Strafrecht overig
Het hof komt net als de rechtbank tot bewezenverklaring van medeplegen poging tot zware mishandeling. In…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2672 · Gerechtshof Den Haag · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2672
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 22-000585-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2672
Samenvatting
Het hof komt net als de rechtbank tot bewezenverklaring van medeplegen poging tot zware mishandeling. In verband met het zeer lange tijdsverloop sinds het feit plaatsvond (meer dan 10 jaar) komt het hof wel tot een andere strafoplegging.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-000585-24
Parketnummer: 09-827256-16
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 maart 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 04 mei 2016 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- ( met kracht) een zogenaamde kopstoot in het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd heeft/hebben gegeven en/of - (vervolgens) (terwijl die [het slachtoffer] op de grond lag/was gelegen) (meermalen) (met kracht) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd en/op tegen/op het lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of
- ( vervolgens) (terwijl die [het slachtoffer] op de grond lag/was gelegen) (meermalen) (met kracht) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd en/op tegen/op het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 04 mei 2016 te Rijswijk met een ander, openlijk, op of aan de [straatnaam] , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [het slachtoffer] , welk geweld bestond uit het:
- ( met kracht) een zogenaamde kopstoot in het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd geven en/of
- ( vervolgens) (terwijl die [het slachtoffer] op de grond lag/was gelegen) (meermalen) (met kracht) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd en/op tegen/op het lichaam schoppen en/of trappen en/of
- ( vervolgens) (terwijl die [het slachtoffer] op de grond lag/was gelegen) (meermalen) (met kracht) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd en/op tegen/op het lichaam slaan en/of stompen,
- ( meermalen) met de handen/vuisten slaan tegen het hoofd en/of elders op het lichaam van die [slachtoffer] en/of het (meermalen) schoppen/trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer];
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
hij op of omstreeks 04 mei 2016 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- (met kracht) een zogenaamde kopstoot in het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd heeft/hebben gegeven en/of
- (vervolgens) (terwijl die [het slachtoffer] op de grond lag/was gelegen) (meermalen) (met kracht) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd en/op tegen/op het lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of
- (vervolgens) (terwijl die [het slachtoffer] op de grond lag/was gelegen) (meermalen) (met kracht) in/tegen/op het gezicht, in elk geval tegen/op het hoofd en/op tegen/op het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en aangever
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit – kort en zakelijk weergegeven – dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en ook aangever, anders dan de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] , minder betrouwbaar zijn en als zodanig niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hiertoe als volgt
Het hof gaat bij de bewijsconstructie uit van de verklaringen van de verschillende getuigen zoals deze kort na het incident zijn afgelegd, nu hetgeen is waargenomen op dat moment nog vers in het geheugen ligt en deze het minst beïnvloed zijn door tijdsverloop en eventuele andere externe factoren. De inhoud van deze verklaringen komt bovendien authentiek over. De latere verklaringen van met name [getuige 1] en [getuige 2] geven, voor zover ze afwijken van de eerdere verklaringen, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of geloofwaardigheid van hun eerdere verklaringen, temeer nu deze 8 jaar na het incident zijn afgelegd. De verklaringen van aangever acht het hof eveneens betrouwbaar.
In de kern en op de belangrijkste punten zijn de genoemde verklaringen consistent en worden zij ondersteund door elkaar en door andere bewijsmiddelen, zoals het bij aangever geconstateerde letsel en de (eerste) verklaring van getuige [getuige 5] bij de politie, waaruit naar voren komt dat het geweld bestond uit schoppen en slaan en dit is uitgeoefend door twee mannen.
Het hof acht de genoemde verklaringen derhalve bruikbaar voor het bewijs.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging. Bij deze mishandeling waren naast het slachtoffer, kinderen en buurtbewoners aanwezig, waaronder ook het stiefkind en de vriendin van het slachtoffer. Het door de verdachte en de medeverdachte – zonder noemenswaardige aanleiding - uitgeoefende geweld heeft plaatsgevonden op de openbare weg en op klaarlichte dag, zodat verschillende omstanders daarvan ongewild getuige hebben moeten zijn. Deze situatie is voor het slachtoffer, alsook voor deze omstanders, zeer bedreigend geweest en heeft gevoelens van onveiligheid opgeroepen. Dat blijkt in het bijzonder uit het feit dat het destijds minderjarige zoontje van aangever na het incident niet meer naar buiten durfde. Het slachtoffer heeft daarnaast als gevolg van de geweldshandelingen ernstig letsel opgelopen, waaronder een gebroken neus en een gebroken oogkas.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare, zij het andersoortige, feiten.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat gelet op de omstandigheid dat het feit ruim 10 jaar geleden is gepleegd, een gevangenisstraf thans niet meer passend is en dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep fors is overschreden.
Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin dat het hof in plaats van de eerdergenoemde in beginsel passende en geboden taakstraf een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis zal opleggen.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.353,23.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.853,23.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.853,23, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade, te weten € 353,23, is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 mei 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.
Artikel 6:106, aanhef en onder b. van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, onder meer indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Aan de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij - onder andere - ten grondslag gelegd dat het gepleegde strafbare feit fysiek letsel tot gevolg heeft gehad, te weten een gebroken neus, scheuren in de oogkas, last van de rug en een wondinfectie. Het hof is - gelet op de gevolgen van het handelen van de verdachte en diens medeverdachte - van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.500, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat betreft de hoogte van dit bedrag heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte en diens medeverdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in soortgelijke gevallen zijn toegekend.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.853,23 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.853,23 (duizend achthonderddrieënvijftig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 353,23 (driehonderddrieënvijftig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.853,23 (duizend achthonderddrieënvijftig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 353,23 (driehonderddrieënvijftig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 mei 2016.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand, als voorzitter, mr. H.M.D. de Jong, en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. H.W. Scheepbouwer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026.
Mr. A. de Lange is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.