Strafrecht overig

Veroordeling voor aanranding en schennispleging. Twee minderjarige slachtoffers. Eerdere veroordelingen voor…

Gerechtshof Den Haag, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
22-002677-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3174
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor aanranding en schennispleging. Twee minderjarige slachtoffers. Eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, waarbij tbs met voorwaarden werd opgelegd en omgezet. Het hof legt een gevangenisstraf van 12 maanden en tbs met dwangverpleging op.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002677-25

Parketnummers: 09-348388-24 en 09-133651-22 (tul)

Datum uitspraak: 5 november 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 september 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1975,

adres: [adres] te [woonplaats]

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens is ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en is bevolen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd. Voorts is er beslist omtrent de vordering tenuitvoerlegging zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Leiden, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarig slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2011, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het tonen van zijn, verdachtes, ontblote penis aan die [minderjarig slachtoffer 1] en/of

- het (vervolgens) vastpakken van de heupen van die [minderjarig slachtoffer 1] en/of het drukken van zijn, verdachtes, onderlichaam (al dan niet met ontblote penis) tegen de billen, althans tegen het lichaam, van die [minderjarig slachtoffer 1] ;

2.
hij op of omstreeks 4 juni 2024 te Leiden, een persoon, te weten [minderjarig slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2013, van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van zijn seksuele handelingen, immers heeft verdachte met dat oogmerk, in het bijzijn en/of in de directe nabijheid van die [minderjarig slachtoffer 2] zijn ontblote geslachtsdeel getoond en/of zijn ontblote geslachtsdeel in zijn hand genomen/aangeraakt en/of zich afgetrokken, waarbij verdachte de aandacht van die [minderjarig slachtoffer 2] trok door

- ( vanuit de bosjes) richting die [minderjarig slachtoffer 2] te lopen,

- naar die [minderjarig slachtoffer 2] te blijven kijken en/of te trachten oogcontact te maken met die [minderjarig slachtoffer 2] en/of

- ( lok)gebaren en/of (lok)geluiden te maken naar die [minderjarig slachtoffer 2] ;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 juni 2024 te Leiden, de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Valkenpad en/of de Sperwerhorst en/of de Condorhorst en/of het Condorpad, door zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel te tonen en/of in zijn hand te nemen/aan te raken en/of zich (vervolgens) af te trekken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van gronden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Leiden, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarig slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2011, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het tonen van zijn, verdachtes, ontblote penis aan die [minderjarig slachtoffer 1] en/of

- het (vervolgens) vastpakken van de heupen van die [minderjarig slachtoffer 1] en/of het drukken van zijn, verdachtes, onderlichaam (al dan niet met ontblote penis) tegen de billen, althans tegen het lichaam, van die [minderjarig slachtoffer 1] ;

2.
hij op of omstreeks 4 juni 2024 te Leiden, een persoon, te weten [minderjarig slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2013, van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van zijn seksuele handelingen, immers heeft verdachte met dat oogmerk, in het bijzijn en/of in de directe nabijheid van die [minderjarig slachtoffer 2] zijn ontblote geslachtsdeel getoond en/of zijn ontblote geslachtsdeel in zijn hand genomen/aangeraakt en/of zich afgetrokken, waarbij verdachte de aandacht van die [minderjarig slachtoffer 2] trok door

- (vanuit de bosjes) richting die [minderjarig slachtoffer 2] te lopen,

- naar die [minderjarig slachtoffer 2] te blijven kijken en/of te trachten oogcontact te maken met die [minderjarig slachtoffer 2] en/of

- (lok)gebaren en/of (lok)geluiden te maken naar die [minderjarig slachtoffer 2] ;.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

een persoon, van wie hij redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Oplegging van straf en maatregel

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en dat daarnaast aan de verdachte ten aanzien van feit 1 de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met een bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf inmiddels ruim heeft uitgezeten en dat er geen ruimte meer is om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van de voorlopige hechtenis overschrijdt. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat behandeling van de verdachte in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden kan plaatsvinden en dat tbs met dwangverpleging niet noodzakelijk is. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de argumenten van de deskundigen tegen een tbs-maatregel met voorwaarden inhoudelijk niet overtuigen en dat het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging niet proportioneel is. Voorts heeft de raadsvrouw, indien het hof niet zou beslissen tot oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden, het voorwaardelijk verzoek gedaan tot aanhouding van de behandeling van de zaak dan wel het wijzen van een tussenarrest teneinde de reclassering opdracht te geven een maatregelenrapport op te laten stellen waarin voorwaarden worden geformuleerd.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft op 4 juni 2024 zijn ontblote geslachtsdeel laten zien aan een op dat moment elfjarig slachtoffer. Terwijl hij in de bosjes met zijn hand om zijn ontblote geslachtsdeel heen stond en zichzelf aftrok, probeerde hij de aandacht van het slachtoffer te trekken door in haar richting te lopen en lokgeluiden en -gebaren te maken. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte zijn eigen behoeftes boven de belangen van het elfjarige slachtoffer gesteld en heeft hij geen oog gehad voor de gevolgen die zijn handelen voor haar zouden opleveren.

Voorts heeft de verdachte zich, ruim een maand later, op 11 juli 2024, opnieuw schuldig gemaakt aan een zedendelict door een destijds twaalfjarig meisje aan te randen. De verdachte heeft zijn ontblote geslachtsdeel aan haar getoond en is haar – nadat zij met versnelde pas was weggelopen – achterna gelopen, heeft haar vastgepakt en zijn lichaam tegen haar lichaam ter hoogte van haar billen aangedrukt. De gevolgen hiervan voor het slachtoffer zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op indringende wijze naar voren gebracht middels de schriftelijke slachtofferverklaring van de ouders van het meisje. Hieruit volgt dat het slachtoffer ruim twee jaar later nog veel last heeft van het feit. Haar ouders beschrijven dat zij een half jaar niet naar school is gegaan omdat dit te veel stress met zich mee bracht, dat zij erg angstig was, behandelingen heeft gekregen voor de PTSS en de paniekstoornis die zij heeft ontwikkeld en dat haar zelfbeeld, zelfvertrouwen en haar vertrouwen in mannen erg laag is. De situatie heeft een weerslag op het hele gezin van het slachtoffer. Het hof rekent dit de verdachte aan.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de op te leggen maatregel

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van zedenfeiten. Daarbij is aan de verdachte meerdere malen een gevangenisstraf opgelegd en ook een tbs-maatregel met voorwaarden. De tbs-maatregel met voorwaarden is vervolgens omgezet naar een tbs-maatregel met dwangverpleging wegens overtreding van de voorwaarden, te weten dat de verdachte opnieuw in aanraking kwam met de politie wegens exhibitioneren.

Het hof heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies d.d. 19 augustus 2025, een Pro-Justitia rapportage d.d. 17 juli 2025, een Pro-Justitia rapportage d.d. 6 juni 2025 en een Pro-Justitia rapportage d.d. 3 februari 2025. Over de verdachte is voorts op 4 juni 2026 aanvullend gerapporteerd door prof. dr. D.J. Vinkers (psychiater) en drs. W.J.L. Lander (klinisch psycholoog). Uit de rapportage van Vinkers komt onder meer naar voren dat er ten tijde van het ten laste gelegde bij de verdachte sprake was van een exhibitionismestoornis en een persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidstrekken. Ook Lander komt in de rapportage tot de conclusie dat sprake is van een exhibitionismestoornis en dat daarnaast sprake is van vermijdende persoonlijkheidstrekken. Beide deskundigen rapporteren dat mogelijk ook sprake is van een pedofiele stoornis. Vanwege de doorwerking van met name deze exhibitionismestoornis wordt geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Het risico op recidive van een seksueel delict wordt door de deskundigen als hoog ingeschat. De verdachte is vaak gerecidiveerd, ook nadat hij tot 2018 een tbs-maatregel met dwangverpleging heeft ondergaan en ook in proeftijden. Er is weinig ziekte-inzicht, betrokkene is al diverse keren ambulant en klinisch behandeld, maar valt steeds terug, aldus de deskundigen. Geadviseerd wordt om de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen om het hoge risico op recidive te verminderen. Tijdens de behandeling kan voortdurend het recidiverisico worden gemonitord. De deskundigen schatten in dat een ambulante en/of vrijwillige behandeling geen kans van slagen heeft.

Het hof neemt de conclusies van bovengenoemde deskundigen ten aanzien van de diagnose en de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over. Het hof is van oordeel dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.

Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt vast dat het begane misdrijf onder 1 een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van de anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist, zodat aan alle wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan.

Het hof is van oordeel dat gelet op de bij de verdachte vastgestelde exhibitionismestoornis en de (persoonlijkheidsstoornis met) vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidstrekken, de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde en de inhoud van de over de verdachte uitgebrachte rapporten, sprake is van een groot gevaar voor recidive. Het hof acht het daarom vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij.

In het Pro-Justitia rapport van 4 juni 2026 komt naar voren dat bij de verdachte onvoldoende intrinsieke motivatie aanwezig is om behandeld te worden. De verdachte is jarenlang ambulant en klinisch behandeld voor exhibitionisme en persoonlijkheidsproblematiek, maar is desondanks veelvuldig gerecidiveerd. Voorts geeft de verdachte weinig openheid over zijn seksuele beleving, wat een adequate psychiatrische behandeling kan belemmeren; de verdachte beweert immers dat de schennispleging niet gepaard gaat met seksuele opwinding (en zelfbevrediging), terwijl er aanwijzingen zijn dat hier wel sprake van is. Hoewel de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep meermalen te kennen heeft gegeven spijt te hebben van zijn gedrag en lijkt mee te leven met de slachtoffers, heeft ook het hof bemerkt dat de verdachte geen daadwerkelijke openheid geeft over de achtergrond en drijfveren van zijn handelen. Het hof is het met de deskundigen eens dat een intensief traject nodig is om de verdachte te behandelen, mede gericht op het nemen van verantwoordelijkheid en het versterken van interne en externe controle en medicatie. Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit is er daarnaast niet enkel sprake van schennispleging of exhibitionisme, maar is er ook sprake van een jong slachtoffer waarbij de verdachte zich tegen de billen van het slachtoffer heeft gedrukt. Mede gelet op de aard en de ernst van het feit en op het feit dat de verdachte zich in het verleden niet aan opgelegde voorwaarden heeft gehouden, hij verschillende behandeltrajecten heeft gehad en meermaals opnieuw is gerecidiveerd, is het hof van oordeel dat de tbs-behandeling binnen een beveiligd kader dient plaats te vinden en dat een tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval proportioneel is. Het is van belang dat tijdens de behandeling het recidiverisico voortdurend kan worden gemonitord. Het hof zal daarom de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist. Alleen in een dergelijk kader kan het risico op recidive realistisch worden verminderd, zoals ook de psychiater schrijft. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht ook het hof een klinische opname in het kader van een tbs met voorwaarden hiertoe niet toereikend.

De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Dat betekent dat de duur van de maatregel, gelet op artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, niet gemaximeerd is.

Gelet op het voorgaande zal het hof het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot aanhouding van de zaak dan wel het wijzen van een tussenarrest om een maatregelenrapport op te laten maken door de reclassering afwijzen, nu het hof daar geen noodzaak toe ziet.

De duur van de op te leggen gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het hof van oordeel dat aan de verdachte naast het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte dient te worden opgelegd. Het hof acht de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar en legt om die reden net als de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht op.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Conclusie

Resumerend zal het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, hetgeen passend en geboden is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en de ernst van de feiten, alsmede de persoon van de verdachte en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid. Voorts zal het hof aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 juni 2022 onder parketnummer 09-133651-22 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van drie jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op de grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Gelet echter op de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging en de omstandigheid dat de verdachte bij tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf dan pas 4 maanden later kan worden aangemeld voor een tbs-behandeling, acht het hof thans geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 247 en 248d van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van 19 december 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2022, parketnummer 09-133651-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. R. van der Hoeven, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 november 2026.

Mr. L.C. van Walree is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.