wordt vooropgesteld dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties niet anders kan dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van het hof zijn gedragingen zoals het (heftig) schudden van een baby en/of het uitoefenen van (hevig) geweld op het hoofd van een baby zonder meer aan te merken als dergelijke gedragingen. Van genoemde contra-indicaties is in deze zaak niet gebleken.

Dat leidt tot het oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [het slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Er is dus sprake van voorwaardelijk opzet op diens dood.

Conclusie

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2024) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- die [het slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens) te schudden, althans (met kracht) heen en weer te bewegen (waarbij het hoofd van die [het slachtoffer] voor- en achterwaartse en/of draaiende bewegingen maakte) en/of

- anderszins hevig geweld en/of een forse krachtinwerking op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] uit te oefenen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van zijn zoon [het slachtoffer] , een baby van drie maanden oud. Op basis van het letsel staat vast dat de verdachte aanzienlijk geweld moet hebben toegepast. De verdachte heeft zijn eigen zoontje, die toen een weerloze baby was, op een gewelddadige wijze het recht op leven ontnomen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte anderen veel leed en verdriet toegebracht. Met name bij de moeder is onvoorstelbaar veel leed en verdriet teweeggebracht, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring. Niet alleen in de naaste omgeving van het gezin, maar in de hele maatschappij brengt dit soort feiten gevoelens van verdriet en verontwaardiging teweeg. De verdachte zelf zal ook moeten leven met het verlies van zijn eigen zoon.

Justitiële Documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage over de verdachte d.d. 10 juni 2025. De psycholoog die de verdachte heeft onderzocht, heeft geen aanwijzingen gevonden voor een (psychische) stoornis bij de verdachte. Er wordt vastgesteld dat de verdachte beschikt over intellectuele capaciteiten die op (ruim) bovengemiddeld niveau liggen. Er is geen sprake van psychiatrische problematiek noch van ontwikkelingsstoornissen en er zijn geen aanwijzingen voor middelen gerelateerde problematiek. Niet ter discussie staat dat het bewezenverklaarde hem volledig kan worden toegerekend.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 11 juni 2025.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte tijdens zijn detentie een zeldzame en agressieve vorm van kanker heeft gekregen, waarvoor hij behandeld is en dat het inmiddels (naar omstandigheden) weer goed met hem gaat. Verdachte is nog herstellende van zijn behandeling. Hij is vele kilo’s afgevallen en zijn gezondheid is nog erg broos.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, zoals de rechtbank aan hem heeft opgelegd, passend is. Echter is het ter terechtzitting in hoger beroep duidelijk geworden dat de verdachte vanwege zijn ziekte het eerste deel van zijn detentie als verhoudingsgewijs buitengewoon zwaar heeft ervaren. Zijn gezondheidstoestand blijft zorgelijk. Deze medische omstandigheden maken dat strafmatiging aan de orde is.

Derhalve zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren opleggen.

Vordering tot schadevergoeding [de moeder]

In het onderhavige strafproces heeft [de moeder] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 20.554,00 (bestaande uit

€ 20.000,- affectieschade en € 554,- materiële schade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 20.255,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is slechts aangevoerd dat hij niet gehouden is tot het vergoeden van deze schade omdat hij moet worden vrijgesproken. De vordering van de benadeelde partij is verder niet door of namens de verdachte (inhoudelijk) betwist.

Affectieschade

Het hof stelt vast dat het overlijden van [het slachtoffer] het gevolg is van het handelen van de verdachte. Het hof stelt voorts vast dat de benadeelde partij, de moeder van [het slachtoffer] , tot

de kring van gerechtigden behoort en aldus een wettelijk recht heeft op vergoeding van

affectieschade. Hiermee is de grond voor vergoeding naar billijkheid van affectieschade gegeven. Kortheidshalve wijst het hof in deze op het bepaalde in artikel 6:108 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal, overeenkomstig het Besluit vergoeding affectieschade, het gevorderde bedrag van € 20.000,- aan affectieschade dan ook toewijzen.

Dit bedrag zal worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade ter hoogte van € 255,-, zijnde (reis)kosten voor het bezoeken van [het slachtoffer] in het ziekenhuis, is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve ter hoogte van

€ 255,- worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

De overige gevorderde materiële schade van in totaal € 289,- ziet op kosten gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak in eerste aanleg op 19 juni 2025. Het gaat dan om reiskosten (€ 124,-) en verblijfskosten (€ 165,-). Het hof stelt allereerst vast dat deze twee schadeposten niet aan te merken zijn als schade die rechtstreeks geleden is door het strafbare feit. Het gaat om proceskosten en zullen als zodanig worden beoordeeld. Het hof stelt vervolgens vast dat de benadeelde partij procedeert met een gemachtigde (advocaat). In dat geval komen de in artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bedoelde kosten, en daar gaat het in dit geval om, ook in een strafzaak niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof sluit zich hierbij aan bij bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (Voetnoot 1).

Dit gedeelte van de materiële schadevordering zal daarom worden afgewezen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [de moeder]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.255,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [de moeder] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [de moeder]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de moeder] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.255,00 (twintigduizend tweehonderdvijfenvijftig euro) bestaande uit € 255,00 (tweehonderdvijfenvijftig euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij voor het overige.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [de moeder] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 20.255,00 (twintigduizend tweehonderdvijfenvijftig euro) bestaande uit € 255,00 (tweehonderdvijfenvijftig euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 augustus 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts, als voorzitter, mr. F.W. van Lottum en

mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 augustus 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Laatstelijk: Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:334