Gerechtshof Den Haag, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHDHA:2026:2624

Op 13 July 2026 heeft de Gerechtshof Den Haag een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 22-002593-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2026:2624. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
22-002593-23
Datum uitspraak:
13 July 2026
Datum publicatie:
11 August 2026

Indicatie

Openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen. Geen beschermde deelvrijspraak. Oplegging gevangenisstraf en taakstraf. Toewijzing schadevergoeding, onder meer voor verlies van verdienvermogen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002593-23

Parketnummer: 09-184407-22

Datum uitspraak: 13 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesverloop

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juli 2022 te ‘s-Gravenhage openlijk, te weten, op de hoek van de Suezkade met de Weimarstaat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of goed, te weten [het slachtoffer] en/of een bestelauto (van die [het slachtoffer] ) door:

- tegen een portier van die bestelauto te trappen/schoppen en/of,

- meermalen die [het slachtoffer] te stompen/slaan tegen zijn lichaam en/of,

- die [het slachtoffer] een mes te tonen en/of,

- met dat/een mes een of meer zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken in het zicht van en/of naar het lichaam van die [het slachtoffer] en/of,

- om die [het slachtoffer] heen te gaan staan en/of,

- die [het slachtoffer] uit te schelden en/of,

- hem één of meerdere malen te bespugen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter vrijgesproken voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op het plegen van geweld tegen goederen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat dit een zogenoemde ‘beschermde vrijspraak’ is in de zin van artikel 404, eerste en vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering omdat er volgens hem impliciet sprake is van een cumulatieve tenlastelegging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De strafbaarstelling in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht kan betrekking hebben op een meervoud van gedragingen, maar daaruit vloeit niet voort dat bewezenverklaring van zo’n meervoud van gedragingen ook leidt tot meervoudige kwalificatie van dat feit (vgl. ECLI:NL:HR:2025:535). Het beschermde belang van die strafbaarstelling is immers de openbare orde, terwijl de afzonderlijke geweldshandelingen binnen een en dezelfde verstoring van de openbare orde samen slechts één overtreding van artikel 141 opleveren. Bij bewezenverklaring zou de kwalificatie dan ook luiden “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen” (vgl. ECLI:NL:HR:2013:486).

Er is dus geen sprake van een cumulatieve tenlastelegging, maar van één feit. Daarmee is de gehele tenlastelegging onderworpen aan het oordeel van het hof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bespreking bewijsverweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen of en welke geweldshandelingen de verdachte heeft begaan. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de geweldshandelingen met het mes.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat op 19 juli 2022 op straat in Den Haag geweld is gepleegd tegen [het slachtoffer] (hierna: de aangever) en dat daarbij meerdere personen betrokken waren. De aangever is daarbij geslagen en bespuugd. Een van de daders is door meerdere getuigen omschreven als een man in een zwart shirt met witte letters. Op camerabeelden waarop een deel van het incident te zien is, is ook een man in zo’n shirt te zien. De verdachte heeft zichzelf daarin herkend. De aangever en de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] hebben verklaard dat de man met het zwarte shirt met witte letters een mes bij zich had. Daar komt bij dat de getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat deze man het mes ter hoogte van het gezicht van de aangever hield, terwijl de getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat de man met het mes zwaaiende en stekende bewegingen naar het lichaam van de aangever maakte. Het hof gaat ervan uit dat deze man de verdachte was. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en deze getuigen. Dat zij niet allen exact gelijkluidend hebben verklaard, doet daaraan niet af, mede in aanmerking genomen dat het om een beweeglijke situatie ging die zich in een kort tijdsbestek heeft afgespeeld. Voorts heeft de verdachte zelf erkend dat hij de aangever heeft bespuugd.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus een wezenlijke of significante bijdrage geleverd aan het tegen de aangever gepleegde geweld. Het hof verwerpt het verweer.

Wel zal het hof – overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal – de verdachte vrijspreken van het geweld tegen de auto van de aangever, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte dat in vereniging heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 19 juli 2022 te ’s-Gravenhage openlijk, te weten, op de hoek van de Suezkade met de Weimarstaat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of goed, te weten [het slachtoffer] en/of een bestelauto (van die [het slachtoffer] ) door:

- tegen een portier van die bestelauto te trappen/schoppen en/of,

- meermalen die [het slachtoffer] te stompen/slaan tegen zijn lichaam en/of,

- die [het slachtoffer] een mes te tonen en/of,

- met dat/een mes een of meer zwaaiende en/of stekende bewegingen te maken in het zicht van en/of naar het lichaam van die [het slachtoffer] en/of,

- om die [het slachtoffer] heen te gaan staan en/of,

- die [het slachtoffer] uit te schelden en/of,

- hem één of meerdere malen te bespugen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Overwegingen

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de openbare orde en op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, die als gevolg van het geweld een polsbreuk heeft opgelopen. Een feit als het onderhavige versterkt in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid. De aanleiding voor het geweld lijkt een uit de hand gelopen verkeersruzie te zijn geweest. Het hof acht het bijzonder kwalijk dat de verdachte de situatie verder heeft doen escaleren doordat hij een mes heeft gepakt en dat mes ook heeft gebruikt om het slachtoffer te bedreigen. Dit moet voor het slachtoffer zeer beangstigend zijn geweest. Voorts weegt het hof strafverzwarend mee dat het slachtoffer is uitgescholden met racistische teksten en hij meermaals is bespuugd, wat buitengewoon vies en vernederend is.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en het strafblad van de verdachte, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. Het hof acht de door de politierechter opgelegde straf in beginsel passend. Toch zal het hof een korter durende gevangenisstraf opleggen, namelijk gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Reden daartoe ziet het hof in de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte. De verdachte heeft een fors strafrechtelijk verleden en heeft meerdere keren jarenlang vastgezeten. Inmiddels heeft de verdachte een eigen bedrijf waarvan hij kan rondkomen. Ook is hij na geruime tijd bijna klaar met het afbetalen van zijn schulden. Hernieuwde detentie zal een negatieve invloed hebben op deze positieve ontwikkelingen. Om recht te doen aan de ernst van het feit, zal het hof daarnaast een taakstraf opleggen.

Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. De inzendtermijn is met zo’n acht maanden overschreden, en de termijn voor berechting in hoger beroep met ruim tien maanden. Het hof zal dit verdisconteren in de hoogte van de op te leggen taakstraf, in die zin dat het hof in plaats van de voorgenomen taakstraf voor de duur van 170 uur een taakstraf van 150 uur zal opleggen.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een – in hoger beroep gehandhaafde – vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.588,26, bestaande uit € 6.838,26 aan materiële schade en € 1.750,00 aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.750, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof overweegt als volgt.

De materiële schadepost die ziet op zorgkosten zal het hof toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 355,55. Uit het dossier en de onderbouwing van de vordering blijkt dat de benadeelde partij een gebroken pols heeft opgelopen en daarvoor in het ziekenhuis is behandeld. Ook blijkt dat het eigen risico van zijn zorgverzekering nog niet was verbruikt. Hoewel een factuur van het ziekenhuis ontbreekt, acht het hof het aannemelijk dat de kosten van de behandeling het eigen risico hebben overstegen, zodat de verdachte daaraan € 355,55 heeft moeten bijdragen. Dit betreft rechtstreekse schade. Het hof zal de wettelijke rente hierover toewijzen vanaf 12 oktober 2022, zijnde de datum van indiening van de vordering, bij gebreke van andere aanknopingspunten.

Wat betreft de materiële schadepost die ziet op verlies van verdienvermogen overweegt het hof als volgt. Uit het dossier en de onderbouwing van de vordering, in het bijzonder de verklaring van de werkgever van de benadeelde partij d.d. 7 oktober 2022, blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van bij het bewezenverklaarde feit opgelopen lichamelijke klachten van 19 juli tot 19 september 2022 niet heeft kunnen werken en ook niet is betaald. Daarna heeft hij kortstondig zijn werkzaamheden hervat, maar wegens pijnklachten is hij sinds 1 oktober 2022 weer gestopt met werken en heeft hij niet betaald gekregen. In de drie maanden voorafgaande aan het bewezenverklaarde heeft de benadeelde partij – blijkens de overgelegde urenstaten – gemiddeld € 2.159,42 per maand verdiend. Daarmee heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof aangetoond dat hij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het bestaan en de omvang van schade in een geval als dit weliswaar door de benadeelde partij moeten worden gesteld en bewezen, maar dat daaraan geen strenge eisen mogen worden gesteld (vgl. ECLI:NL:HR:2017:273). Dat de benadeelde partij een uitkering had kunnen aanvragen of loondoorbetaling had kunnen krijgen, zoals de verdediging ter betwisting heeft aangevoerd, is voldoende weersproken namens de benadeelde partij door erop te wijzen dat de benadeelde partij op oproepbasis werkzaam was, zoals ook blijkt uit de verklaring van de werkgever. Het hof zal deze schadepost dan ook toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 5.253,26 (74 dagen, vermenigvuldigd met het gemiddelde dagloon in de drie maanden voor het bewezenverklaarde). Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 19 augustus 2022 over een bedrag van € 4.330,39; en vanaf 7 oktober 2022 over een bedrag van € 922,87. Dit zijn de data gelegen in het midden van de twee periodes waarover de benadeelde partij inkomsten heeft gemist.

In de overige materiële schadeposten, die zien op vermiste sieraden, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Onvoldoende is gebleken van een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde, mede in aanmerking genomen dat de benadeelde partij over deze sieraden niet heeft verklaard in zijn aangifte.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade, in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De benadeelde partij heeft immers lichamelijk letsel opgelopen, te weten een polsbreuk. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 1.750,00 billijk, mede in aanmerking genomen de pijnklachten en beperkingen die de benadeelde partij heeft ervaren. Het hof zal dit bedrag dus toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 juli 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 7.358,81 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.358,81 (zevenduizend driehonderdachtenvijftig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 5.608,81 (vijfduizend zeshonderdacht euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.358,81 (zevenduizend driehonderdachtenvijftig euro en eenentachtig cent), bestaande uit € 5.608,81 (vijfduizend zeshonderdacht euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade op:- 19 augustus 2022 over een bedrag van € 4.330,39;- 7 oktober 2022 over een bedrag van € 922,87; - 12 oktober 2022 over een bedrag van € 355,55.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

- 19 juli 2022 over een bedrag van € 1.750,00.

Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. R.K. Pijpers, leden, in bijzijn van de griffier mr. G.E.C.M.I. Loef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 juli 2026.

mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. G.E.C.M.I. Loef zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.