Strafrecht overig
Bij de behandeling in hoger beroep van de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2976 · Gerechtshof Den Haag · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2976
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- 22-000016-21 PO
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2976
Samenvatting
Bij de behandeling in hoger beroep van de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is komen vast te staan dat de betrokkene bij arrest van heden als verdachte in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is vrijgesproken van de aan de vordering gerelateerde strafbare feiten.
Het Openbaar Ministerie dient, nu een veroordeling wegens een strafbaar feit ontbreekt, niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 17 december 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:12977Gerechtshof Den Haag · 30 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2976
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-000016-21 PO
Parketnummer: 10-750353-17
Datum uitspraak: 30 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Procesgang
De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 38.842,- ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 17 december 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 18.282,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag. Hierbij is de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 366 dagen.
Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Beoordeling van de vordering
Bij de behandeling in hoger beroep van de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is komen vast te staan dat de betrokkene bij arrest van heden als verdachte in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is vrijgesproken van de aan de vordering gerelateerde strafbare feiten.
Het Openbaar Ministerie dient, nu een veroordeling wegens een strafbaar feit ontbreekt, niet-ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. H. Steenhuis en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2026.