Strafrecht overig
Tussenarrest. Schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de tenuitvoerlegging van…
Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3033 · Gerechtshof Den Haag · 9 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3033
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-000909-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3033
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Tussenarrest. Schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de tenuitvoerlegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf(fen). Belangenafweging. Aan het strafvorderlijk belang van het voorkomen van recidive kan in voldoende mate tegemoet worden gekomen. Geen wettelijke regeling die zich verzet tegen schorsing. Praktische bezwaren tegen wisseling van vrijheidsbenemende titel niet aannemelijk geworden.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 18 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2697Gerechtshof Den Haag · 9 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:3033
Uitspraak
Rolnummer: 22-000909-26
Parketnummers: 10-148485-24 en 08-101643-23 (tul)
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen naar aanleiding van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis in de strafzaak met bovenvermeld rolnummer tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in de [naam penitentiaire inrichting] .
Onderzoek ter zitting naar aanleiding van het verzoek
Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 27 augustus en 25 september 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte in het kader van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis naar voren is gebracht.
Procesgang
In de zaak met parketnummer 10-148485-24 is de verdachte op 3 december 2024 in verzekering gesteld. De verdachte is aansluitend op 6 december 2024 in voorlopige hechtenis gesteld.
De verdachte is vervolgens bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026 ter zake van het aan hem in de zaak met parketnummer 10-148485-24 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair en 7 tenlastegelegde veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, en met bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke taakstraf van twintig (20) uren, zoals aan hem is opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 20 september 2023 met parketnummer 08-101643-23.
De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.
In raadkamer van dit gerechtshof van 7 mei 2026 is het bevel gevangenhouding van de verdachte verlengd met een periode van 120 dagen. De zaak is vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep aangebracht op de pro forma zittingen van 27 augustus en 25 september 2026.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2026 is door en namens de verdachte verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met bovenvermeld rolnummer ten behoeve van de tenuitvoerlegging van aan de verdachte opgelegde en
inmiddels onherroepelijk geworden gevangenisstraffen in de zaken met parketnummers
21-001309-17 (TUL voorwaardelijke gevangenisstraf), 21-005821-18 (TUL voorwaardelijke gevangenisstraf) en 20-001684-21 (gevangenisstraf), een en ander voor zover die gevangenisstraffen nog niet eerder, al dan niet deels, zijn tenuitvoergelegd.
De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis overeenkomstig zijn overgelegde en bij de stukken gevoegde schriftelijke standpunt.
Beoordeling van het verzoek
Bij de beoordeling van een gemotiveerd verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het persoonlijk belang van de verdachte bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis en anderzijds het belang van strafvordering dat wordt gediend bij het voortduren van de voorlopige hechtenis.
Een dergelijke belangenafweging is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging dient, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, te worden betrokken of op een andere, voor de verdachte minder bezwarende manier tegemoet kan worden gekomen aan het belang van strafvordering dat word gediend bij voortzetting van de voorlopige hechtenis.
Niet ter discussie staat dat de verdachte persoonlijk belang heeft bij de schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het resterende deel van aan hem onherroepelijk opgelegde gevangenisstraffen. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof ervan uit dat het gaat om een resterende onherroepelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, terwijl in de onderhavige zaak, waarin om schorsing van de voorlopige hechtenis is verzocht, nog geen datum voor de inhoudelijke behandeling is bepaald en ook niet te verwachten valt dat die behandeling op korte termijn zal plaatsvinden.
Evenmin staat ter discussie dat daartegenover staan de gronden van de voorlopige hechtenis, in dit geval het veroordelend vonnis en – kort gezegd – recidivegevaar. Voor de weging daarvan – van de belangen van strafvordering - neemt het hof in aanmerking de aard en ernst van de feiten waarop de voorlopige hechtenis betrekking heeft, in dit geval – kort gezegd – fraude door middel van phishing, voorbereidingshandelingen daartoe, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Ook weegt het hof daarin mee dat de voorlopige hechtenis reeds eerder, op verzoek van de verdachte en zonder dat het openbaar ministerie daar toen bezwaar tegen had, tijdelijk geschorst is geweest, gedurende welke tijd de verdachte al een gedeelte van de openstaande onherroepelijke gevangenisstraffen heeft uitgezeten.
Het hof is van oordeel dat in dit geval aan het strafvorderlijk belang van het voorkomen van recidive in voldoende mate tegemoet kan worden gekomen door aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zodanige voorwaarden te verbinden, dat wordt verzekerd dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in detentie blijft, zij het tijdelijk onder een andere titel, en daarbij geen vrijheden geniet die aan de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf kunnen zijn verbonden, zoals strafonderbreking, kortdurend verlof of deelname buiten de inrichting aan een penitentiair programma. Die verzekering kan worden geboden door te bepalen dat in daarvan afwijkend geval de schorsing van de voorlopige hechtenis zal eindigen.
Aan het schorsen van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf staat geen wettelijke regeling in de weg. Artikel 1.4 van de ministeriële Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen ziet op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, niet op de beslissingen zelf.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof daartegen ook geen principiële bezwaren. Een dergelijke beslissing doorkruist niet de bevoegdheidsverdeling omtrent de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, zoals de advocaat-generaal heeft betoogd. De beslissing tot (tijdelijke) schorsing ziet op de voorlopige hechtenis. Zodra en zolang deze is geschorst, is de tenuitvoerlegging daarvan niet aan de orde. Het is de wet, niet vorenbedoelde beslissing, die de Minister vervolgens verplicht tot tenuitvoerlegging van (het restant van) de onherroepelijk opgelegde straf (artikel 6:1:1, eerste lid, Sv).
De advocaat-generaal heeft nog gesteld dat de wisseling van vrijheidsbenemende titel stuit op praktische bezwaren. Op grond van hetgeen daartoe in algemene zin is aangevoerd is echter niet aannemelijk geworden dat in het onderhavige geval sprake is van zodanig zwaarwegende praktische bezwaren, dat de belangenafweging daardoor – alles overziend – een andere uitkomst zou moeten krijgen.
Alles afwegend is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval het belang van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis, mits tijdelijk en onder de na te noemen voorwaarde, dient te prevaleren boven het belang van strafvordering bij het voortzetten van de voorlopige hechtenis.
Het hof zal het verzoek derhalve toewijzen zoals hierna wordt beslist, waarbij het hof het
aangewezen acht om een datum te bepalen waarop de schorsing van de voorlopige hechtenis ingaat, zodat die datum niet wordt overgelaten aan de executerende instantie. Het hof zal daarbij veiligheidshalve rekening houden met een termijn van enkele werkdagen om een naadloze wisseling van de vrijheidsbenemende titel mogelijk te maken.
BESLISSING
Het hof:
Schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met rolnummer 22-000909-26
met ingang van 15 oktober 2026
ten behoeve en onder de voorwaarde van aansluitende (verdere) tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraffen in de zaken met parketnummers 21-001309-17 (TUL voorwaardelijke gevangenisstraf), 21-005821-18 (TUL voorwaardelijke gevangenisstraf) en 20-001684-21 (gevangenisstraf), een en ander voor zover die gevangenisstraffen nog niet eerder, al dan niet deels, zijn tenuitvoergelegd, totdat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen eindigt of de verdachte in het kader van die tenuitvoerlegging in aanmerking zou komen voor enige vrijheden in de vorm van voorwaardelijke invrijheidsstelling, penitentiair programma, detentiefasering, (re-integratie)verlof en/of strafonderbreking of de verdachte om enige andere reden op vrije voeten zou komen.
Dit tussenarrest is gewezen door mr. B. Stapert, voorzitter,
mr. M.A.J. van de Kar en mr. W.B.M. Tomesen, leden,
in bijzijn van de griffier mr. E. Mulder.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 oktober 2026.
Mr. W.B.M. Tomesen is buiten staat dit tussenarrest te ondertekenen.