Strafrecht overig
Drijfmest in het oppervlaktewaterlichaam terechtgekomen, afkomstig van de mestopslag welke in gebruik was bij…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2974 · Gerechtshof Den Haag · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2974
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- 22-002138-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2974
Samenvatting
Drijfmest in het oppervlaktewaterlichaam terechtgekomen, afkomstig van de mestopslag welke in gebruik was bij de verdachte rechtspersoon. Het hof stelt vast dat rechtspersoon alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevraagd om de nadelige gevolgen voor de belangen als bedoeld in artikel 2.2 Besluit activiteiten leefomgeving te voorkomen en dat zij de gevolgen van de (milieubelastende) activiteit zoveel mogelijk heeft beperkt of ongedaan gemaakt. De rechtspersoon heeft derhalve voldaan aan haar zorgplicht uit hoofde van artikel 2.11 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving zodat de verdachte reeds om die reden dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-002138-25
Parketnummer: 83-158710-24
Datum uitspraak: 30 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van
7 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
de besloten vennootschap
[bedrijfsnaam] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de vertegenwoordiger van de verdachte en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.000,00 waarbij een proeftijd is gesteld van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 26 januari 2024, te Nieuw-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard, in ieder geval in Nederland, al dan niet opzettelijk,
een lozingsactiviteit bij een milieubelastende activiteit, te weten het lozen van drijfmest in het oppervlaktewaterlichaam (W17441 en W28960,
heeft verricht, terwijl hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden die activiteit nadelige gevolgen kon hebben voor de belangen bedoeld in artikel 2.2 Besluit activiteiten leefomgeving, terwijl hij niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevraagd om die nadelige gevolgen te voorkomen, en/of, hij deze gevolgen niet zoveel mogelijk heeft beperkt of ongedaan gemaakt, en/of, de activiteit niet achterwege heeft gelaten.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Het hof overweegt op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep als volgt.
Vast staat dat op 26 januari 2024 te Nieuw-Beijerland drijfmest in het oppervlaktewaterlichaam is terechtgekomen. Deze drijfmest was afkomstig van de mestopslag aan de [adres 2] welke in gebruik was bij de verdachte. Kort nadat de lekkage was geconstateerd, heeft de verdachte het verontreinigde oppervlaktewater weggezogen en afgevoerd zodat de milieuschade zoveel mogelijk is beperkt. Verder is ter terechtzitting gebleken dat de mestzak waarin de drijfmest zich bevond, was gekeurd en dat binnen [bedrijfsnaam] veiligheidsprotocollen in werking zijn. Elke chauffeur die een mestopslag aandoet, is gehouden een visuele controle uit te voeren waarbij dient te worden gecontroleerd of er lekkages zijn door – indien mogelijk – een rondje te lopen om het bassin. De instructie aan de chauffeurs is opgenomen in het handboek en wordt tijdens functioneringsgesprekken aan de orde gesteld. Daarnaast beschikt [bedrijfsnaam] over een eigen buitendienst, die zich eveneens bezighoudt met de visuele controle van de diverse mestopslagpunten die in gebruik zijn bij [bedrijfsnaam].
Los van de vraag of kan worden gesproken van een lozingsactiviteit in de zin van de tenlastelegging is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat [bedrijfsnaam] alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevraagd om de nadelige gevolgen voor de belangen als bedoeld in artikel 2.2 Besluit activiteiten leefomgeving te voorkomen en dat zij de gevolgen van de (milieubelastende) activiteit zoveel mogelijk heeft beperkt of ongedaan gemaakt. [bedrijfsnaam] heeft derhalve voldaan aan haar zorgplicht uit hoofde van artikel 2.11 lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zodat de verdachte reeds om die reden dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 21 mei 2024 onder CJIB-nummer [CJIB-nummer].
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, als voorzitter,
mr. H. Steenhuis en mr. K. Versteeg, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2026.