Strafrecht overig
Vrijspraak van mishandeling. Op basis van de wettige bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat de…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2643 · Gerechtshof Den Haag · 29 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2643
Zaakgegevens
Op 29 juli 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- 22-000036-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2643
Samenvatting
Vrijspraak van mishandeling. Op basis van de wettige bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de aangever na een aanrijding (met een vuist) heeft geslagen. Een anonieme getuige heeft het ten laste gelegde niet waargenomen. De verklaring van de getuige is zowel passend bij de ontkennende verklaring van de verdachte als de verklaring van de aangever en levert geen ondersteunend bewijs voor de verklaring van de aangever. Foto’s van de aangever bieden evenmin ondersteunend bewijs voor de verklaring van de aangever. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-000036-26
Parketnummer: 10-269934-25
Datum uitspraak: 29 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2026 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,-, subsidiair 7 dagen hechtenis. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 5 april 2025 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] één of meermaals (met vuist) in het gezicht te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vast dat op 5 april 2025 op de Stratenweg in Rotterdam een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen twee voertuigen, te weten de auto van de verdachte (een Mercedes) en de auto van aangever. De vraag die het hof moet beantwoorden is of de verdachte de aangever, na de aanrijding, (met een vuist) heeft geslagen.
Het hof constateert dat de verklaringen van de verdachte en de aangever over wat er na de aanrijding is gebeurd niet eenduidig zijn.
De aangever heeft bij de politie verklaard dat hij na de aanrijding achteruit op de rechterrijbaan is gereden om de weg af te zetten, waarna de verdachte naar hem toe kwam gelopen en hem door het open raam van zijn auto een klap met een vuist in zijn gezicht op zijn linker wang heeft gegeven. De aangever stelt dat hij ten gevolge van het slaan letsel bestaande uit een verdikking van zijn wang heeft opgelopen en heeft ter onderbouwing foto’s van zijn gezicht aan de politie verstrekt die zich in het dossier bevinden.
De verdachte heeft bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep, ontkend dat hij de aangever heeft geslagen. De verdachte heeft kort samengevat verklaard dat de aangever hem heeft aangereden en vervolgens met hoge snelheid achteruit is gereden in zijn, de verdachtes, richting. De verdachte verklaarde dat hij daarvan schrok, erg boos was, uit zijn auto is gestapt en naar de aangever, die nog in zijn auto zat, is toegelopen. De verdachte heeft verder ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn verklaring in eerste aanleg, verklaard dat hij zag dat de aangever de deur van zijn auto wilde openen en dat hij, de verdachte, dit wilde voorkomen en de autodeur van de aangever dichtduwde waarbij zijn rechterhand door het open raam de auto in schoot. De verdachte heeft erkend dat hij hierbij de aangever heeft geraakt, maar dit is volgens hem niet met opzet gebeurd.
Het dossier bevat verder de verklaring van een getuige die anoniem wil blijven. Deze getuige heeft tegenover de politie verklaard dat zij de aanrijding tussen de verdachte en aangever niet heeft gezien, maar wel een hoop lawaai hoorde. Ze zag dat de bestuurder van de Mercedes erg boos was en verhaal haalde bij de bestuurder van de blauwe sportauto. Ze zag dat de verdachte in de auto van aangever hing, door het open raam heen. De getuige verklaarde dat zij de vermeende mishandeling niet heeft gezien.
Het hof constateert dat de anonieme getuige alleen heeft gezien dat de verdachte boos was en in de auto van de aangever hing maar niet heeft waargenomen wat er in de auto is gebeurd. De verklaring dat de verdachte in de auto hing is zowel passend bij de verklaring van de verdachte als de verklaring van de aangever. Anders dan door de rechtbank is geoordeeld, biedt de getuigenverklaring geen ondersteunend bewijs voor de verklaring van de aangever. Dat geldt eveneens voor de door de aangever overgelegde foto’s waarop enige verdikking van zijn linker wang is te zien die ook kan passen bij het aanraken, waarover de verdachte heeft verklaard.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op basis van wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangever heeft mishandeld, zoals tenlastegelegd. Het hof zal de verdachte om die reden vrijspreken van het aan hem tenlastegelegde.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
Nu de verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte proceskosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, als voorzitter, mr. Chr.A. Baardman en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Savans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 juli 2026.